Veiligheid en terrorisme zijn welkom thema voor Witte Huis in bange dagen

door Paul Brill..

De wereld kreeg deze week twee gezichten van president Bush te zien. Eerst was er George de Deemoedige, die een jaar na Katrina naar New Orleans toog om zijn solidariteit te tonen met de zwaar getroffen stad en spijt te betuigen over alles wat er van overheidswege mis was gegaan in die rampzalige dagen. Hij sprak van ‘verschrikkelijke taferelen, waarvan we niet hadden gedacht dat we die ooit in Amerika zouden zien’.

Maar drie dagen later in Salt Lake City stapte hij het toneel op in een rol die hem meer succes heeft gebracht en die hem duidelijk beter ligt: George de Onversaagde. Voor een gehoor van oorlogsveteranen, die eerder in de week waren toegesproken door minister van Defensie Donald Rumsfeld, bezwoer hij dat zijn regering de oorlog tegen het terrorisme met onverminderde inzet zou voeren. Hij betitelde die oorlog als ‘de beslissende ideologische krachtmeting van de 21ste eeuw’, te vergelijken met met de strijd tegen het fascisme en het communisme in de vorige eeuw.

Bush ging niet zo ver als Rumsfeld, die critici van de regering voor de voeten wierp dat ze zich schuldig maken aan appeasement en de lessen van de geschiedenis niet hebben geleerd, hetgeen tot boze reacties leidde uit Democratische hoek. Maar de president gaf duidelijk te kennen dat hij zich door tegenslagen – in dit verband had hij het over de ‘soms verontrustende beelden’ uit Bagdad – niet van de wijs laat brengen. En hij citeerde Thomas Jefferson, die zei dat naties ‘nu eenmaal niet de overgang van despotisme naar vrijheid kunnen maken op een hemelbed’.

Bush' toespraak in Salt Lake City was het openingsschot van een presidentieel offensief dat de hele komende week zal voortduren. Bijna elke dag zal hij ergens optreden. Dat heeft niet alleen te maken met de naderende herdenking van 11/9, maar ook en vooral met de Congresverkiezingen van 7 november. Aanstaande maandag vieren de Verenigde Staten Labor Day, die in een verkiezingsjaar geldt als startdatum voor de campagne, of beter: voor de finale van de campagne. In het Amerikaanse politieke bedrijf gebeurt er dan bijna niets meer zonder electorale (bij)bedoelingen.

De Republikeinen zijn zeer bezorgd over de uitkomst van de verkiezingen. Uit bijna alle peilingen blijkt dat de waardering voor de president gering is: het aantal Amerikanen dat hem een voldoende geeft, is al vele maanden kleiner dan 40 procent. Wat minstens zo verontrustend is voor de Grand Old Party, is dat het Congres, waar de Republikeinen de dienst uitmaken, in nog lager aanzien staat: slechts eenderde van de kiezers vindt dat Senaat en Huis van Afgevaardigden naar behoren hun werk doen.

Onder deze omstandigheden grijpen de verkiezingsstrategen van het Witte Huis naar een beproefd thema, waarmee ze vaak hebben gescoord: de nationale veiligheid. Als hoeders daarvan hebben de Republikeinen altijd wat meer vertrouwen genoten dan de Democraten, en sinds 11/9 geldt dat in versterkte mate. Voor de Republikeinen is het dus zaak om de verkiezingsstrijd zoveel mogelijk daarover te laten gaan – en ervoor te zorgen dat het militaire optreden in Irak wordt gezien als onlosmakelijk onderdeel van de oorlog tegen het terrorisme en niet als een blok aan het been.

Het curieuze is dat na diverse pijnlijke ervaringen de Democraten daarop nog steeds geen effectief antwoord hebben. Of ze gaan over the top om te bewijzen dat de bescherming van het land bij hen in volstrekt veilige handen is, zoals gebeurde in de campagne van John Kerry in 2004. Of ze reageren gepikeerd, zoals afgelopen week weer eens merkbaar was na de vileine uitspraken van Rumsfeld.

Een probleem is natuurlijk dat de Democraten geen helder, eensluidend alternatief hebben voor het Irak-beleid. Verscheidene partijcoryfeeën (onder wie Hillary Clinton) hebben Bush lange tijd min of meer gesteund. De standpunten variëren van doormodderen tot gezwind de troepen terugtrekken.

Daar komt bij dat geen van de huidige partijleiders door de kracht van zijn/haar persoonlijkheid de tegenstrijdigheden kan doen vergeten. Partijvoorzitter Howard Dean is een brekebeen, Nancy Pelosi, de aanvoerster in het Huis, is te ouderwets links, en Senaatsvoorman Harry Reid ontbeert charisma.

Toch hoeft dat allemaal geen ernstige handicap te zijn, schrijft Peter Beinart in de jongste editie van het tijdschrift The New Republic. Zijn gevatte analyse neemt stelling tegen degenen die menen dat de Democraten met een klinkende agenda moeten komen om in november een bres te kunnen slaan in de Republikeinse meerderheid. Dit pleidooi stoelt op wat hij de ‘mythe’ van 1994 noemt. In dat jaar namen de Republikeinen onder leiding van Newt Gingrich plaats op de trappen van het Capitool en presenteerden een tien punten tellend ‘Contract with America’. Zes weken later wonnen ze de verkiezingen en veroverden voor 't eerst in vier decennia de meerderheid in het Huis.

De betekenis van het Contract was echter gering, aldus Beinart. Blijkens later onderzoek was de winst vooral te danken aan het feit dat veel traditionele Democratische kiezers, geërgerd over wat de regering-Clinton in de eerste twee jaar had gepresteerd, thuis bleven.

Wat de Democraten mogen hopen is dat nu het tegenovergestelde gebeurt: dat veel ontgoochelde Republikeinse kiezers wegblijven. En ze kunnen dit bevorderen door de tegenpartij minimale munitie te verschaffen en dus hun programma sereen en algemeen te houden. Twee slagzinnen moeten volstaan: ‘Time for a Change’ en ‘We're not George Bush’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden