Veilig over straat, nooit meer gelukkig

Zes jaar geleden ontmoette fotograaf Daniel Koning de Bosniër Ismet Sahinovic en zijn familie in het belegerde Sarajevo. Deze maand zocht hij ze opnieuw op....

In december 2001 kun je gewoon een vliegticket kopen naar Sarajevo. De luchthaven is klein en splinternieuw. Als een vliegtuig is geland, beweegt een moderne slurf zich naar de vliegtuigdeur. Een taxichauffeur wil me wel naar het voorstadje Hrasnica brengen.

Het vriest een paar graden en er vallen nauwelijks zichtbare sneeuwvlokjes uit de donkergrijze hemel. Hier is geen sprake van sneeuw die alles geruststellend toedekt. Het is een dunne laag sneeuw die de kapotte schuttingen, de auto's die nooit meer zullen rijden en de verminkte huizen juist accentueert.

Het is vrede. Op 21 november 1995 is onder zware Amerikaanse druk het vredesverdrag van Dayton getekend, en op 29 februari 1996 verklaarde de Bosnische regering dat het beleg van de hoofdstad voorbij was. Er zijn 10.615 burgers omgekomen: bij het oversteken van een straat, tijdens het bezoek aan de markt, op weg naar school of aan de keukentafel. De oorlog van Sarajevo heeft 1395 dagen geduurd.

Ik zoek de familie Sahinovic. Ik heb ze niet kunnen bereiken. Geen telefoonaansluiting.

Hrasnica is toch niet zo klein als ik me herinner uit oktober 1995. Een troosteloze verzameling door de oorlog beschadigde huizen en lage flats. Hier lijkt niets veranderd. Ja, toch wel. Als er een scherpe knal door de bergen wordt weerkaatst, kijkt niemand op. Iedereen weet wat het is: te vroeg afgestoken vuurwerk.

Bij een kleine groentestal hebben we succes. De vrouw achter de paprika's weet waar Sahinovic woont. Ja, Ismet van Zulejha, Elvira en Elvir. Vlak voor de flat herken ik de plek pas. Het beeld van 1995 is terug. De taxichauffeur opent zijn tandeloze mond en brult naar het balkonnetje op de tweede verdieping: 'Sahinovic!' Het duurt even, maar dan gaat de balkondeur open. Daar staat ze, Zulejha. Ze is oud geworden.

Het is 16 oktober 1995 en het is oorlog in Bosnië. Ismet Sahinovic wacht. Zijn handen zijn diep weggestoken in de zakken van een nylon jack dat te weinig bescherming biedt tegen de kou. Op het lege parkeerterrein van Hrasnica heerst volledige duisternis. Misschien komt de bus uit Split vanavond. Gisteren en eergisteren wachtte hij vergeefs.

Hrasnica, voorstadje van Sarajevo aan de voet van de berg Igman. De plaats waar het vrachtverkeer en de bussen een nacht en een ochtend moeten wachten om de tocht van nog maar enkele kilometers naar de Bosnische hoofdstad te kunnen vervolgen. 's Morgens mag er verkeer de stad uit; na twee uur 's middags zetten voertuigen zich in beweging richting belegerde vesting.

Drie jaar en vier maanden duurt de Servische omsingeling nu al. Een paar dagen geleden is een staakt-het-vuren overeengekomen dat de stad aarzelend doet ontwaken. Niemand gelooft nog echt in vrede. De herinnering aan eerdere wapenstilstanden, die niet meer dan gevechtspauzes bleken, zijn nog te levend, en de bestandsschendingen te talrijk. Vanaf de omringende bergen zijn de lopen van 260 tanks, 120 mortieren en een ontelbaar aantal sluipschutters nog altijd op de stad gericht.

Dertien uur duurt de reis van het Kroatische Split, door een gehavend Bosnisch landschap, naar Hrasnica. In de volgepakte bus die een onregelmatige verbinding met Sarajevo onderhoudt, ben ik de enige buitenlander. De stad is op dit moment niet op een andere manier bereikbaar.

De laatste drie uur is moeizaam de berg Igman bedwongen: zandwegen, haarspeldbochten, militaire controleposten en afgronden waarvan de diepte in het donker niet te peilen is. Als de chauffeur de zware dieselmotor op het parkeerterrein van Hrasnica tot zwijgen brengt, is het negen uur.

Ismet Sahinovic staat een beetje terzijde van de groep mannen die reizigers onderdak voor de nacht aanbieden. Na chaotische onderhandelingen verdwijnen de meesten in de nacht. Hij staat er nog, ik kan voor tien mark bij hem overnachten. Zwijgend loopt hij met een van mijn tassen voor me uit naar een huizenblok dat zich honderd meter verder donker aftekent. Vier stenen trappen op in een haveloos trappenhuis en we zijn binnen.

Een televisietoestel, een oud bankstel, een ronde tafel. Ik word voorgesteld aan zijn vrouw Zulejha. Verlegen geeft zijn dochter van 14 me een hand: Elvira. Zoon Elvir van 18 draait schroeven in de onderkant van een stofzuiger.

Zulejha verdwijnt in een nis achter een gordijn: de keuken. Een kwartier later wordt een groot bord aardappelpuree met stukjes paddestoel voor me neergezet. We zwijgen, glimlachen naar elkaar. 'Thank you' en 'dobre' zijn de woorden waar we het voornamelijk mee doen. Het Servokroatisch-Engels woordenboek komt ter tafel, en heel langzaam krijg ik toegang tot de wereld van een Bosnische familie.

Ismet is 43. Drie jaar geleden is de fabriek platgebombardeerd waar hij als machinebankwerker in dienst was. FAMOS heette het bedrijf. Er werden auto-onderdelen gemaakt. Zevenduizend mensen werkten er. Ismet haalt een grote zwartwitfoto uit 1983 uit een doos. Hij staat erop, achter een draaibank van de transmissieafdeling.

Ik krijg een groot glas melk, water met melkpoeder, en koolsla. Buiten klinkt geratel van machinegeweren. Ismet glimlacht, maakt het gebaar van in de lucht schieten en zegt: 'Drinking, drinking.' Hun flat is in '92, '93, '94 en ook dit jaar door mortiergranaten getroffen, maakt hij me duidelijk. De laatste keer hebben ze vier dagen in de kelder gezeten.

De slaapkamer met het echtelijk bed is voor de gast in gereedheid gebracht. Rechts van het bed staat de wasmachine, die door het ontbreken van leidingwater al jaren niet is gebruikt. Naast de deur staat een Kalasjnikof tegen de muur. Voor het raam zit plastic folie waardoorheen je autobanden ziet. Vanaf het hoofdeinde van het bed zoeken draden, bij wijze van antenne, hun weg naar buiten.

De volgende morgen vergezelt Ismet me naar het badkamertje. Hij giet water uit een limonadefles over mijn handen. Vanuit de woonkamer zie ik voor het eerst hoe het er buiten uitziet: rechts een zwaarbeschadigde flat, aan de overkant huizen vol kogelgaten, daarvoor een roestig autowrak.

Als Ismet me mee naar buiten neemt, zie ik de op het balkon opgestapelde autobanden. In de flat ernaast zit een onregelmatig gat van twee bij twee meter. Op een binnenpleintje staat een klein gedenkteken met de namen van de kinderen die hier tijdens het spelen door een granaat om het leven zijn gekomen.

We lopen langs de restanten van het geheel weggevaagde huis van zijn vriend Hanusek, die is gevlucht en nu in Coventry woont. 'Zullen we rechtdoor lopen of rechtsaf slaan', vraag ik. Hij wijst op de weg die rechtdoor loopt, en maakt met zijn vinger een klein cirkeltje op zijn voorhoofd. 'Snipers', zegt hij.

Overal hakken mensen hout voor de winter. Vrachtauto's die straks hun weg naar Sarajevo zullen vervolgen, vormen een rij op de lemige weg rond het stadje dat zich vanuit de bergen bedreigd weet.

We gaan terug naar de flat waar de hele dag de televisie aanstaat. Elvira's school is gesloten, ze heeft de laatste jaren een grote achterstand opgelopen. Ik vraag Elvir of hij me de kelder wil laten zien waar ze schuilen. Het is zijn domein: posters aan de muur, gekleurde lampjes, draadjes, stekkertjes.

Voor de oorlog zat hij op de technische school. Met een sleuteltje opent hij een kastje, hij laat me een scherpe granaat en een geladen revolver zien. 'Mijn ouders weten dit niet', zegt hij ernstig terwijl hij een helm opzet. Als het nodig is, zal hij ze verdedigen.

Het is tijd om naar Sarajevo te vertrekken. Ismet Sahinovic loopt met een van mijn tassen voor me uit naar de parkeerplaats. Onze communicatie, een combinatie van gebarentaal en wat Engelse woorden, verloopt steeds beter. Ik vraag hem welke plannen hij heeft voor de toekomst. Zwijgend haalt hij zijn schouders op. Hij weet het niet, natuurlijk niet. Hij vraagt me of de oorlog na dit bestand voorgoed voorbij zal zijn.

Z

es jaar later: Ismet is niet thuis, hij werkt. Zulejha belt hem met haar mobiele telefoon. Hij zegt dat hij zwaar is geworden, 120 kilo. We maken een afspraak voor de volgende morgen. Zulejha maakt Bosnische koffie in een koperen steelpannetje. Ik ben haar taal niet machtig, en zij kent geen andere taal dan de hare.

'Elvir?', probeer ik. Ze haalt een kleine foto uit een envelop. Je ziet een fabriekshal met in het midden een vorkheftruck met een man erop. Elvir is vlak na de oorlog naar Amerika geëmigreerd. Hij werkt bij Pepsi Cola in Fargo. Er is ook een foto van Elvir in zijn appartement. Hij kijkt je aan door een zonnebril, zijn benen liggen op een bureau waarop een opengeklapte laptop staat. Elvira, die nu 20 moet zijn, is niet thuis.

In de kleine woonkamer maken twee crèmekleurige kunstleren driezitsbanken en een tweezitter met bijpassende fauteuil bewegen onmogelijk. De kleine televisie is vervangen door een reuzen exemplaar van Samsung. Daarnaast staat de dubbele aluminium koelkast met hamburgers in de onderste vrieslade. Het is ook nog gelukt een rustiek wandmeubel in te passen. De slaapkamer is weer een slaapkamer, met ramen en gordijnen, zonder Kalasjnikof. Er komt weer water uit de kraan. Ik drink mijn koffie op. Morgen kom ik terug, als Ismet er is, en Elvira.

Op weg naar hotel Bosnia in Sarajevo zie ik, als we over de voormalige Snipers Alley rijden, het kapotgeschoten gebouw van de krant Oslobodenje. Daarnaast het verwoeste bejaardenhuis, zonder voor- en achtergevel, waarin nu de allerarmsten verblijven. Ze stoken vuurtjes. Verderop richting centrum domineert het kapotgeschoten parlementsgebouw, als een onbedoeld anti-oorlogsmonument.

In het centrum roepen moderne winkels en restaurants even het beeld op van een gewone Europese stad. In een boekwinkel koop ik de Sarajevo survival guide, in de oorlog geschreven door Bora Cosic. Er staat in hoe je een allesbrander maakt, hoe je groente kunt kweken in de bloempotten waarin voorheen nutteloze planten bloeiden. Hoe je mayonaise maakt zonder eieren, waar je olie kunt krijgen in ruil voor pornovideo's. Waar je na een regenbui in het park slakken kunt vinden. 'Was ze en kook ze totdat ze uit hun huisjes komen. Snij het vlees in kleine stukjes. Bak die met uien en tomatenpuree. Serveer met rijst.'

Als ik de volgende morgen aanklop bij het flatje in Hrasnica, doet Ismet open. Zulejha is vanmorgen om vijf uur naar bierbrouwerij Pivar vertrokken, waar ze werkt. Binnen zit Leila Memic. Ze is 21 en heeft het grootste deel van de oorlog in Wiesbaden doorgebracht, met haar moeder en haar zusje. Ismet heeft haar gevraagd om te tolken. Na zes jaar zit ik weer met hem aan tafel. Ja, hij is dik geworden, zijn ogen staan dof.

Sinds kort heeft hij werk, vertelt hij. Hij verkoopt reisverzekeringen aan mensen op straat. Zijn kantoor bevindt zich naast de Duitse ambassade. Hij klampt de mensen aan die er binnengaan voor een visum. Hij werkt zwart, zoals bijna iedereen. Tachtig procent van de mensen heeft geen vast werk. De kapotte fabrieken zijn niet herbouwd. Er wordt niets geproduceerd. Er is wat handel. Overal zijn marktjes. Er zijn ook veel eenlingen op straat met koopwaar: drie paar pantoffels, een dozijn handschoenen of een kartonnen doos met schuursponsjes.

Leila vertelt dat haar ouders 400 mark per maand te besteden hebben. Een liter melk kost anderhalve mark. Een paar eenvoudige schoenen 60 mark. Om van de energiekosten nog maar te zwijgen: 100 mark in de zomer en 150 in de winter. Er zijn geen sociale voorzieningen. 'Het is een heel rare tijd', zegt Leila. 'Na de Tweede Wereldoorlog was alles in vijf jaar opgebouwd. Nu is alles anders, het lijkt wel of de mensen niet geïnteresseerd zijn. Er heerst een enorme apathie. De ouderen denken niet aan de jongeren, dus die trekken weg naar het buitenland. Naar Amerika of Australië.'

Elvir belt twee maal per week op uit Fargo, zegt Ismet via Leila. Het gaat hem goed maar hij mist de familie. Hij stuurt geld. Daarvan is de nieuwe inrichting betaald. Ze missen Elvir. Over acht maanden, als hij is genaturaliseerd tot Amerikaan, komt hij in de vakantie naar Hrasnica.

Zulejha verdient 400 mark per maand in de brouwerij, en Ismet gemiddeld 200 met zijn verzekeringen. Elvira is net klaar met school. 'Ze zal haar broer wel achternagaan.' Hij neemt het haar niet kwalijk, hier heeft ze geen toekomst.

Veel na de oorlog gevluchte Serviërs zijn de laatste jaren teruggekomen. 'We gaan gewoon met elkaar om. Alles is weer normaal. Er zijn alleen te veel mensen gestorven.'

Ik zeg: 'Maar ze hebben op je geschoten, Ismet.'

Hij: 'Ik haat ze niet. Het was niet hun keus, ze werden gedwongen door hun leiders.' De Kalasjnikof heeft hij ingeleverd bij het leger. 'Ik heb hem alleen maar gebruikt voor zelfverdediging.'

Het is ramadan, maar Ismet vast niet. Hij is geen praktiserend islamiet. Eens per jaar met Bayram - een feestdag zoals Kerstmis voor christenen - gaat hij naar de moskee.

Ismet berust. Hij spreekt bijna onhoorbaar en rookt veel Drina-filtersigaretten. Hij heeft geen plannen. Zolang zijn chef hem nog nodig heeft, blijft hij werken voor de verzekeringsmaatschappij. Als hij niet werkt, lost hij kruiswoordpuzzels op. 'Wat kan ik anders doen? Van mijn generatie zal niemand meer aan het werk komen. Ik ben te oud. Ik heb heel veel vrienden verloren, en mijn vader. Een granaat heeft hem getroffen.'

Hij kan nu veilig over straat, maar gelukkig zal hij nooit meer zijn. Zijn geluk dateert van voor de oorlog, toen hij nog bij FAMOS werkte, en hij met het gezin elk jaar op vakantie naar Bern ging, waar de fabriek een eigen hotel bezat. Alles werd voor je betaald. De gezondheidszorg was goed en gratis. Elvir zou instrumentmaker worden en Elvira danseres.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden