Veilig en beschut

Ten noorden van Berlijn woonden de leden van het politbureau van de vroegere DDR in afzondering. Geen plek waar de VVV van Wandlitz trots op is....

Wie in Wandlitz, een nietig plaatsje ten noorden van Berlijn, informeert naar bezienswaardigheden in de omgeving, wordt verwezen naar twee ongerepte meren, een oude watertoren, een paar jachtsloten, het plaatselijke landbouwmuseum, en een circusmuseum. Maar de naburige Waldsiedlung, het lommerrijke getto waarin de leiders van de vroegere DDR zich van 1960 tot 1990 hebben verschanst, wordt noch door de gemeentelijke website, noch door de bewoners tot de regionale attracties gerekend.

‘Want denkt u dáár in vredesnaam aan te treffen?’, vraagt een medewerker van de VVV zich af. Hij wekt een enigszins getergde indruk. Want er komen ook geregeld mensen bij hem die vragen waar de ruïne van Carinhall, het buitenverblijf van Hermann Goering, zich bevindt. En met dít soort toerisme wil de regio zich bij voorkeur niet profileren.

De Waldsiedlung behoort bovendien tot de gemeente Bernau. ‘Wij hebben er dus níets mee te maken’, zegt de man van de VVV, waarbij hij gemakshalve uit het oog verliest dat Wandlitz in DDR-tijden zijn relatieve welstand aan de nabijheid van de nederzetting van de Socialistische Eenheidspartij (SED) te danken had.

Over het leven in het hart van de Waldsiedlung is nog steeds betrekkelijk weinig bekend. Het personeel – 600 mannen en vrouwen sterk – mocht geen foto’s maken van het werkterrein, en moest een zwijgplicht in acht nemen die doorgaans tot op de huidige dag wordt gerespecteerd. Twee jaar geleden verscheen weliswaar een boekje met herinneringen aan de Waldsiedlung (Das Politbüro privat – Ulbricht, Honecker, Mielke & Co. aus der Sicht ihrer Angestellten), maar dat bevatte vooral brave getuigenissen van vroegere koks en jachtopzieners die geen toegang hadden tot het privédomein van hun bazen, of die zich niet aan oude loyaliteiten willen onttrekken.

‘Ik heb mijn werk als overtuigde communiste gedaan’, zegt Ulrike Hainke, die huishoudster was van een paar SED-bonzen. ‘Ik ben er trots op dat ik in de Waldsiedlung mocht werken, en dat mijn werk er werd erkend.’ Van zó’n getuige kunnen geen kritische reflecties of pikante onthullingen over de relatie tussen Erich Honecker en zijn masseuse worden verwacht. En ex-butler Gerd Schmidt neemt nog steeds aanstoot aan de uitspraak van de vroegere partij-ideoloog Kurt Hager dat de Waldsiedlung eigenlijk een getto was geweest. ‘Wij hebben ons de benen uit het lijf gelopen. En dan zegt meneer Hager doodleuk: wij hebben al die jaren in een getto geleefd. Dat is minne huichelarij.’

Toch kan uit die onvolledige getuigenissen een indruk worden gedestilleerd van de geïsoleerde samenleving van SED-grootheden. Aanvankelijk moet tussen hen nog een zeker gevoel van saamhorigheid of lotsverbondenheid hebben geheerst. Op verjaardagen recipieerden zij in de (besloten) sociëteit, de Funktionärsklub, of hielden zij thuis ontvangst. Maar gaandeweg trokken de bewoners van de Waldsiedlung zich steeds meer in hun eigen huizen terug.

Die huizen waren naar DDR-maatstaven weliswaar groot (zo’n 180 vierkante meter) en luxueus, maar onderscheidden zich niet wezenlijk van de ambtswoning van een burgemeester van een willekeurige middelgrote stad in de Bondsrepubliek. Ze kwamen in elk geval niet overeen met de megalomane constructies die de DDR-burgers in de Waldsiedlung verwachtten aan te treffen toen zij er na de Wende werden toegelaten.

In de Waldsiedlung was een winkel met (westerse) luxe producten gevestigd. In de Funktionärsklub was een eenvoudig zwembad ondergebracht (waarvan vooral Stasi-chef Erich Mielke gebruik maakte); de langjarige minister-president Willi Stoph (de bewoner van het grootste huis van de nederzetting) had zelf een zwembadje in de kelder. Daarmee was de grens van de frivoliteit wel zo’n beetje bereikt.

Volgens buurtbewoner Lutz Hildebrandt, die op verzoek rondleidingen op het terrein verzorgt, beloerden de kameraden elkaar wantrouwend vanachter de vitrages. Zeker als het gistte binnen het politbureau, wat de laatste jaren vaak het geval was. Willi Stoph – die zelfs door het loyale personeel als een lastige en veeleisende opdrachtgever werd ervaren – koesterde na de coup tegen Walter Ulbricht, de eerste SED-leider, twintig jaar een sterke aversie tegen zijn opvolger Erich Honecker.

Na zijn beroeping tot het hoogste ambt te hebben misgelopen, legde Stoph zich toe op de kweek van allerhande gewassen, waaraan hij een superieure agrarische expertise meende te ontlenen. ‘In de Waldsiedlung en bij zijn buitenverblijf in Birkenheide waren permanent tien tuinmannen voor hem in bedrijf’, zegt Hildebrandt. ‘In het najaar werd de oogst ingevroren of in weckpotten geconserveerd, om na een tijd – als het in zijn kelder geweldig ging stinken – alsnog te worden weggemieterd.’

De inwoners van Wandlitz en omgeving merkten betrekkelijk weinig van het politbureau, zegt Hildebrandt. ‘Weggebruikers mochten niet stoppen ter hoogte van de Waldsiedlung, en af en toe werd een weg afgesloten om doorgang te verlenen aan een partijbons. Elke dag, op vaste tijdstippen, kon je Erich Honecker in zijn dienstauto, een Volvo, zien langszoeven terwijl hij der Spiegel las, of een ander periodiek dat in de kiosk niet verkrijgbaar was.’

Het huispersoneel liet zich na de Wende welwillend uit over hem. Hij was een man die de regelmaat koesterde, die graag jaagde, en die volgens zijn kok ‘van een mooie, nee: twéé mooie schnitzels hield’. ‘Hij was zeer, zéér bescheiden’, zegt zijn huishoudster. ‘Een goedmoedige opa die vlak voor de Wende absoluut niet meer op de hoogte was van wat er in de buitenwereld gebeurde, en die daarover op een zeker moment ook niet meer werd geïnformeerd.’

In 1989, zijn noodlotsjaar, overleed zijn kleindochter Marianne. Honecker was hierover zeer ontdaan, zegt zijn vroegere lijfwacht Bernd Brückner. ‘Vaak zei hij, als we van het kantoor naar Wandlitz reden: ‘Ach, laten we nog een keer langs de begraafplaats rijden.’ In de veronderstelling verkerend dat in de DDR geen criminaliteit voorkwam, had hij op Mariannes graf een prachtige kristallen vaas gezet. En toen gebeurde wat moest gebeuren: de vaas werd gestolen. De afdeling Protocol leverde meteen een nieuwe vaas; die werd steeds op het graf gezet als Honecker kwam, en weer veilig opgeborgen als hij was vertrokken.’

Na zijn afzetting als secretaris-generaal van de SED, in oktober 1989, was Honecker de paria van de Waldsiedlung. De medebewoners meden het contact voortaan met hem, voorzover zij dat al niet deden. Aan zijn wens om van de voorzieningen gebruik te blijven maken die hem als partijchef ter beschikking hadden gestaan, werd eerst geen gehoor gegeven. Toen bleek dat Honecker nog voorzitter was van de Raad voor Nationale Verdediging werd een aantal privileges hersteld. Totdat ook deze functie hem werd ontnomen.

Onmiddellijk na de val van de Muur, op 9 november 1989, brak aldus toenmalig veiligheidsofficier Ralf Opitz een richtingenstrijd uit tussen ‘oude en jonge kameraden’. De eersten wilden de Waldsiedlung bij een eventuele bezettingspoging van burgers gewapenderhand verdedigen, de laatsten waren het hiermee ‘hartgrondig oneens’. Maar er gebeurde niets. De partijleiders brachten de nadagen van de Waldsiedlung in een broeierige ledigheid door. Erich Honecker en zijn vrouw Margot wachtten het verloop der gebeurtenissen niet af: zij vonden, alvorens door te reizen naar Moskou, kerkasiel in Lobetal.

De regering van Hans Modrow, nu erelid van Die Linke, liet de Waldsiedlung ontruimen. Partij-ideoloog Kurt Hager was de laatste bewoner die de nederzetting verliet. Sinds 3 oktober 1990, de dag van de Duitse hereniging, doen de woningen dienst als paviljoens van een revalidatiekliniek.

Een paar residuen herinneren terloops aan de vroegere bestemming: het gietijzeren hek bij het poortgebouw, door roest aangetaste masten waarop ooit camera’s en schijnwerpers waren bevestigd, fragmenten van de muur, het jachthuisje van Erich Mielke, de verzamelde werken van Lenin en Brezjnew in de bibliotheek van het gastverblijf, de inrichting van de feestzaal in de vroegere Funktionärsklub en het FDJ-blauw – de kleur van de SED- jeugdorganisatie – op de achtergevel van Erich Honeckers villa. Het personeel heeft van het verleden geen weet. Het getto is opgelost in de tijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden