Veelkoppige monsters ****

Wereldberoemd en nu eindelijk te zien in de Benelux: de manische Duitse schilder Neo Rauch.

Stel: je bent een kunstenaar. Je wilt een schilderij maken en dus stop je allerlei dingen in dat schilderij - landschappen, interieurs, Napoleon, Koningin Beatrix - voordat je besluit dat het genoeg is en stopt. Dat stoppen is een keuze; een lastige at that. Scheppen is vernietigen, dat wist Mondriaan al, maar het is ook: een schepje er bovenop doen, een tandje erbij, pas tevreden zijn als je schilderij naast mooi of goedgelijkend ook nog eens zelfbewust is. En historiserend. En humanistisch. Iets zegt over de toestand in de wereld. Israël en paardenvlees! Waarom niet een paarse giraffe toegevoegd?! Binnen de kortste keren is je schilderij niet enkel meer een schilderij, het is ook een veelkoppig monster.


Treffend voorbeeld: Neo Rauch (196o). Hij is een Duitse schilder, opgeleid aan de Neue Leipziger Schule, die in de jaren negentig beroemd werd met zijn surrealistische historiestukken. Een illustere figuur, Rauch. Zijn werk katapulteerde de Leipziger Schule en markeerde een omslagpunt in de Duitse kunsten; van een periode gedicteerd door conceptualisme - Beuys - en bewuste lelijkheid - Baselitz, Immendorff - naar een van ambachtelijkheid, virtuositeit, grandeur, welja, schoonheid. Rauchs kunst had bravoure, historisch besef, een grafische inslag en sardonische humor. En verstandige Oostblok-kapsels - die had het ook.


Het sloeg aan. Het nieuwe millennium was begonnen, figuratieve kunst was bezig aan een opmars, collectioneurs zochten naar spectaculaire, exotische schilders om te verzamelen en Rauch was de perfecte investering. Brad Pitt kocht zijn werk. Hij had een solo-show in het Metropolitan, New York. Zijn woonplaats, Leipzig, bombardeerde hem tot posterboy en transformeerde vervolgens van deprimerende en ontvolkte industriestad tot een van Europa's culturele hotspots. Sindsdien zijn er dingen veranderd - Rauchs marktwaarde, om iets te noemen - maar niet veel. Nog altijd woont hij in Leipzig en nog altijd werkt hij vanuit hetzelfde atelier: een oude katoenspinnerij in de wijk Plagwitz. Ook houdt hij nog altijd vast aan zijn jaarlijkse quotum van vijftien à twintig schilderijen en heeft hij solo's in musea over de hele wereld. De hele wereld? De héle wereld. Behalve in Nederland en België.


Een tentoonstelling in Bozar brengt daar nu verandering in. Het Brusselse museum, dat eerder een retrospectief toonde van generatiegenoot Luc Tuymans, toont veertig grote - dat betekent: enkele vierkante meters - doeken plus een stuk of wat kleinere werken en studies. De presentatie is rijk, ruim en licht; kortom uitstekend. Het parcours is echter curieus. Het begint met het grote, recente werk en gaat vandaar, op z'n Benjamin Buttons, via de absurdistische agitprop schilderen uit de jaren negentig terug naar het meer donkere en sombere werk uit Rauchs post-academie tijd. Derhalve zie je de gevestigde meester langzaam veranderen in een zoekende jongeling. En verliest 't werk zijn signatuur.


Die signatuur, moet u weten, is tamelijk barok. Allereerst zijn daar decors die het midden houden tussen een industrieterrein en de landschappen in Alice in Wonderland. In die decors zien we figuren: historisch, contemporain en fantasie: Jakobijnen, Pruisische soldaten, magistraten, hovelingen, filosofen, slaven, een dwergje, duiveltjes, een paarse giraffe en kerels in van die pakken die gebruikt worden bij het africhten van politiehonden. De schilderijen hebben iets manisch. Ze zijn vol, bont, fantastisch, kleurijk, soms, enigmatisch, boven alles. Je krijgt er nooit helemaal grip op. Je reikt ernaar en ze deinzen terug.


Eerlijk: vaak is er geen touw aan vast te knopen.


Waar mysterie is, zijn exegeten, dat zul je zien en inderdaad: in de catalogus doet Harald Kunde, curator van de tentoonstelling, een poging tot duiding die qua raadselachtigheid niet voor Rauch onderdoet. Kunde: 'Als het ware achter de rug van de tijdsgeest om, wordt de ondervinding van een breed opgevat heden verplaatst en samengebald om er met kleur en vorm vat op te krijgen en er steeds opnieuw gestalte aan te geven.'


Kijk uit tijdsgeest, achter je! Dit proza klinkt als een robot die grammaticaal correcte, maar verder van iedere betekenis verstoken zinnen produceert. Kunde vervolgt: 'Rauchs werk maakt veeleer iets tastbaar van de verborgen mechanismen achter de omwentelingen en verschuivingen en de interne en externe ontworteling van de maatschappelijke structuren', et cetera.


Probleem van zulke teksten (ze zijn legio) is niet enkel het afschuwelijke jargon. Het is ook de aanname van een latente betekenis in de schilderijen. Temidden van die rare figuren en onbegrijpelijke rituelen zou een iconologie schuilgaan en het is aan ons, ijverige spoorzoekers, om die iconologie aan de oppervlak te brengen. Een misvatting, me dunkt.


Rauchs werk laat zich niet determineren. Iedere deur die je openzet leidt naar een nieuwe openstaande deur; iedere steeg loopt uiteindelijk dood. Zijn schilderijen zijn als de dagboeknotities van die gek uit Gogols verhaal: hermetisch, strikt particulier, in zichzelf rondzingend. Betekenis is er in het brein van de maker. Wij zien slechts irrationaliteit.


Nu is het irrationele vaak interessant. Sterker: het irrationele was de drijvende kracht achter enkele van de meest intrigerende werken uit de kunstgeschiedenis. Van Goya tot El Greco en van Magritte tot Max Beckmann - allemaal schiepen ze werelden met een alternatieve en irreële logica. Wat hun mysteriën zo geslaagd maakte (en maakt) is niet de verwachting van een oplossing - die is er zelden - maar de overtuiging en geloofwaardigheid waarmee ze zijn vormgegeven. Het zijn illusies gemaakt van olie en doek, zo krachtig dat je er makkelijk in meegaat. Hun wonderen zijn waarachtig. Je kunt erin kunnen geloven.


Kan dat ook bij Rauch?


Hij heeft zeker potentie. Weinig hedendaagse schilders beschikken over zoveel ambitie en talent als hij. Rauchs figuren kloppen. Zijn kleuren vlinderen prachtig over het doek, zijn stilistische arsenaal rijkt van pop-art en surrealisme tot socialistisch realisme en van Balthus en Delacroix tot Friedrich en Manet (ergens op de achtergrond is een Madurodam-versie van De executie van Keizer Maximiliaan te zien). Hij kan, kortom, zo'n beetje alles, en desondanks - of misschien juist wel daardoor - oogt zijn werk toch vaak wat gratuit.


Want dat is de indruk die de Brusselse doeken nalaten: een van willekeur. Zelden zijn de werelden die Rauch schildert echt dwingend of onontkoombaar. Het zijn meer studies van het irrationele dan de irrationele situaties zelf. Dat komt door de vlakke manier van schilderen - Rauch is goed met kleur, maar heeft weinig gevoel voor de sensuele kwaliteiten van verf - maar vooral door het fragmentarische karakter van zijn werk. Zijn taferelen vormen geen eenheid. Het zijn kijkdozen waarvan de figuurtjes nog op de juiste plek moeten worden gezet. Het zijn collages. En de afzonderlijke delen zijn vaak beter dan het geheel.


Als pars pro toto kun je een van de betere schilderijen nemen: Nest, uit 2012. De voorstelling is typisch Rauch: koortsig, vol. Er is een vrouw met Tamara de Lempicka-haar - haar gele padvindersbloes echoot in het geel van de vlinders op de muur. Er is een man (of is 't een vrouw) in een ouderwets gilet - die zou op z'n plek zijn in een filosofische salon in Weimar in 1800; er zijn twee reusachtige insecten - ze vechten. Het doek heeft kwaliteiten en het doek heeft zwaktes, maar wat vooral opvalt is de koers van de schilder. Die ontbreekt geheel. Het doek wil een droom zijn. Maar ook een historisch verhaal. Én een essay over het schilderen zelf. Én een knipoog naar de Duitse schilder Gerhard Richter. Een waar monster, alive and kicking. Een of twee koppen minder had veel uitgemaakt.


De Neue Leipziger Schule is een groep kunstenaars uit Leipzig die doorbraken na de hereniging van Duitsland. De groep is nauw verbonden aan de Hochschule für Grafik und Buchkunst en in het bijzonder aan de leraren/schilders Gille en Rink. Tot de school behoren naast Rauch ook Christoph Ruckhäberle en Matthias Weischer, maar ook de West-Duitse schilder David Schnell. Een sleutelrol binnen de groep is weggelegd voor galeriehouder Gerd Harry Lybke, die Rauchs werk bij Amerikaanse verzamelaars introduceerde. De Neue Leipziger Schule heeft geen eenduidige stilistische noemer. De naam duidt voornamelijk op de gezamenlijke afkomst.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden