'Veel Nederlanders hebben nooit een Pool van dichtbij gezien'

Onbekend maakt onbemind. En dat is precies de reden dat veel Nederlanders vooroordelen koesteren tegen Poolse arbeidsmigranten. Zijn we als natie dan vergeten hoe belangrijk de Polen sinds de Tweede Wereldoorlog voor ons zijn geweest?

Poolse Nederlanders van de tweede generatie in Breda. Van links naar rechts: Bozena Rijnhout, Ed Cuber, Frans Ruczynski en Roel Noga.Beeld Marcel van den Bergh

Zij heten Roel, Ed, Stan en Frans, ze zijn geboren en getogen in Nederland en zij spreken en dromen dus in de taal van dat land. Toch zijn ze onaangenaam getroffen als oneerbiedig over Poolse arbeidsmigranten wordt gesproken of bericht. Dan worden ze eraan herinnerd dat zij kinderen zijn van Poolse militairen die een belangrijk aandeel hebben gehad in de bevrijding van Nederland, en dat ook zij Polen zijn. ‘Ik voelde mij al thuis in Polen toen ik er voor het eerst kwam’, zegt de in 1955 geboren Roel Noga. ‘Zelfs de geuren die ik er opsnoof, waren vertrouwd, hoewel mijn vader zijn Pool-zijn altijd voor zichzelf heeft gehouden.’

Die Poolse arbeidsmigranten die door veel Nederlanders als bron van overlast worden aangemerkt? Dat zijn dus landgenoten. En over hen wordt vooral negatief gesproken door Nederlanders die nooit een Pool van dichtbij hebben meegemaakt, vermoedt Frans Ruczynski. ‘Iedereen die ooit een beroep op hen heeft gedaan, heeft zich kunnen overtuigen van hun werklust en hun vakkundigheid.’ Als de Polen in Nederland een negatief imago zouden hebben, is dat vooral terug te voeren op de onbekendheid van dat grote land, waarvan veel Nederlanders slechts weten dat het ergens in het oosten ligt.

Zo weet hier vrijwel niemand dat ruim 600 duizend Polen deel uitmaakten van de geallieerde strijdmachten die nazi-Duitsland versloegen. ‘Na de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië was Polen in omvang de vierde geallieerde mogendheid’, doceert Ruczynski. En van de Poolse soldaten die werden ingezet bij de bevrijding van Nederland, wilde ongeveer de helft niet terugkeren naar het onttakelde vaderland dat tot de Russische invloedssfeer ging behoren. Zo wreed is de Poolse geschiedenis: de militairen die Europa hielpen bevrijden, konden niet naar een bevrijd vaderland terugkeren. De bevelhebber van de Poolse tankbrigade, generaal Stanislaw Maczek, werd na zijn overlijden in 1994 (op 102-jarige leeftijd) begraven in Breda, de stad die hij bevrijdde. In Driel en Oosterbeek was generaal Stanislaw Sosabowski, de oprichter van de Eerste Vrije Poolse Parachutistenbrigade, de grote man. In 2006 werd hij postuum met de Militaire Willemsorde onderscheiden.

Mijnwerkers

De Poolse gemeenschap in Nederland bestaat dus bij lange na niet uitsluitend uit arbeidsmigranten en seizoenarbeiders die hier na de openstelling van de Europese arbeidsmarkt in 2004 emplooi hebben gevonden. Al in de negentiende eeuw vestigden zich Poolse mijnwerkers in Limburg – met medeneming van een rijk verenigingsleven. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen daar vele duizenden veteranen bij. Die waren weliswaar welkom, maar ontleenden geen privileges aan hun oorlogsverleden. Want die oorlog, daar hadden de Nederlanders het na een paar jaar niet meer over.

Voor de veteranen was Nederland het eindstation van omzwervingen die vaak al in 1939, na de bezetting van Polen door nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie, waren begonnen. Zo werd de familie van de 70-jarige sociaal geograaf Stanislaw (Stan) Czerski door de Russen gedeporteerd van Lemberg, het huidige Lviv (Oekraïne), naar een Siberisch werkkamp. Van het transport herinnerde Czerski’s vader zich naderhand vooral de twee Jack Russels van de familie ‘die achter de vrachtwagen aanrenden tot zij niet meer konden’.

In 1941, nadat de Sovjet-Unie was binnengevallen door nazi-Duitsland, kreeg Czerski senior toestemming van de Russen om zich bij het Poolse leger in Engeland te voegen. In het najaar van 1944, tijdens de Slag om Arnhem, nam hij deel aan de gevechten rondom Driel. Na de oorlog was de vraag wat zijn nieuwe vaderland zou worden. Terugkeer naar Polen was uitgesloten omdat zijn geboortestreek was ingelijfd door de Sovjet-Unie. Engeland viel, aldus zijn zoon, mede af ‘omdat het eten er zo verschrikkelijk was’. Nederland bleef als optie over. 

In december 1946 nam hij met een aantal landgenoten zijn intrek in een pension aan de Nieuwegracht in Utrecht. Enkele weken later, tijdens een kerstbal, ontmoette hij zijn latere echtgenote, telg uit een Utrechtse familie van strijdbare sociaaldemocraten.

Vereenzelviging

Czerski senior is zich altijd Pool blijven voelen maar ging zich met het vorderen der jaren ook steeds meer met Nederland vereenzelvigen, en nam in 1961 de Nederlandse nationaliteit aan. Hij vond werk bij Werkspoor in Utrecht, was later betrokken bij de aanleg van het landelijk aardgasstelsel. Hij volgde – op eigen kosten – taal- en andere cursussen die door de vakbond NVV werden aangeboden. ‘Met zoveel succes dat de mensen in Limburg dachten dat hij uit Friesland kwam, en de mensen in Friesland dachten dat hij uit Limburg kwam.’ Hij bereikte een zekere welstand maar bleef zich altijd bewust van zijn verleden als nieuwkomer. ‘Thuis nodigde hij geregeld zogenoemde gastarbeiders uit. Hij voelde zich verwant met hen.’

Ook de vader van Ed Cuber (1946) kwam na een ballingschap in Siberië in Nederland terecht. ‘Hij droomde van een boterham met suiker’, zegt Cuber. ‘Meer heb ik hem niet horen vertellen over zijn tijd in Siberië.’ Als zoon van een Poolse vader en een Nederlandse moeder – de gangbare constellatie – voelde Ed Cuber zich niet zo sterk verbonden met de Poolse gemeenschap in Breda. Dat hing, zegt hij, ook samen met ‘de irritaties over en weer’ tussen de zogenoemde vrije Polen die de communistische regering in Warschau niet erkenden en degenen die dat wel deden.

‘Tussen die twee groepen heerste veel naijver’, herinnert ook Roel Noga zich. ‘Ze roddelden naar hartenlust over elkaar. Zo van: ‘hij zegt wel dat hij academicus is, maar ik weet wel beter.’ Die animositeit nam af naarmate de openheid van Polen toenam. ‘Vanaf 1959 kon mijn vader, die een aanhanger was van de vrije Poolse regering in ballingschap, weer naar Polen reizen. Dan ging hij het heimwee naar vroeger delen met zijn familie. Op de heenweg werd de auto volgestouwd met spullen die in Polen schaars waren, tot een ijskast aan toe. Op de terugweg nam hij antiek, kristal en serviezen mee.’

Bijverdienen

Al ver voor de val van de communistische regimes kwam een bescheiden arbeidsmigratie van Polen naar Nederland op gang. Zo reisde Bozena Rijnhout, die in Polen werkzaam was als financieel manager van een casino, in 1981 naar Nederland ‘om wat bij te verdienen’ – met de uitdrukkelijke bedoeling om na een maand of drie weer terug te keren, ‘want ik voelde mij niet onderdrukt in Polen’. 

De staat van beleg die later dat jaar in Polen werd uitgeroepen, doorkruiste dit voornemen. ‘Alle Polen die op dat moment met een tijdelijke verblijfsvergunning in Nederland waren, mochten blijven. Binnen twee weken had ik een werkvergunning.’ Niet lang daarna ontmoette zij haar huidige man, een Nederlandse beroepsmilitair. ‘Tijdens het carnaval. Daar begint bijna elke relatie in het Zuiden.’ Inmiddels heeft ook hij ‘een Pools hart’.

Door de komst van arbeidsmigranten is de vergrijzing van de Poolse gemeenschap gestuit. Bij de zondagse mis zijn tegenwoordig zeker weer 300 Polen aanwezig. Nieuwe en oude Polen treffen elkaar ook binnen de drie Poolse verenigingen die Breda telt en binnen de vrijwilligersorganisatie die het Generaal Maczek Museum draaiende houdt. ‘Van de vijftig vrijwilligers zijn er negen nieuwkomers, en vijftien Polen van de tweede generatie’, zegt Frans Ruczynski, voorzitter van het museum. ‘De overige 26 zijn gewone Nederlanders.’

Parade

‘Nu de Poolse gemeenschap weer zo groot is, willen oude en nieuwe Polen de Nederlanders iets van hun cultuur laten zien’, zegt Bozena Rijnhout. ‘Zeker nu er geregeld negatief wordt bericht over de nationalistische regering in Warschau. Je merkt gewoon dat de laatste tijd anders over Polen wordt gesproken. Om te laten zien dat Polen meer is dan zijn regering, willen we volgend jaar op 29 oktober heel Breda betrekken bij de viering van de 75ste verjaardag van de bevrijding van de stad. We gaan een parade houden op de Grote Markt en we laten grote Poolse artiesten optreden. Daar komen meer contacten tussen Polen en Nederlanders uit voort dan uit een herdenking van twee uur in de stromende regen.’

Frans Ruczynski hoopt dat bij die gelegenheid ook het Generaal Maczek Memorial, het nieuwe onderkomen van het Maczek Museum, kan worden geopend – een fraai paviljoen aan de rand van het Pools Militair Ereveld. ‘Deze maand moet 70 procent van het benodigde budget binnen zijn. Als dat lukt, kunnen we snel gaan bouwen en krijgt generaal Maczek het monument dat er allang had moeten zijn.’ Er mogen dan veel meer nieuwkomers zijn dan nazaten van Poolse oorlogsveteranen, voor allen is de Tweede Wereldoorlog de kern van het collectief bewustzijn.

Poolse migranten zijn steeds vaker van plan in Nederland te blijven 

De Poolse arbeidsmigranten in Nederland hebben relatief weinig contact met autochtone Nederlanders, trouwen overwegend in eigen kring, werken harder dan andere werknemers tegen een lager inkomen, leven vaak in armoede, maar oordelen toch positief over Nederland, en zijn ook steeds vaker van plan om hier te blijven wonen.

Aanvullingen en verbeteringen

In dit artikel staat dat generaal Stanislaw Maczek commandant was van een brigade. Dat klopt niet, hij was commandant van de Eerste Poolse Pantserdivisie. De Militaire Willemsorde is uitgereikt aan de Eerste Poolse Parachutistenbrigade als geheel, en niet aan haar oprichter, generaal Stanislaw en Sosabowski. Die kreeg postuum de Bronzen Leeuw.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden