Vechten voor verdraagzaamheid

De Pakistaanse Asma Jahangir strijdt zo’n beetje haar hele leven voor democratie, vrouwenrechten en tolerantie; de laatste jaren doet ze dat in de hoedanigheid van speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten....

O ja, laatste vraag: bent u moslim? Ze zwijgt even, kijkt haar interviewer aan met milde spot in haar glimlach en zegt dan: ‘Waarom zou ik je vertellen wat ik ben?’

Omdat het relevant zou kunnen zijn voor uw werk, speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten, mandaat vrijheid van godsdienst.

‘Mm. Laat ik het zo zeggen: ik ben geboren als moslim, ik heb een moslimachtergrond. Maar ik heb ook een multiculturele achtergrond. Ik heb in Pakistan gestudeerd aan een christelijk convent, dus ik ben ook erg goed bekend met het christelijk geloof. Ik heb boeddhisten onder mijn vrienden, ik heb vrienden die hindoe zijn.’

U voelt zich niet gehinderd door uw achtergrond?

‘Het is een voordeel. Wie dit werk doet moet verder danken dan religies. Het gaat om mensenrechten.’

Het gaat, zou je kunnen zeggen, bij Asma Jahangir (56) altijd om mensenrechten. Zij vormt met haar zuster Hina Jilani, die ook jurist is, de kern van de vitale mensenrechtenbeweging in Pakistan. Zij was oprichter, secretaris-generaal en voorzitter van de onafhankelijke Mensenrechtencommissie van Pakistan. Al op haar 18de bond ze voor haar vader, een politiek gevangene, de strijd aan met de autoriteiten. Zij kwam als advocate op voor verkrachte tieners en mishandelde echtgenotes, bestreed de Pakistaanse wet tegen de godslastering, richtte op eigen kosten een blijf-van-mijn-lijfhuis op. De twee zussen namen het in hun land onverschrokken op tegen politici, mullah’s, generaals, extremisten. Ze werden bedreigd, beschoten, opgesloten. Nooit staakten ze de strijd voor democratie, tolerantie, mensenrechten, vrouwenrechten.

Het weekblad Time portretteerde Asma Jahangir als ‘Aziatische held’. Een kleine vrouw, ‘maar met een grote stem – en ze is niet bang die te gebruiken’. In Nederland kreeg ze in 2002 de Geuzenpenning, lang niet de enige onderscheiding die haar ten deel viel.

Al vele jaren is zij speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten. Voorheen was haar mandaat ‘buitengerechtelijke executies’, sinds 2004 doet ze, in het Engels, ‘freedom of religion and belief’. Dat tweede woord kan beter met ‘overtuiging’ dan met ‘geloof’ worden vertaald, want onder het mandaat zoals Jahangir dat opvat vallen, in lijn met internationale mensenrechtenverdragen, nadrukkelijk ook mensen die geen godsdienst hebben. ‘Dus ook atheïsten. In veel landen worden mensen vervolgd die zeggen dat ze atheïst zijn, al of niet nadat ze hun oude geloof hebben opgegeven.’

Je hoort niet veel over de vervolging van atheïsten.

‘Dat is waar. Maar het gebeurt wel. Het punt is dat mensen ervoor terugschrikken zichzelf atheïst te noemen. In veel landen moet je je godsdienst laten registreren, en vaak komt ‘geen godsdienst’ op het formulier helemaal niet voor. In de discussie over vrijheid van godsdienst voelen atheïsten zich genegeerd. Zelfs in sommige meer democratische landen wordt hun stem niet gehoord.’

Vervolging van mensen die van hun geloof vallen of naar een ander geloof overstappen, is ‘een urgent probleem’ in moslimlanden, volgens Jahangir, maar blijft niet tot de islamitische wereld beperkt. In het oosten van India bijvoorbeeld zijn de afgelopen weken tientallen christenen vermoord door radicale hindoes, die kwaad zijn over de bekering tot het christendom van mensen uit lage kasten. Kerken en huizen worden in brand gestoken, duizenden hebben hun toevlucht gezocht tot kampen. In delen van de deelstaat Orissa is een uitgaansverbod ingesteld. Jahangir bezocht India in maart.

‘Deel van het probleem in India is dat het meestal dalits zijn die overstappen naar het christendom, onaanraakbaren. Daarmee maken ze een politiek statement: ‘Als jullie, hindoes, ons als outcast beschouwen, willen we niet langer bij jullie horen.’ Dat doet pijn bij mensen die niet geloven in tolerantie. Daar komt bij dat hindoes en boeddhisten, anders dan moslims en christenen, niet doen aan bekeren. Dus zeggen sommige hindoes: ‘Wij doen het niet bij hen. Waarom zij dan wel bij ons?’

‘Het is ironisch dat deelstaten die de meeste problemen hebben, zoals Orissa, juist de deelstaten zijn met wetten tegen bekering. De wet is zelf een bron van conflict geworden. Met wetten over godsdienst moet je vreselijk uitkijken, daar ben ik wel achter gekomen. Het is technisch heel ingewikkeld, maar juist daardoor kan het misbruikt worden door fanatieke groepen. Om tolerantie te bevorderen, is wettelijke dwang vaak niet het beste instrument.’

De term ‘VN-rapporteur’ wekt misschien associaties met New Yorkse bureaucratie, met politieke koehandel, met grijze diplomaten, maar niets is minder waar. De rapporteurs vormen het juweel in de kroon van alles wat in VN-verband aan mensenrechten wordt gedaan. Zij zijn onafhankelijk, ze worden niet eens betaald. Het Hoge Commissariaat voor de Mensenrechten van de VN vergoedt reiskosten en het salaris van zegge en schrijve één secretaresse (m/v). Jahangir opereert vanuit haar woonplaats Lahore en hoeft aan niemand toestemming te vragen voor wat ze doet en beweert.

Eenmaal per jaar brengt elke rapporteur in Genève verslag uit aan de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Sommige rapporteurs richten zich op één land, de meesten hebben een thema onder hun hoede, zoals verdwijningen, extreme armoede, vrijheid van meningsuiting, mensenhandel. De rapporteurs zijn van onomstreden statuur. Nederlanders als Max van der Stoel (Irak) en Theo van Boven (marteling) waren VN-rapporteur.

Jahangir bezoekt landen (voor zover ze wordt toegelaten) en schrijft regeringen aan voor opheldering over individuele klachten die ze binnenkrijgt. Haar minutieuze rapportages daarvan doen een kolossale werklust vermoeden. Het kost haar een kwart van haar tijd, zegt ze.

Ook de kwestie rond de Deense cartoon waarin de profeet Mohammed zou zijn beledigd, wordt door Asma Jahangir in haar laatste rapportage aan Genève behandeld, en ze komt tot niet mis te verstane conclusies.

Dat er verschillende mensenrechten naast elkaar bestaan, schrijft de VN-rapporteur, en dat mensen bij het uitoefenen van hun recht de rechten van anderen moeten respecteren, betekent niet dat ‘rechten op een restrictieve manier beschouwd moeten worden’. Met een verwijzing naar de cartoonrel stelt ze dat vrijheid van meningsuiting een ‘pijler van de democratie’ is en dat vreedzame uitoefening van dat recht ‘altijd moet worden getolereerd’.

Tegelijk echter draagt het ‘beledigen van diepgewortelde godsdienstige gevoelens’ niet bij aan het scheppen van een vreedzame dialoog. Die waarschuwing van de VN-rapporteur tegen het ‘aanwakkeren van haat’ is verankerd in het internationaal recht. Volgens artikel 20 van het BuPo-verdrag (over burgerlijke en politieke rechten) moeten ‘alle oproepen tot op nationaliteit, ras of godsdienst gebaseerde haat die aanzetten tot vijandigheid of geweld’ bij wet worden verboden.

Bent u op de hoogte van het debat in Nederland? Van de uitlatingen van de anti-islampartij van Geert Wilders?

‘Ik weet dat er veel incidenten zijn geweest. De moord op meneer Van Gogh. De film. De politica die iets schreef en wegging, of weggestuurd werd.’

Vindt u dat Fitna te ver ging?

‘Ik heb de film niet gezien, alleen een paar scènes. Het is verstandig zulke kwesties over te laten aan de nationale rechter. Elk geval moet op zich beoordeeld worden. Is het gewoon iemand die voor zijn mening uitkomt, of is het motief erachter het aanwakkeren van haat en geweld?’

De drempel voor het inroepen van art. 20, zegt Jahangir, moet daarbij ‘eerder hoog dan laag’ zijn. ‘Op het moment dat je die drempel gaat verlagen, geef je eerder ruim baan aan intolerantie dan dat je mensen beschermt. Ons doel is het beschermen van de levens en de vrijheid van mensen, niet het beschermen van godsdiensten. Ik vind niet dat het ethisch of moreel goed is om de godsdienst van mensen te beledigen, maar we kunnen niet zodanige restricties maken dat het debat wordt bevroren, dat we mensen gaan vervolgen om hun vrijheid van meningsuiting.’

Art. 20 van het BuPo-verdrag, schrijft de VN-rapporteur, is opgesteld in het licht van de misdrijven van de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog. Dat bepaalt de hoogte van de drempel. ‘Je moet denken aan situaties als in Rwanda’, zegt ze, ‘waar echt sprake is van kwade opzet, een intentie om op te wekken tot haat en geweld.’ Elke poging de drempel te verlagen, zo staat in haar jaarverslag, ‘zou niet alleen de grenzen van de vrije meningsuiting doen krimpen, maar ook de vrijheid van godsdienst zelf beperken. Zo’n poging zou contraproductief zijn en kan een atmosfeer van religieuze intolerantie bevorderen.’

Neem, zegt ze, haar eigen land. Pakistan heeft een wet tegen godslastering, die zelfs de doodstraf als enige sanctie bevat. Omdat iedereen een aanklacht kan indienen, monden zelfs ordinaire burenruzie uit in een blasfemiezaak. ‘Elke zaak wordt een cause célèbre. Elke zaak geeft allerlei groepjes aanleiding hard te gaan schreeuwen: ‘Kijk wat ons nu weer wordt aangedaan!’ ‘Het creëert een hoop problemen en polarisatie.’

‘Ik pleit ervoor dat overal ter wereld die drempel van wettelijk ingrijpen hoger en hoger en hoger wordt, elke maand, elk jaar. Op die manier rek je de verdraagzaamheid op. Als staten de drempel steeds willen verlagen, sla je internationaal nooit bruggen over het vraagstuk van tolerantie en intolerantie.’

Wat je ziet is juist een globalisering van godsdienstige tegenstellingen, mede door het internet. Mensen duizenden kilometers van elkaar verwijderd die voorheen niets van elkaar wisten, ontdekken elkaar nu online.

‘Precies. Dus reden te meer voor verdraagzaamheid. Je kunt mensen niet stoppen zich uit te drukken, met opvattingen die een ander misschien verwerpelijk vindt. Moet er dan elke dag opwinding ontstaan? Daar moeten mensen die zich beledigd voelen ook eens aan denken. Als je je elke dag beledigd voelt, en de mensen die jou willen pesten gaan dat drie keer per dag doen, ga je je dan elke dag drie keer beledigd voelen? Waar houdt dat op?

‘Het is erg moeilijk om van landen die al jaren en jaren democratie hebben, waar vrijheid van meningsuiting een hoeksteen van de samenleving is, te vragen dat ze die vrijheid ondermijnen omdat mensen duizenden kilometers verderop minder tolerant zijn. Het zou niet eerlijk zijn dat te verlangen. Samenlevingen hebben een prijs betaald om dat te bereiken. En delen van de samenleving zullen zich er sterk tegen verzetten.

‘Het is ook belangrijk dat leiders van landen die een democratie hebben opgebouwd, dat uitleggen, erover communiceren. Soms wordt geloofd dat de democratie als een vrucht van een boom zomaar in de schoot van de westerse landen is gevallen. Dat is niet het geval. Het heeft offers gekost, er was inspiratie voor nodig, strijd. Het zijn verworvenheden die niet makkelijk opgegeven kunnen worden.

‘Ik geloof dat, als je een positie inneemt zonder de bijbehorende geschiedenis en argumenten te noemen, de indruk die je zult wekken er een is van: ‘Dit is onze positie omdat we nu eenmaal democratisch zijn en jullie ondemocratisch. Punt.’ Voor die gevoeligheid moet je oog hebben. Het heeft jaren geduurd zo ver te komen, en je moet wensen dat anderen daar ook in slagen.’

Veel moslims in Europa hebben het gevoel dat ze in het verdomhoekje zitten, dat hun godsdienstige rechten worden geschonden.

‘Ze hebben gelijk. Laten we niet het feit ontkennen dat er landen in Europa zijn – het Europa dat zo trots is democratisch te zijn – waar moskeeën niet gebouwd mogen worden. Ik bedoel: of je bent democratisch, of je bent het niet. Als het om verdraagzaamheid jegens moslims gaat, zijn ze het opeens niet meer. Er waren problemen in Griekenland met de bouw van moskeeën, in Berlijn waren problemen. Sommige landen weren moskeeën omdat het zogenaamd tegen bestemmingsplannen ingaat.

‘Na 11/9 zag je het stigmatiseren van moslims, moslims die om de haverklap worden aangehouden en onderzocht. Het hele gedoe in Frankrijk over vrouwen die een hoofddoekje dragen. In mijn rapport over Frankrijk stel ik dat aan de kaak. In Nederland zijn ze er gelukkig verstandiger mee omgegaan.’

‘Vertel me nou eens. Er gebeurt zo veel in de wereld, zo veel problemen. Speelt het hoofddoekje daarin ook maar enige rol? Of vrouwen al dan niet een sluier dragen zal de inflatie niet omlaag brengen, de oorlog tegen het terrorisme zal er niet mee gewonnen worden, het heeft geen invloed op de werkloosheid. Het is zo irrelevant of vrouwen vrijwillig een hoofddoek dragen, of juist niet dragen. We zien joden met hoofdbedekking, sikhs met hun tulbanden, hindoevrouwen met hun sjaals. Waarom wordt het hoofddoekje van moslimvrouwen dan opeens een zaak van wereldpolitiek?’

De gezichtsbedekkende boerka is toch wel problematisch?

‘Er zijn grenzen. Als mijn taxichauffeur een boerka draagt, zeg ik: sorry, ik wil mijn leven niet riskeren. Maar van een hoofddoekje heeft niemand last. En zoals ik al zei: je kunt en moet niet alles bij wet regelen.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden