VANUIT HUN BED TELLEN DE ZIEKEN ORANJE BOLLEN

Op uitnodiging van de Stichting Kunst en Openbare Ruimte trokken vijftig professionals langs ziekenhuizen. 'Met ziekte ligt het allemaal gevoeliger.'..

'Wilfried', roept iemand in de bus nog jolig, 'kan jij voor ons de wereld verbeteren?' Het gezelschap grinnikt, maar 'Wilfried' - Wilfried Lentz, directeur van de Stichting Kunst in de Openbare Ruimte (SKOR) - waagt toch een poging: ja, het kan, misschien; want waarom is het ziekenhuisterrein waar wij langs rijden toch zo troosteloos gebouwd? Laat hier een kunstenaar op los, zegt Lentz, en het zal verbeteren.

Het is ochtend, de ambities zijn hoog gestemd. De busreis, georganiseerd door SKOR met als thema 'Kunst als medicijn', begint: een tocht langs kunstwerken in ziekenhuizen, gehandicapteninstellingen en een heuse tbs-kliniek. Van de Randstad op weg naar Nijmegen. Sapjes binnen handbereik, visitekaartjes losjes in de binnenzak.

Het is als een schoolreis, maar dan met een groep van ongeveer vijftig professionals - want ook al staan deze 'Pass Travels' open voor iedereen, het onderwerp trekt vooral kunstenaars, kunstadviseurs en kunstambtenaren; zelfs vanuit Gent is een delegatie. Om er iets van op te steken - 'Ik doe zelf iets met de openbare ruimte' -, maar vooral om het fenomeen eindelijk eens met eigen ogen te zien.

Het speelde zich immers vooral in gesloten instellingen af, de afgelopen jaren. Daar, tussen ziekenhuisbedden, operatiekamers en bloedbanken ontstond een niet geheel voor de hand liggende kunstvorm. Noem het voor het gemak 'ziekenhuiskunst': een verstrengeling tussen de 'hoge kunst'-ambities van SKOR en de praktische eisen van de Nederlandse zorginstellingen; tussen ideeën van kunstenaars als Aernout Mik en David Bade, gewend aan de autonomie van het museum, en de praktijk van dementie, psychiatrie en kanker.

Met eenvoudige 'kunst aan de muur' heeft het niets te maken, deze werken speciaal gemaakt voor de instelling, reflecterend op de thematiek. En dus is het gevolg: commissies, vergaderingen, aanpassingen, en vele discussies. Jarenlang, bij elk werk. Want: 'Een kunstwerk in de openbare ruimte', zegt reisleidster Ellen Klaus, 'heeft al te maken met allerlei belangen, maar met ziekte ligt het allemaal nog gevoeliger'.

In de hal van het Nederlands Kankerinstituut Anthoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, hangen tientallen grote glazen bollen aan het plafond. Rood, geel, groen, oranje. Er tussendoor hangen een glasgeblazen worst, een sleutel, een pinguïn.

'Bedeltjes', wijst ziekenhuismanager Hans Schoo. Het busgezelschap kijkt omhoog. 'Dit kunstwerk van Maria Roosen gaat over hoop en herinnering', zegt Schoo; de kleuren van de regenboog staan voor hoop, de bedeltjes voor herinnering: 'Net als de emoties van de patiënten, een deel geneest, een deel sterft'.

Het Kankerinstituut is blij met het kunstwerk. 'Op de eerste verdieping tellen ze vanuit hun bed de oranje bollen', zegt Schoo: 'Het sterkt ze'. 'Wel nogal decoratief', klinkt het onder busreizigers: is dit wel echt hoge kunst?

De discussie is vanaf nu begonnen: want wanneer is ziekenhuiskunst eigenlijk goed? In de hal van het Wilhemina Kinderziekenhuis, Utrecht, houdt de bedrijfscollectioneur een keurig betoog over de kunstwerken van Rob Birza en Marijke van Warmerdam, hier uitgestald als trotse blikvangers. De video van Van Warmerdam toont een hoedje dat in een Spaans ravijn wordt gegooid, door de luchtstroom wordt meegenomen, maar weer terugkeert. 'Het hoedje', weet de collectioneur, 'maakt een reis, en komt weer naar huis. Die gedachte sterkt het zieke kind'.

Ja, beaamt het busgezelschap: dit is échte kunst. Maar, klinkt direct daarop de vraag: begrijpen de kinderen dit wel? Nee, moet de collectioneur toegeven: voor hen is het te moeilijk. En dus, vragen de meereizende adviseurs in de bus zich nu weer af, is het dan toch niet te 'high art' voor een ziekenhuis? Moet het allemaal zo moeilijk?

De felste discussie moet dan nog komen. De bus is diep Oost-Nederland binnen gereden. De omgeving: een sereen park, met een imposant 19de-eeuws gebouw in het midden. Rhenen, Zorgcentrum Heimerstein. De bus stopt op het erf, gastheer is kunstenaar Erik van Lieshout. Zo'n twintig verstandelijk gehandicapten - 'cliënten' is de term die anno 2006 'patiënten' vervangen heeft - kijken nieuwsgierig toe.

Van Lieshout woonde hier zeven weken, in 2003. In een tent, met zijn broer Bart erbij. Hij verbouwde een oude SRV-wagen tot 'een mobiele snoezelruimte', met binnenin een stroboscoop, een rookmachine, een muziekinstallatie. Binnen gaf hij feesten voor de 'cliënten', en, heel artistiek, de bus is van buiten geheel met aluminium platen bedekt, wat een lachspiegel-effect geeft: zodat de 'normale' voorbijganger ook een beetje vreemd is. De bus deed mee aan een truckersoptocht in Wageningen.

In het kunstgezelschap barst kritiek los als een bijbehorende film wordt vertoond. De film, in typische korte Van Lieshout-shots, toont een conflict tussen de broers, een paar cliënten doen aan de zijlijn mee. Een hellend vlak, meent meereizend kunstenaar Chaim Levano: waar ligt de ethische grens in het tonen van gehandicapten: zíj weten immers niet wat ze doen?

Van Lieshout reageert gepikeerd. Een kunstambtenaar van de provincie Noord-Holland sust het debat: volgens hem is de film 'heel gevoelig; het gaat om de vraag; wie is er nu gek?' Ook directeur Leo Gerritsen van Heimerstein herhaalt nogmaals zijn oordeel: niemand wordt hier onethisch behandeld. Hij is Van Lieshout dankbaar: 'Dankzij Van Lieshout was de zomer van 2003, ook voor de cliënten, prettig onconventioneel.'

Tijd voor reflectie. Lunchtijd. Niet in de kantine van een instelling, maar in een pittoresk eettentje. De haken en ogen worden nog eens besproken: 'Kunstkenners zien graag dat kunst ''tot nadenken stemt'', vat een meereizend kunstenaar, tevens kankerpatiënt, de problematiek samen, 'maar de vraag is of je daar nu op ligt te wachten als je ziek bent'.

Is de ziekenhuiskunst dan wel de moeite waard; het kost immers al gauw 40 duizend euro per project? Ja, vindt SKOR-adviseur Dees Linders: 'Je moet een instelling net iets meer willen geven dan alleen bloemen aan de muur, of entertainment in de hal; uiteindelijk levert een goed kunstwerk meer op.' De Gentse delegatie knikt: in Vlaanderen willen ze ook beginnen met een dergelijke opzet.

Instemmend gemompel dan ook als het busgezelschap zorginstelling Beatrix in Culemborgh betreedt, voor geestelijk en fysiek gehandicapte ouderen. Hier hebben kunstenaars Gabriël Lester en Jennifer Tee de halve entreehal vormgegeven. Ze werkten samen 'omdat de ideeën van Lester alleen moeilijk de goedkeuring van een instelling krijgen', aldus SKOR, 'en Tee een poëtisch tegenwicht biedt'.

Kunst moet hier voor binding zorgen, letterlijk: niet door op je ziekbed naar kunst te kijken, maar door er aan deel te nemen. Het duo ontwierp een 'postkantoor', waarin brieven kunnen worden geschreven, waar kan worden gelezen en geconverseerd. Alles, van stoelen, tafel, vloer tot briefpapier en de schrijfstempels (omdat de meeste bewoners helemaal niet meer kunnen schrijven) in dezelfde ontwerpstijl: natuurlijke, aan art-deco refererende dier- en plantenornamenten. Inclusief de muurklok, waarin de lichten veranderen met de tijd; van zachtroze naar dieppaars.

Er is tevredenheid in het busgezelschap: in dit 'kunstwerk' lijkt alles samen te komen, het is mooi, er zit een heus concept achter; het is kunst, en het óógt in ieder geval bruikbaar. Kritiek komt uiteraard ook nog, op het einde: een stoel kraakt vervaarlijk als de directeur van adviesbureau Kunst en Bedrijf erop gaat zitten; hoe bruikbaar is het nu echt; wórdt het eigenlijk wel gebruikt? Lezen dementen dan?

Het postkantoor en de Van Lieshout-bus, zegt een SKOR-medewerker, zijn typische voorbeelden van participerende kunst die de laatste paar jaar opgang maakt. En dat is een cruciaal verschil met de Van Warmerdam-video in het Wilhelmina-ziekenhuis, die stamt uit eind jaren negentig, die in feite overal getoond kan worden. Met andere woorden: kunst in zorginstellingen wordt steeds bruikbaarder.

De vraag is echter hoe lang er nog dergelijke kunstwerken gemaakt zullen worden. Dit jaar is er een eind gekomen aan de zogeheten 'verdubbelingsregeling' voor kunstprojecten bij volksgezondheidsinstellingen. Het Ministerie van Volksgezondheid (VWS) verdubbelde sinds 1984 de subsidie die SKOR meebrengt bij een project: SKOR bracht 30 duizend in, VWS ook. De nieuwe wet Ziekenhuisvoorzieningen die op 1 januari is ingegaan maakt instellingen zelf verantwoordelijk voor waar ze hun geld aan uitgeven. Vooral kleine instellingen zullen niet zo snel 30 duizend euro aan kunst uitgeven.

Toch ziet SKOR het niet al te somber in. Er is namelijk ook een ander gevolg van de vermarkting, zegt directeur Wilfried Lentz. Zorginstellingen gaan concurreren, ze willen hun gebouwen aantrekkelijker maken. Er ontstaan nu al zorgboulevards: straten in ziekenhuizen compleet met kiosken en cafetaria's. Ziek zijn wordt fun, schrijft SKOR in het boekje bij de busreis. En in die nieuwe zorgcentra kunnen kunstenaars een nieuwe betekenis krijgen: ze zullen in een vroeg stadium bij de bouw van de instelling betrokken moeten worden, en op die manier een 'artistieke' toevoeging te geven.

En de oude 'ziekenhuiskunst'? In het Kankerinstituut wordt Lentz door manager Hans Schoo aangeschoten. De Vereniging van Huisartsen heeft nog een kunstwerk nodig, zegt Schoo. Kan dat? Natuurlijk, zegt Lentz. Nummers worden uitgewisseld. Een nieuw traject kan beginnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden