Van 'zzzzzzzz' tot 'sst', en nog een keer

Vorige week stond in deze krant een boekbespreking waarin ook het peil van de Nederlandse misdaadschrijver in het algemeen werd bekeken....

Het oordeel over de Nederlanders, aan de hand van Appel, was vernietigend. Stijf, onhandig en clichématig; kunnen internationaal het daglicht niet velen. Het zal je gezegd zijn.

Voor mij was het nieuws. Ik dacht in mijn onwetendheid dat ons spannende boek de kinderschoenen was ontgroeid, die beeldspraak kom je in dit verband wel eens tegen. Het heeft sinds kort een eigen literaire prijs. Wat wil je nog meer?

Ik moest denken aan de tijd dat ik in commissie nieuwe Nederlandse of in het Nederlands vertaalde boeken las met het oog op eventuele subsidiëring. Ieder genre had zijn eigen specialistische beoordelaars; de misdaadschrijvers deden nog niet mee. Het viel ons op dat de kinderboeken er veel beter van afkwamen dan de boeken voor volwassenen. Het was in die hoek een en al geestdrift, wat een vreemde vertekening gaf. Er was duidelijk sprake van genre-chauvinisme en daaruit te verklaren soepeler maatstaven.

Misschien worden de misdaadschrijvers wel net zo in hun aparte rubrieken opgewaardeerd. Bespreker Han Ceelen suggereerde zoiets, behalve die ene keer dan, door hem. Laat ik niets beweren. Dit terrein is door mij amper betreden.

Van kinderboeken wist ik ooit wel veel, daar kan ik het beter over hebben. Dozen vol kwamen tien jaar lang ons huis binnen omdat ik er - je hebt kinderen of niet - als jurylid voor de Griffel- en Penseelprijzen iets van moest vinden. Mijn kinderen zwommen in de boeken. Ze ontdekten dat tegenover één topboek een heleboel mindere staan, een wet in de kunst. Wij waren het min of meer eens over goed of minder, net of er een objectieve norm bestaat, wat ook zo is, al zal enige sturing mij als moeder niet vreemd zijn geweest.

Bij mijn laatste verhuizing heb ik mijn kinderbibliotheek stoer overgedaan, op classics als Alice in Wonderland en Winnie the Pooh, die aan leeftijdsindeling ontsnappen, na. Wat moest ik er nog mee? Welnu, ik mis ze; het voelt alsof een van de katten wegens ruimtegebrek de deur is uitgezet, niet fijn voor een kattenmens.

De liefste prentenboeken uit die ex-kast schieten me met gemak te binnen. Alles van Janosch; De gele taxi en de andere Gouden Boekjes, gelukkig weer te koop; de blok-boekjes van Ploegsma, zoals die over Kleine Beer, getekend door Maurice Sendak, en die van Arnold Lobel over Uil en over Kikker en Pad; de zoekplaten van Joost Roelofsz ; Het huisje dat verhuisde, van wie ook weer?

Iets later kwamen Annie M.G. Schmidt en Astrid Lindgren, wier tweede Pipi Langkous-huis we zomaar, in Chili, bij de haven naar Patagonië, ontdekten. Paul Biegel, Joke van Leeuwen, Toon Tellegen, Tonke Dragt. Roald Dahl. De wind in de wilgen. Natuurlijk had Lindgren de Nobelprijs moeten krijgen, erg slordig dat haar landgenoten daar niet voor hebben gezorgd. En onze Schmidt ook, al heb ik wel eens gelezen dat haar gezellige anarchie elders de toets van de kritiek niet kan doorstaan. Dat is dan erg jammer voor elders.

Sendak heeft zojuist een eerste Astrid Lindgren-prijs gewonnen, want Lindgren is dood. Hij leeft dus nog. Dat ik hem niet meer tegenkom, ligt niet aan hem.

We zijn elkaar kwijt, de kinderboeken en ik, maar er is hoop. Tegenwoordig stapt regelmatig een kleine man mijn huis binnen die mij vanzelf terugvoert naar die papieren toverwereld. Leve de vrijdag, niet vanwege het weekend, daar maalt een freelancer niet om, maar omdat hij dan vaak bij me is. Hij groet uitvoerig de dingen die hem opmerkelijk voorkomen, als eerste de in zilverpapier gestoken Sinterklaas, onze huisheilige, die hij in snoeplustige buien gewoon Chocola noemt, en als hij is uitgeklauterd en -gedaan wil hij 'boekje lezen'.

Dat is nog eens lezen: popelen, vanuit je merg geluiden nadoen, huiveren! Soms voel ik hem een centimeter terugdeinzen bij een gevaar dat hem overvalt. Soms stikt hij van het lachen. Ons lezen voltrekt zich naast een bedje van rode doeken waarin Pipi, Roodkapje en Aap liggen te slapen ('sst'), een lot dat ook hem wacht.

Door hem ben ik weer op de kinderboekenafdeling van de plaatselijke middenstand terechtgekomen. Onze eerste prooi was De spin die het te druk had van Eric Carle, want ook die is vanzelfsprekend doorgegaan sinds Rupsje Nooitgenoeg. De spin is zo druk. Welk dier hem ook wil verleiden tot spelen, hij gaat er niet op in. Hij weeft zijn web. Intussen vliegt een vervelende vlieg almaar over de bladzijden.

Hoe doet de vlieg? 'Zzzzzzzzzz', zegt de kleine man, en hij houdt niet op, de vlieg houdt ook niet op, daar gaat het juist om. Tot de laatste bladzijde, als de uil ('oehoe') met de spin wil spelen. Het is donker, het web is af, de spin slaapt, de vlieg vermalen in zijn buik. 'Sst.' Ook de kleine man geeuwt al.

Van arachnofobie geen spoor. Van medelijden met de vlieg evenmin, het is diens vliegenlot in die buik te komen, en ach, zodra we het boekje opnieuw openslaan, zoemt hij als herboren. We hebben dit avontuur tientallen malen gelezen. Het verveelt niet, maar we moeten weer eens naar de winkel, voor een nieuwe prooi.

Wie nu denkt: 'Waar heb je het over: kleine mannen, drukke spinnen?', zou naar de film Être et avoir kunnen gaan; de warme duik in de kindermagie is gegarandeerd. Ik stap op mijn fiets om ergens een René Appel of Henning Mankell te lenen. Eens geen thrillerlezer, nooit een thrillerlezer, zeggen vrienden. We nemen de proef op de som. We doen niet aan overgenomen meningen. Te popelen zit ik niet. Ik vind dat een boek spannend moet zijn, maar of die spanning vooral in de plot moet zitten? Of is dat al een vooroordeel?

Daarover volgende keer, als ik niet in slaap ben gevallen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden