Van vragenlijsten kun je beter worden

In de jeugdzorg wordt de effectiviteit van interventies maar spaarzaam onderzocht. Hulpoverleners zijn er niet dol op. Door Malou van Hintum..

Nee, de meeste hulpverleners staan niet te springen bij het idee dat de effecten van hun werk worden gemeten. En heel gek is dat niet, zegt Jan Willem Veerman, hoofd van Praktikon (een organisatie voor onderzoek en ontwikkeling in de jeugdzorg) en bijzonder hoogleraar speciale kinder- en jeugdzorg aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Want de manier waarop beleidsmakers en wetenschappers hierbij tot nu toe te werk gaan, levert hulpverleners en hun cliënten weinig op.

Veerman: ‘Overheid en zorgverzekeraars werken top-down. Ze willen weten of een behandeling effect heeft, en vragen de mensen in het veld dat te rapporteren. Wetenschappers op hun beurt willen volgens de geijkte wetenschappelijke methoden te werk gaan: eerst wordt er een theorie bedacht, en die wordt vervolgens in een randomised controlled trial onderzocht; een situatie waarin voor allerlei variabelen wordt gecontroleerd die in de praktijk juist het resultaat zullen beïnvloeden. Vervolgens worden de gegevens die daaruit komen, verwerkt in een publicatie voor een Engelstalig wetenschappelijk tijdschrift.

‘In beide gevallen mogen hulpverleners data aanleveren, maar horen ze daarna niets meer. De gegevens gaan de ivoren toren in, en daarmee uit.’

Dat is de ene kant van het verhaal. De andere kant is, dat er effectmetingen zijn die hulpverleners en cliënten meteen feedback geven, maar ook lang niet altijd enthousiast worden ontvangen. ‘Mensen in de jeugdzorg reageren stekelig op effectonderzoek. Het wordt vaak gezien als een motie van wantrouwen’, zegt Bram Orobio de Castro, hoogleraar ontwikkelingspsychopathologie aan de Universiteit Utrecht en net als Veerman spreker op het onlangs aan de Radboud Universiteit Nijmegen gehouden symposium Gezinsonderzoek.

‘Ze denken dat hun goede bedoelingen in twijfel worden getrokken, maar daar is geen sprake van. Het enige waar het om gaat, is dat je als professional in het belang van je cliënt weet wat werkt, en hoe dat werk mogelijk beter kan. Je daarmee bezighouden is geen extra moeite; dat ís nou juist je werk.’

Want ook dat bezwaar wordt gehoord: er is al zoveel bureaucratie in de jeugdzorg, en daar komen dan nog eens extra vragenlijsten bij. Nog meer papier, nog minder tijd om je eigenlijke werk te doen: mensen helpen. Foute gedachte, zegt De Castro. ‘Nederland heeft last van een projectenmachine, we zitten met een hele berg interventies en behandelingen waarover geen overzicht bestaat. Er is sprake van wildgroei en misleiding.’ En daar is niemand mee gediend.

De vraag is dan ook: hoe kan er wél zinvol worden gemeten?

Politieke druk

Politieke druk
Veerman vindt dat meten niet top-down, maar bottom-up moet gebeuren. ‘Beleidsonderzoek en wetenschappelijk onderzoek zijn allebei methode-gestuurd: de praktijk moet zich voegen naar een specifieke manier van gegevens verzamelen, analyseren en rapporteren die top-down georganiseerd is. Dat is ideaal wetenschappelijk onderzoek, maar voor de praktijk heb je er niet veel aan.

Politieke druk
‘Als je bottom-up te werk gaat, kom je meer te weten over de effecten in de praktijk, omdat het onderzoek door de praktijk wordt gestuurd, door en voor de hulpverleners. Bovendien zijn hulpverleners meer gemotiveerd om mee te werken en worden ze nieuwsgierig naar de effecten van hun werk. Wij geven ze tools om die effecten zichtbaar te maken.’

Politieke druk
Wetenschappers en hulpverleners werken in dat geval nog steeds samen, maar nu als een team. Ook is het doel veranderd: niet het oplepelen van gegevens staat centraal, maar het effect van het praktisch handelen. Veerman: ‘In de hulpverlening heb je niet zoveel aan een gemiddeld effect bij een groep, onder gecontroleerde omstandigheden. Daarom zeggen wij: je moet beginnen bij wat er is, en met je onderzoeksvragen aansluiten op de praktijk.

Politieke druk
‘Wat moeten professionals weten om hun werk beter te kunnen doen? De instrumenten en procedures van het onderzoek gaan op die manier deel uitmaken van de praktijk. Behandelaars en cliënten profiteren daarvan. Eigenlijk’, zegt hij, ‘moet je het zo zien: we geven mensen een hengel en leren ze vissen naar kennis; zo werken ze aan hun eigen professionele empowerment.’

Politieke druk
Dat klinkt aantrekkelijk, maar toch zijn er nog steeds hulpverleners die er geen zin in hebben, zegt psycholoog Gert Kroes, evenals Veerman verbonden aan Praktikon. ‘Dat komt behalve door de vrees voor bureaucratie waarschijnlijk ook omdat de individuele prestatie van een hulpverlener zichtbaar wordt. Hoe komt het dat bij jou alle moeilijke gevallen een stapje vooruitzetten, maar bij mij niet?

Politieke druk
‘Als er cijfers op tafel komen, zijn hulpverleners bang dat die tegen hen gebruikt worden. De invloed van een behandelaar is misschien wel groter dan een bepaalde variant van een behandeling. Behandelaars hebben daarom niet altijd zin zich in de kaart te laten kijken, en gebruiken daarvoor de cliënten nogal eens als smoes. Die zouden er weinig voor voelen.

Politieke druk
‘Maar uit de praktijk blijkt dat cliënten het juist ontzettend waarderen om vragenlijsten in te vullen en daarover feedback te krijgen. Zo krijgen ze zelf meer grip op hun situatie – iets wat op zichzelf weer een positief effect heeft op de hulpverlening. Bovendien zie je dat de afgelopen jaren de politieke druk om met cijfers te komen, steeds groter is geworden. Hulpverleners kunnen daarom maar beter zelf het heft in handen nemen.’

Lange adem

Lange adem
Door vanaf de werkvloer te onderzoeken welke methoden onder welke omstandigheden het beste werken, kan een practice-based evidence uiteindelijk leiden tot een evidence-based practice, zegt Veerman. Volgens De Castro is dat overigens prima te combineren met wetenschappelijke eisen als gerandomiseerde toewijzing en controlegroepen; hierover zijn de geleerden het dus onderling niet eens.

Lange adem
Linksom of rechtsom, van zo’n op bewezen effecten gestoelde behandeling is nog lang geen sprake. Van de 1000 tot 1500 interventies in de jeugdzorg (dezelfde interventies worden weleens verschillend aangeduid) is 1 tot 5 procent bewezen effectief, zegt Veerman. Onderzoek in de praktijk van de zorg is daarom hard nodig, maar niet makkelijk te realiseren. Gelukkig zijn er instellingen waar dat nu op gang komt.

Lange adem
De Castro: ‘De druk om te publiceren is hier veel groter dan in de Verenigde Staten. Daar worden wetenschappers ook afgerekend op de vraag of ze hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Hier is dat tot nu toe jammer genoeg niet zo. Daardoor wordt dit type onderzoek vermeden door wetenschappers die met moeite de publicatie-eisen van hun universiteiten halen.’

Lange adem
Wat een wetenschappelijke inzet eveneens bemoeilijkt, is dat pas na een aantal jaren zichtbaar wordt of een behandeling zinvol is. De Castro: ‘Zeker als het om preventieonderzoek gaat, weet je pas over een jaar of vijf of het heeft gewerkt. Voor wetenschappers is dat een drama. De politiek wil al na een half jaar resultaten zien.

Lange adem
‘Gelukkig geeft ZonMw (een organisatie die gezondheidsonderzoek en zorginnovatie financiert, red.) nu geld voor een aantal studies die samen met jeugdinstellingen worden uitgevoerd. De combinatie van gedegen onderzoek met inbedding in de praktijk is daarbij een belangrijk criterium.’

Lange adem
Alles bij elkaar zijn Veerman, Kroes en De Castro optimistisch, ook al hebben ze een lange adem nodig om overheid en zorgverzekeraars aan de ene kant en behandelaars aan de andere kant te overtuigen van het nut van onderzoek.

Lange adem
De Castro: ‘Uit het onderzoek dat we hebben kunnen doen, blijkt dat de resultaten heel overtuigend zijn. Misschien moeten we nu zelf wat overtuigender worden in onze presentatie.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden