Van sul tot superheld

Docenten zijn dankbare personages voor schrijvers en filmmakers. Een reis door de tijd, van Multatuli's Woutertje Pieterse tot de Amerikaanse film Coach Carter.

In Nederlandse romans zijn strenge docenten - om maar te zwijgen van strenge rectoren en schooldirecteuren - eigenlijk altijd uit de tijd. Zelfs in oude romans. Neem Meester Pennewip uit Multatuli's Woutertje Pieterse, verschenen in 1890. Multatuli introduceerde hem als een man 'van de oude stempel'. Daarin klonk enige afkeuring door. Anders dan zijn Godfried Bomans-achtige naam doet vermoeden, was Meester Pennewip geen komisch personage. Hij zag de maatschappij, en de school in het bijzonder, als een botanische tuin die met tucht en gestrengheid voor wildgroei moest worden behoed. Hij hield discipline voor een grotere deugd dan empathie.


Veel gangbaarder in Nederlandse romans is de leraar als milde, inlevende vaderfiguur. Meester Ster uit Pietje Bell (1914) oogde weliswaar streng, 'maar was zoo kwaad niet als hij er wel uitzag'. Hij veroorloofde zich af en toe een gepast grapje en bleek een zwak te hebben voor tegendraadse leerlingen. Die zaten, nadat meester Ster door tbc was getroffen, dan ook aan zijn sterfbed. Zelden is in een Nederlands jeugdboek een scène zo effectief opgetekend.


Meester Bruis van Ciske de Rat (1941-'46) en Meester Staal van Theo Thijssens De gelukkige klas (1926) worden eveneens door zuivere verheffingsidealen gedreven. Staal trotseert de minachting van z'n echtgenote voor zijn onaanzienlijke aanstelling op een onaanzienlijke volksschool om zijn kansarme leerlingen tot het geloof in eigen kunnen te bekeren.


Ook dat type leraar is inmiddels uit de tijd. De leraar in de naoorlogse roman ligt vooral met zichzelf overhoop. Of anders wel met zijn collega's, zijn leerlingen of een vak waarvan de beoefenaar niet meer per definitie tot de elite behoort. In Ivoren Wachters (1951) van Simon Vestdijk voltrekt die ontwikkeling zich in het bestek van een paar hoofdstukken. Leraar Nederlands Schotel de Bie begint met grote verwachtingen aan zijn loopbaan, maar tijdens de eerste les gaat het al mis. Hij spreekt over Justus van Effen als zijn aandacht wordt getrokken door het gehavende gebit van een van zijn leerlingen, Philip Corvage. 'Zeg hé, hou je afgebrande kerkhof een beetje voor je', voegt hij Corvage op een onbewaakt ogenblik toe. Met deze verbale eruptie begint de gestage onttakeling van de jonge docent.


In veel romans is de school een huiveringwekkende biotoop van onwillige leerlingen, machtsbeluste rectoren en gefrustreerde docenten. De docent is vaak een gemankeerde schrijver, een onvolgroeide intellectueel of een enigszins tragische achterblijver in de antichambre van de 'echte wereld'. Benijdenswaardig is hij maar zelden. De leraar klassieke talen Mr. Chipping in de - vaak verfilmde - roman Goodbye, Mr. Chips (1934) van James Hilton ziet zich omringd door leerlingen die hem straks, na de voltooiing van hun school, allemaal zullen overvleugelen. Met zelfspot probeert hij deze bedrukkende gedachte te verjagen.


Bij de leraar in Joost Zwagermans roman De buitenvrouw (1994) verwordt zelfspot al snel tot zelfbeklag. Hij voelt zich een 'gediplomeerde kneus' en gaat zich uiteindelijk ook zo gedragen. In de verhalenbundel Laatste schooldag (1994) van Jan Siebelink - zelf ooit leraar Frans - hebben de leraren zelfs geen leerlingen nodig om zich van de onvolmaaktheid van het eigen bestaan bewust te zijn. In de elf verhalen figureren de leerlingen hooguit op de achtergrond, als een onweerswolk boven het vlakke land. De docenten beloeren elkaar, gaan strategische allianties aan met hoger geplaatsten en dromen van een verheffender bestaan buiten school. In het verhaal 'Ereprijs' begeeft een leraar zich, vlak voor het behalen van de ooit begeerde doctorstitel, in de bloemenhandel. Maar meestal gaan de docenten in de wereld van Jan Siebelink roemloos ten onder.


Hoewel voor de docent in romans maar zelden een heldenrol is weggelegd, is zijn beroepsgroep in de literatuur goed vertegenwoordigd. In het geval van Siebelink is dat begrijpelijk. Voor hem hebben verhalen over zijn vroegere leven een therapeutische betekenis, vergelijkbaar met de zevendelige cyclus Het Bureau (1996-2000) van J.J. Voskuil over zijn ervaringen bij het Meertens Instituut.


Waarom is de school en alles wat daar gebeurt ook zo'n aantrekkelijk thema voor romanciers zonder onderwijskundig verleden? 'We zijn allemaal naar school gegaan, we hebben allemaal de blik van leraren en leraressen op ons gevestigd geweten', schreef Kees 't Hart in 2009 in De Groene Amsterdammer ter beantwoording van die vraag. 'We hebben ons allemaal vernederd gevoeld door de macht die leraren op ons uitoefenden.' Schrijvers waren daar misschien nog wel gevoeliger voor dan mensen met een ander beroep, opperde 't Hart. 'Komt het er niet op neer dat in lerarenromans schrijvers hun rancune uitleven over hun tijdelijke zichtbaarheid in de ogen van anderen, van leraren, dat zij wraak nemen op de als vernederingen ervaren belevenissen rondom hun schooltijd?'


Voor overleden of hoogbejaarde auteurs, degenen die nog de autoriteit van de meester voor de klas hebben gevoeld - om maar te zwijgen van de hoofdmeester aan het eind van de gang - is dat misschien nog een motief geweest. Maar het is toch nauwelijks voorstelbaar dat schrijvers van de generatie van Joost Zwagerman of Robert Anker - die eveneens een weinig vleiend beeld van de leraar schetste in Hajar en Daan (2004) - nog rekeningen te vereffenen hebben met de docenten met wie zij te maken hebben gehad.


De docent van hún tijd is ooit gekarakteriseerd door Peter van Straaten. Midden jaren zeventig tekende hij een wat lijzige man met snor in een slecht zittend spijkerpak die tot zijn leerlingen zegt: 'Jongens, als jullie mij een lul vinden, moeten jullie het eerlijk zeggen.' Veel Nederlanders van middelbare leeftijd zullen ooit een docent hebben gehad die op zijn minst een beetje deed denken aan de creatie van Peter van Straaten. Zo'n docent wekte misschien hilariteit of ergernis, maar het was in de regel niet zijn gewoonte om leerlingen te vernederen.


Nee, de school is vooral een interessante biotoop voor romanciers vanwege haar herkenbaarheid. Dat heeft de school gemeen met het sportveld en het kantoor - geliefde decors van allerhande sitcoms. En de schooltijd is een bewogen tijd, waarin de turbulente overgang naar de volwassenheid zich voltrekt. De school is het decor van de eerste liefde. School beperkt de vrijheid die voor de leerlingen kort tevoren nog onbegrensd was. Op school botsen meningen. De school is dus bijna een onontkoombaar thema voor een schrijver.


De school is een universeel gegeven. De typologie van de leraar in een boek of een film zegt veel over de cultuur van het betreffende land. In Nederlandse films is de strenge leraar nauwelijks serieus te nemen. Hij of zij - Sanne Wallis de Vries in Mees Kees - dient vooral als antipode van de aardige, begripvolle leraar die wél wat van de kinderen gedaan krijgt. In de Amerikaanse film is de begripvolle docent gedoemd te falen als hij niet ook een autoriteit durft te zijn. Dit is het leitmotiv van talrijke films over docenten die hardheid en empathie met elkaar afwisselen teneinde het beste uit hun - in de regel kansarme - leerlingen te halen.


Dit soort films vormt bijna een apart genre: Lean on Me, over een leraar (vertolkt door Morgan Freeman) die een probleemschool zuivert van onverbeterlijke elementen. Coach Carter, over een basketbalcoach (Samuel L. Jackson) die een hecht - uiteraard winnend - team smeedt. Freedom Writers, over een docent (Hilary Swank) die leerlingen die door haar collega's waren opgegeven leert schrijven over hun eigen leven. The Great Debaters, over een docent (Denzel Washington) die leerlingen van een zwarte school naar de eindzege voert bij een debattoernooi. The Principal, over een schooldirecteur (James Belushi) die de strijd aanbindt met criminele elementen onder zijn leerlingen en uiteindelijk zegeviert, uiteraard.


Dit soort films heeft een buitengewoon voorspelbaar verloop. De Amerikaanse droom wordt er onbeschroomd in vertolkt, maar ze missen hun uitwerking op de kijker niet. Ze zullen ongetwijfeld een positievere bijdrage leveren aan het imago en het zelfbeeld van de docent dan al die Nederlandse boeken waarin de docent - in de woorden van Joost Zwagerman - vooral 'sulligheid en slapte' belichaamt. Oké, coach Carter is in dezelfde mate fictief als de treurige figuren uit de wereld van Jan Siebelink. Maar als de werkelijkheid toch wordt gechargeerd, kan dat misschien beter op z'n Amerikaans gebeuren. b


De dictator van de school: Bint


Het literaire archetype van het schoolhoofd als dictator is Bint, van de gelijknamige roman van Ferdinand Bordewijk. Bint veracht zijn leerlingen en drijft een van hen (Van Beek) zelfs tot zelfmoord. De revolte van leerlingen en een enkele docent die daarop uitbreekt, wordt kordaat de kop ingedrukt. Als de rust is hersteld, kan de schoolreis naar België - waar het hele jaar naar was uitgezien - alsnog doorgang vinden.


Bint was een commentaar op de werkelijkheid van 1934, het jaar waarin het boek verscheen. Over de interpretatie liepen de meningen van de recensenten destijds uiteen. De een zag er een verheerlijking in van Bints 'tucht en orde'. Anderen lazen het boek juist als een waarschuwing tegen het fascisme. Over één ding waren zij het echter eens: Bint was een symbool, geen man van vlees en bloed.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden