Van staatsburger naar stadsburger

'Afzetting van slechte leiders - ja, zonodig met geweld - (. . .) is een van de gevoeligste onderwerpen in de diplomatie en het buitenlandse beleid, maar het vormt voor tal van samenlevingen wel de sleutel tot een betere eigen organisatie', schrijft de in India geboren politieke denker Parag Khanna.


Daarom bepleit hij 'de omverwerping van leiders die zich in de slechtste zin van het woord Middeleeuws gedragen'. Er volgen enkele gratis adviezen over hoe hierbij te werk te gaan, bijvoorbeeld het 'blokkeren van bankrekeningen en het inperken van reismogelijkheden', het 'omkopen van jonge officieren', 'blokkering van wapenleveranties en lucratieve export' , 'invoering en controle van no-flyzones' en 'de opbouw van een rebellerende strijdmacht'.


Het lijkt alsof we hier een handleiding onder ogen hebben voor de omgang van de internationale gemeenschap met de Libische kolonel Kadhafi. Maar uiteraard was De wereld draaiend houden (How To Run The World), waaruit bovenstaande citaten afkomstig zijn, al geschreven en gedrukt ver voordat de crisis in Libië tot uitbarsting kwam. En bovendien ziet Khanna helemaal niets in volgens hem verouderde en handelingsonbekwame organen als de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. 'Onze neo-middeleeuwse wereld kent geen gezamenlijke richtlijnen voor al dan niet ingrijpen in soevereine staten', luidt zijn uitdagende conclusie. Maar daardoor wil hij zich niet laten ontmoedigen: 'Van leiders is tamelijk eenvoudig vast te stellen of ze fatsoenlijk dan wel barbaars zijn.'


Parag Khanna kent zonder twijfel de wereld waarover hij schrijft. De 34-jarige adviseur van president Obama op het terrein van de buitenlandse politiek bracht zijn jeugd door in de Verenigde Arabische Emiraten, Duitsland en ten slotte Amerika. Die ervaring met uiteenlopende samenlevingen maakt zijn analyse extra belangwekkend.


Ruim twintig jaar na het einde van de Koude Oorlog bestaat er niet meer zoiets als wereldwijd gedeelde veiligheid onder de papaplu van twee supermachten, zo luidt Khanna's centrale uitgangspunt. Ook de VS zijn niet meer de onomstreden hypermacht, die wereldwijd voor stabiliteit kan zorgen, wat trouwens altijd meer illusie dan realiteit was. Er ontwikkelt zich een multipolaire wereld, met opkomende machten als Rusland, China, Saoedi-Arabië, India en Brazilië, die allemaal meer geïnteresseerd zijn in hun eigen invloedssfeer dan in het collectief creëren van wereldwijde veiligheid. Ze willen 'liever sheriff in hun eigen streek spelen dan zich naar een of andere wereldpolitie te voegen'.


Khanna stelt voor deze ontwikkeling pragmatisch onder ogen te zien. De wereld splitst zich 'analoog aan de Middeleeuwen' in afzonderlijke regio's, elk met eigen regels en gewoonten. 'In plaats van deze vloedgolf van decentralisatie te bestrijden ten behoeve van een of andere grootse maar tandeloze wereldorde, moeten we de regionale verantwoordelijkheden zo veel mogelijk aanmoedigen.' Dat kan door te bevorderen dat ook op plekken waar dat nu nog niet het geval is, zoals in Afrika, het Midden-Oosten en Centraal-Azië, redelijk functionerende veiligheidsorganisaties worden gevormd die bij conflicten kunnen bemiddelen en zonodig ingrijpen.


Het wordt er allemaal niet eenvoudiger op doordat ook de staten niet meer zo stevig zijn als in de 19de en 20ste eeuw. Door de globalisering, waarbij kapitaal, arbeid en informatie wereldwijd circuleren zonder zich iets van nationale grenzen aan te trekken, wordt de macht van nationale overheden uitgehold. In Europa en de VS heffen regeringen nog steeds belasting, beschermen de (rechts)orde, streven naar een stabiele economie en een sociaal vangnet. Wereldwijd is dat veeleer de uitzondering. We moeten daarom volgens Khanna in de toekomst net als in de Middeleeuwen en de Renaissance eerder denken in termen van steden dan van staten.


We kunnen er niet omheen, meent Khanna, dat in grote delen van de wereld de overheid niet in staat is te zorgen voor essentiële voorzieningen op economisch, sociaal, veiligheids- en milieugebied. Dat gat wordt nu al vaak ten dele opgevuld door grote bedrijven, burgergroeperingen en religieuze groepen. Ook dit wil de Amerikaans-Indiase auteur als een gegeven aanvaarden. If you can't beat them, join them, lijkt hier zijn motto. Hij put zich uit in lof voor overleggen als het World Economic Forum (bekend van de jaarlijkse conferenties in Davos) waar anders dan in de Verenigde Naties tenminste besluiten worden genomen en activiteiten opgezet. Hij verwacht veel goeds van rijke ondernemers als Bill Gates (Microsoft) en Eric Schmidt (Google) die niet alleen voor vernieuwende technologie zorgen, maar ook bereid zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en op grote schaal filantropie bedrijven. Hij pleit vurig voor samenwerking tussen idealistische ngo's (mensenrechtengroepen, hulporganisaties als Artsen zonder Grenzen) en multinationals en ziet voor zijn geestesoog zelfs ngo's en particuliere beveiligingsorganisaties als Blackwater gezamenlijk optrekken bij het verzorgen van 'publieke-private veiligheid'. Huurlingen? Die waren er in de Middeleeuwen immers ook.


Net als Robert Kaplan, met wie hij de helikopterview op de wereld deelt, relativeert Khanna de betekenis van democratie. Goed bestuur vindt hij belangrijker en landen als China, Singapore en 'de BV Maleisië' kennen zulk bestuur. Khanna: 'Het idee van 'goed bestuur' neemt (. . .) in hoog tempo de plaats in van democratie als wereldwijd mantra. Overal staan leiders in toenemende mate onder druk om economische vrijheid, efficiënte dienstverlening en politieke transparantie te bieden, maar democratie staat niet per se op dat lijstje.'


De recente vreedzame revoltes in Tunesië en Egypte (en Libië, tot daar met grof geweld op werd ingebeukt) bevestigen deze visie allerminst. Er valt zeker iets te zeggen voor het pragmatisme van Khanna en voor zijn nadruk op concreet aanpakken; zijn constatering dat het verstrekken van microkredieten en het gebruik van ict voor het opleiden van journalisten en het bevorderen van activisme onder jongeren de democratie dichterbij brengt dan 'er alleen maar over praten', is terecht. Maar hoe boeiend en treffend zijn analyse van een in regio's uiteenvallende wereld ook is en hoe fascinerend zijn denken over realiseerbare oplossingen, Khanna's wat achteloze omgang met begrippen als internationaal recht en democratie laat de deur naar willekeur wijd open staan.


Journalist Menno Hurenkamp en sociologe Evelien Tonkens bestrijken met hun onderzoek naar de manier waarop Nederlanders hun burgerschap beleven aan het be gin van de nieuwe eeuw schijn- baar een totaal ander terrein dan Parag Khanna. Toch doemen er verrassende overeenkomsten op. Hurenkamp en Tonkens stellen in De onbeholpen samenleving vast dat het afbrokkelend gezag van de overheid geen gevolg is van (overmatige) mondigheid, maar juist van door gevoelens van machteloosheid opgewekte argwaan. Veel burgers geloven niet meer dat de overheid kan waarmaken wat ze belooft en dat stemt hen ontevreden en voedt het cynisme.


We hebben hier te maken met dezelfde toenemende uitholling van staatsmacht waarop Khanna wijst, al blijft dat in Nederland natuurlijk betrekkelijk. Maar de overheid kan internationale crises en daarop volgende draconische bezuinigingen inderdaad niet afwenden (wel temperen), en burgers hebben terecht de indruk dat globalisering en (halve) privatiseringen hun invloed ondermijnen. Ze hebben alleen geen idee wat daartegen valt te doen.


Een interessant resultaat uit het onderzoek van Hurenkamp en Tonkens is dat Nederlandse burgers niet, zoals vaak verondersteld, sterk op zichzelf en hun privéleven gericht zijn. Ze interesseren zich dikwijls voor het lot van buren en zijn geregeld betrokken bij concrete sociale activiteiten zoals de aanleg van een verkeersdrempel in de straat of het inzamelen van kleren voor een goed doel. Ze zijn dus wel sociaal, maar niet politiek geëngageerd.


Als remedie tegen de diffuse onvrede, het gevoel van 'ze doen maar daar in Den Haag en Brussel', denken de twee onderzoekers aan een 'stadsburgerschap', 'praktische manieren (. . .) om gezamenlijk doelen te bereiken, waarbij onderlinge verschillen tijdelijk aan de kant worden geschoven. Grote noemers, zoals religie, mensenrechten of de grondwet, doen er dan niet zoveel toe. Wat stadsburgers verbindt, is dat ze gezamenlijk problemen ervaren, deze benoemen en proberen op te lossen.' Ook hier zien we weer, net als bij Khanna, de voorkeur voor lokale oplossingen, het denken in termen van stad in plaats van staat, de behoefte praktisch en concreet te werk te gaan. Een intrigerende parallel.


Menno Hurenkamp en Evelien Tonkens: De onbeholpen samenleving - Burgerschap aan het begin van de 21ste eeuw.


Amsterdam University Press; 207 pagina's; € 34,50.


ISBN 978 90 8964 150 2.


Parag Khanna: De wereld draaiend houden - Nieuwe diplomatie voor instabiele tijden.


Uit het Engels vertaald door Wybrand Scheffer.


Contact; 325 pagina's; € 49,95.


ISBN 978 90 254 3250 8.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden