Van professor Romme tot Joop: Journalistiek meeregeren door de jaren heen

Vroeger droegen journalisten de slippen van Drees, Oud en Romme. De tijden veranderden, de verleiding van meeregeren en meeformeren bleef....

Er was eens een parlementair journalist die regelmatig werd ontvangen en geïnformeerd door de politieke leider van zijn eigen zuil. Die politicus was tevens zijn hoofdredacteur. Begunstigd als de journalist was, realiseerde hij zich hiervan tegelijkertijd de beperking. Hij had weliswaar het monopolie op de leidsman van die partij, maar met andere politieke leiders sprak hij niet.

Dat mankement verhielp hij door onderlinge bijeenkomsten te beleggen met collega's die ook exclusief toegang hadden bij de leider van hun politieke geloofsrichting. Zo werkten in de jaren vijftig en zestig journalisten van Het Vrije Volk, het Algemeen Handelsblad, de Volkskrant en Trouw. Ze wisselden de verworven stukjes informatie uit, waardoor ze een redelijk beeld kregen van de politieke ontwikkelingen.

Die naoorlogse tijdgeest vergde een uitermate brave houding van de journalist tegenover de autoriteit. Voor de hoofdrolspelers uit de jaren vijftig was het ondenkbaar dat de parlementaire journalistiek binnen enkele decennia niet meer gedwee zijn politieke leidsman zou volgen, maar zelf een actieve factor in het politieke proces zou worden.

De machthebbers werden nog keurig aangesproken met 'excellentie'. Het leidde niet tot opstand dat minister-president De Quay het zich permitteerde gedurende zijn hele ambtsperiode geen enkel interview te geven. De agenda van de ministerraad was geheim en journalisten zegden de rijksvoorlichtingsdienst in 1963 toe dat ze de formateur tijdens de kabinetsformatie niet hinderlijk zouden volgen.

Volkskrant-redacteur Henry Faas - van hem komt het boven beschreven verhaal - beschrijft in zijn onthechte memoires Termieten en muskieten ontwapenend eerlijk dat hij zich thuisvoelde in de naoorlogse katholieke zuil en onvoldoende kritisch was ten opzichte van Beel en Luns. Over KVP-leider Romme, tevens staatkundig hoofdredacteur van de Volkskrant, schreef Faas in 1986: 'Van zo'n man frummelde je de fouten onder tafel. Ik liep met hem weg en achter hem aan.'

Het sprookje hield op toen in de tweede helft van de jaren zestig Nederland zich assertiever opstelde tegenover zijn bestuurders. Het leidde automatisch ook tot een andere verhouding tussen de machthebbers en de Haagse journalistiek. Minister-president Den Uyl heette 'Joop' in plaats van 'excellentie'. En op zijn wekelijkse persconferentie kreeg Den Uyl te horen dat hij de sigaar uit zijn mond moest nemen, omdat hij onverstaanbaar was.

Het nam niet weg dat Volkskrant-redacteur Jan Joost Lindner in 1975 werd ontboden op het ministerie van Algemene Zaken, toen premier Den Uyl had vernomen dat Lindner commentator was geworden. 'Hij hield een preek tegen me over het grote belang van de linkse eenheid, wat ik beschouwde als een poging me in te pakken. Den Uyl heeft geprobeerd de Volkskrant in zijn handen te krijgen door zich stevig tegen ons aan te bemoeien. Zo was hij het gewend met de verzuilde socialistische kranten, maar die methode werkte niet meer.'

Een nieuwe, overwegend linkse journalistieke generatie was aangetreden. Van volgzaam en braaf sloeg de slinger door naar de andere kant. 'De Haagse journalistiek was tot veel actie bereid', blikt PvdA'er Ed van Thijn terug. En Trouw-redacteur Willem Breedveld: 'Het werd super-geëngageerd.'

Zo speelde de Volkskrant een rol tijdens de formatie van het tweede kabinet-Den Uyl, dat in 1977 moest verrijzen maar er niet kwam. Bij de verkiezingen van dat jaar won de PvdA tien zetels. De euforie in het linkse kamp was groot en ook de parlementaire pers wilde dat tweede kabinet-Den Uyl.

Er heerste in die formatie een sfeer van ultieme openheid, die versterkend werkte op de steeds slechtere persoonlijke verhoudingen tussen de hoofdrolspelers Den Uyl, PvdA-onderhandelaar Van Thijn en CDA-onderhandelaar Van Agt. Na de geringste handeling werd een persconferentie belegd.

Onderhandelingen werden gevoerd via de media, die in dat proces een eigen rol gingen spelen. Van Thijn: 'De Volkskrant was er altijd op uit om het eerste spoor van wat wellicht een concessie kon zijn, af te branden als een capitulatie van de PvdA. Dat was buitengewoon lastig formeren.' Commentator Lindner: 'We hebben in het nieuws en de commentaren bijgedragen aan de heersende illusiesfeer.'

In zijn Dagboek van een onderhandelaar laat Van Thijn regelmatig zijn humeur vergallen door de columns van Lindner. Maar het 'ergste' dat de Volkskrant aanrichtte, zegt Van Thijn in retrospectief, was het nieuwsverhaal van politiek redacteur Kees Bastianen op dinsdag 25 oktober 1977.

Daarin wordt groot verzet van de door Bastianen gebelde partijbaronnen aangekondigd tegen het uiterst moeizaam bereikte akkoord van de verdeling van de ministersposten: 7-7-2, voor respectievelijk PvdA, CDA en D66. Volgens Van Thijn ging het om een 'achterhaald voorstel', dat overigens wel op 7-7-2 was gebaseerd.

De toon was gezet, door de krant die de grootste invloed op de PvdA had. Die dag moest Van Thijn het resultaat verdedigen in drie gremia, die de Volkskrant op schoot hadden liggen. In het partijbestuur lukte dat net, met 8 voor, 7 tegen en 1 onthouding. De Tweede-Kamerfractie ging morrend akkoord; 31 voor, 14 tegen. Maar de partijraad boog niet en met 53 tegen 35 stemmen werd de motie-Reckman aangenomen, die het resultaat 7-7-2 verwierp en 8-7-1 verordonneerde. Het was de bekrachtiging van wat al eerder was fout gegaan.

Lindner: 'Journalisten formeerden mee, ze waren ook gepolariseerd. Toen de formatie mislukte, werden wij daar ten onrechte op aangesproken.' Joop van Rijswijk, toenmalig ARP-fractiemedewerker, vindt niet dat het de Volkskrant kwalijk valt te nemen. 'De PvdA-politici die zich lieten ophitsen door de eisen van de Volkskrant vind ik meer verantwoordelijk. Wie formeerde er nu eigenlijk?'

Ed van Thijn zegt nu: 'Het is niet de Volkskrant geweest die de formatie derailleerde, dat kan een krant niet. Het kwam door de PvdA, die flink over het paard was getild, en de persoon van Van Agt die omstreden was. In dat krachtenveld speelde de Volkskrant haar rol.'

De Volkskrant was niet de enige die het spel meespeelde. Trouw had zo zijn eigen rol in relatie tot het kabinet-Van Agt/Wiegel (1977-1981), dat moest vallen en toch overeind bleef. Na de mislukte formatie van het tweede kabinet-Den Uyl verwierven CDA en VVD een regeringsmeerderheid van 77 zetels. Dat wil zeggen: zes ARP-fractieleden gedoogden het bestaan van het kabinet Van Agt/Wiegel. Als slechts drie van hen de coalitie niet meer konden velen, zou het kabinet vallen.

'Trouw was onze krant', zegt oud-kamerlid Hans de Boer, de informele aanvoerder van de loyalisten, zoals Van Agt hen had bestempeld. Behalve door hun gereformeerde achtergrond waren de AR-kamerleden en Trouw-journalisten door nog iets anders verbonden: 'De gedachte dat het tweede kabinet-Den Uyl er had moeten komen en de wetenschap dat het lot van het kabinet-Van Agt/Wiegel in onze handen lag.'

Bij drie hoog oplopende politieke discussies werd het gemoed van de loyalisten eindeloos geprangd. Kwesties die in de heersende tijdgeest veel rumoer veroorzaakten, maar in de jaren negentig waarschijnlijk geen honderdduizenden meer op de been zouden brengen. Het ging om de levering van verrijkt uranium aan Brazilië, de vraag of Nederland verantwoordelijkheid had aanvaard voor de plaatsing en de productie van kruisraketten en eenzijdige Nederlandse olieboycot tegen Zuid-Afrika in verband met het apartheidsbeleid.

De spanningen hierover liepen enorm op en de coalitiefracties en de eigen bewindslieden hadden voor de stemming geen notie of het kabinet het zou redden. De oppositie en de parlementaire journalistiek keken steeds hoopvol of het kabinet dan nu eindelijk zou tuimelen. Het werd een teleurstellend ritueel: na het verbale lawaai van de dissidenten kregen ze op het moment van de stemmingen slappe knieen, waardoor het voortbestaan van het kabinet gegarandeerd was.

Jan van Houwelingen, ex-loyalist: 'De enorme aandacht die wij als dissidenten kregen in Trouw, duidde erop dat de journalisten grote moeite hadden met het feit dat het CDA de PvdA had ingeruild voor de VVD. Trouw schreef zoveel over Urenco, omdat het een bedreiging vormde voor het kabinet en dat kwam Trouw wel uit.'

Trouw-journalist Breedveld erkent dat hij grote sympathie voor de loyalisten koesterde, hoewel het zestal, dat later uitgroeide tot een tiental, kritisch werd gevolgd. 'Maar we hebben als Trouw in hoge mate het gedrag van de loyalisten gelegitimeerd door ze serieus te nemen en ze te weinig te relativeren.'

Van recenter datum is de sturende rol van De Telegraaf bij de kabinetsformatie van 1994: over het paarse kabinet dat er niet mocht komen, maar toch kwam.

De verslaggeving van De Telegraaf kenmerkte zich door een uiterst kritische houding. Zo kritisch, dat het voor de andere media een journalistiek onderwerp werd. De koppen spraken voor zich: 'WEERZIN BIJ VVD TEGEN PAARS STIJGT' (11 mei), 'VOORTVARENDHEID BOLKESTEIN DOET DEEL VVD RILLEN' (2 juni).

Er zitten ruim drie weken tussen de twee artikelen, maar de inleiding is vrijwel identiek: 'De VVD-fractie in de Tweede Kamer is tot op het bot verdeeld over de paarse coalitie.' In werkelijkheid viel dat nogal mee. Volgens een lid uit de fractietop waren de tegenstanders niet meer dan vijf oudere kamerleden, die geen van allen invloed hadden op fractieleider Bolkestein.

Maar voor de VVD-achterban, die van oudsher zeer gevoelig is voor opruiende artikelen in De Telegraaf, ontstond het beeld van interne strijd. Toen de eerste paarse formatiepoging mislukte, schreef een tevreden commentator Lunshof, die al weken fulmineerde tegen de paarse dreiging: 'Het slaan van een brug tussen PvdA en VVD was direct al een hachelijke zaak.'

Hans Dijkstal, dan nog Tweede-Kamerlid voor de VVD, zei na de eerste mislukte paarse poging in een interview met Vrij Nederland: 'Een kop in De Telegraaf tegen paars leidde tot honderden brieven en telefoontjes.' Het dagboek Paars! van Telegraaf-journalist Emile Bode onderschrijft dit. Op 16 juni valt Bolkestein tegen hem uit: 'Jullie voeren oorlog tegen paars'

Als de tweede paarse formatiepoging lijkt te gaan lukken, wordt de ultieme remedie door De Telegraaf uit de kast gehaald: oud-VVD-leider Hans Wiegel wordt geïnterviewd. De kop luidt 'Wiegel waarschuwt Bolkestein'. De Friese liberaal zet uiteen dat hij de onderhandelingen 'met een groot gevoel van ongerustheid volgt'. In zijn dagboek schrijft Bode: 'Een taxatiefout van onze krant', maar hij doelt op het feit dat het interview niet op de voorpagina staat, maar 'slechts op pagina 7'.

Interessant is dat Lunshof zich, met alles dat in hem was, zo tegen paars verzette. Hij gelooft niet dat het te maken heeft met het feit dat hij in de jaren zeventig journalistiek werd gevormd op het Binnenhof, toen PvdA en VVD elkaar fel bestreden. Lunshof: 'Nee, PvdA en VVD horen gewoon wezenlijk niet bij elkaar. Ik had vooral de angst dat de VVD nooit op kon tegen een meerderheid van PvdA en D66 in dat kabinet.'

Ed van Thijn: 'De drie kwesties hangen alle erg samen met de jaren zeventig. Toen speelden alle media structureel een sturende rol. Ik verwacht niet dat dit ooit weer usance wordt. Wel incidenteel, zoals De Telegraaf in 1994 liet zien. Wiegel, die zijn hoogtijdagen in de jaren zeventig had, intervenieerde op een cruciaal moment. Toch was het een volstrekt verkeerd getimede zeperd, die in de jaren zeventig zou hebben gewerkt, maar in de jaren negentig fungeerde als een boemerang. De paarse coalitie kwam er.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden