Van Prada-jurk tot poetslap

De meeste kleren die worden ingezameld door ideële instellingen, gaan allang niet meer naar Afrika of Oost-Europa. Ze eindigen als matrasvulling, isolatiemateriaal of autobekleding....

Gerard Sassen is net Petrus aan de hemelpoort. Hij bepaalt welke van de kledingstukken naar de hemel gaan – dat is in dit geval Oost-Europa; welke nog aan een nadere inspectie onderworpen zullen worden, en dan naar Afrika afreizen; en welke naar de hel zullen afdalen – het recyclingbedrijf. Sassen (63) werkt bij Wieland Textiles, een van de grootste kledingsorteerbedrijven van Nederland. Hier worden dagelijks tientallen inzamelbakken geleegd. Sassen doet de eerste schifting.

‘Kijk, onze Marokkaanse medebewoner heeft de bak nu ook gevonden. Maar aan deze djellaba’s heb je niets. Het is allemaal zelfgemaakt en niet echt een mode-artikel. Alleen nog geschikt voor de poetslap.’ En hops, daar verdwijnt het in de bak ‘onbruikbaar’.

Uiteindelijk wacht de helft van de ingezamelde kledingstukken hetzelfde lot. Die verdwijnt door een gat in de grond. Daar, op zes meter diepte, staat de persmachine die de kleding tot grote balen samenperst. Van daaruit gaat de kleding naar een recyclingbedrijf.

Het beeld dat alle kleding voor het goede doel uiteindelijk als godsgeschenk wordt aanvaard door een Afrikaan of een andere armlastige wereldbewoner, is aan herziening toe. De goede doelen – of ze nu Kici, Humana of Leger des Heils heten – verkopen hun kleding direct door aan een commercieel sorteerbedrijf, die het voor het grootste deel naar een recyclingbedrijf doorstuurt.

‘Je moet even in de achterbak van je auto kijken’, zegt Ben Tingen, werkzaam bij Boer Groep Holland, het grootste kledingverwerkbedrijf van Nederland. ‘Zie je die bekleding daar? Haal eens een stukje los. Zie je die kleine vezeltjes aan de onderkant? Ja? Dat is je oude jas.’

Waar Wieland Textiles alleen de sortering doet, doet Boer alles. Het bedrijf heeft sorteercentra door heel Europa, en zelfs in Marokko en Dubai, maar doet ook de recycling zelf. ‘30 procent van de kleding gaat naar Afrika, 20 procent naar de rest van de wereld’, zegt Tingen. ‘Al het overige gaat naar de recycling.’

Dan begint de reis van het kleding stuk pas echt. Katoenen kleding wordt tot poetslappen versneden en geëxporteerd naar Australië, waar het wordt gebruikt in de mijnbouwindustrie. Wollen kleding gaat naar India, waar duizenden arbeiders de truien uit elkaar pluizen en er nieuwe wol van spinnen, waar vervolgens weer kleding van wordt gemaakt.

Kleding met een wat vagere signatuur wordt in kleine stukjes gehakt en tot pap gemengd. En belandt uiteindelijk als vulmiddel in matrassen en zitkussens, of als isolatiemateriaal in auto’s, vliegtuigen, muren en plafonds. ‘Als je het heel fijn perst heeft het een uitstekende geduiddempende kwaliteit en neemt het weinig ruimte in’, zegt Tingen. ‘Zelfs het allerslechtste textiel, verfbroeken bijvoorbeeld, vindt meestal nog wel een bestemming: daar wordt papier van gemaakt.’

Sorteerder Gerard Sassen probeert zoveel mogelijk kleren naar Afrika te sturen, want kleding die kleding blijft, levert het meeste geld op. Als het maar even kan, komt een vieze broek of een kapot overhemd dus in de bak Q2 terecht, de laagste Afrika-kwaliteit. ‘Dit bloesje is wel erg vaal’, zegt Sassen. ‘Dat is duidelijk Q2. Dan mag er nog best een vlekje op zitten, maar zweetplekken onder de oksel zijn dodelijk.’

Afrikanen worden de laatste jaren veeleisender, zegt ook directeur Hans Don: ‘Daar hebben ze ook satellieten. Ze zijn precies op de hoogte van het modebeeld en willen geen rotzooi meer dragen. Afrikanen willen ook een spijkerbroek van G-Star.’

Tegelijkertijd neemt de kwaliteit van de aangeboden kleding af. ‘Vroeger haalde je er bij bossen goede spullen uit, T-shirts van Lacoste en zo’, zegt Sassen, die al 45 jaar in het vak zit. ‘Nu is het vooral van dat Pakistaanse spul.

Twee keer wassen en het ziet eruit als een zak.’ Kledingstukken van Afrika-kwaliteit belanden vervolgens op tafel bij een van de broek-, overhemd- of truispecialisten. Die stellen pakketten samen, zakken van meestal zo’n 45 kilo. Deze gaan, via een groothandel, ongeopend door naar een Keniaanse of Tanzaniaanse marktkoopman.

De ideale samenstelling van de zak verschilt per land. In Kenia bijvoorbeeld is altijd veel vraag naar formele kleding. Don: ‘Als een handelaar alleen maar office shirts wil, hebben we wel een probleem, want Nederlanders hebben vaak wat meer casual overhemden. Tanzania wil die wel graag hebben. Die zijn minder Brits-georiënteerd en dus ook meer casual.’

Zelfs de allerarmsten nemen niet met alles genoegen. ‘Er is een tijd geweest dat Nederlandse dames broeken droegen met smalle pijpen en ritsen aan de onderkant’, zegt Don. ‘Die wil dus echt niemand hebben.’

En neem het vrouwencolbert, ook daar heeft Don jaren last van gehad. ‘Nederland was werkelijk het enige land waar damescolberts werden gedragen in de gekste kleuren. Je kunt ze nergens kwijt, maar ze zijn wel heel zwaar. Dat was echt een ramp.’

De laatste jaren is het Nederlandse modebeeld gelukkig minder uitgesproken. ‘Kijk hier, 17 ton kleding voor Wit-Rusland. Daar zitten prachtige outdoorjacks tussen. Dat is echt iets van de laatste tijd. Iedereen koopt zich scheel aan outdoorkleding.’

Op zo’n moment is het tijd om een nieuwe selectie te maken, die apart op de markt wordt gebracht. ‘We zien nu veel stretchtops met diepe decolletés’, zegt Don. ‘Kan dat nog wel doorgaan als dames-T-shirt, vragen we ons dan af. Of moeten we er een apart soortje van maken: lady tops. Als Kenia dat ook leuk vindt, doen we dat.’

De allerbeste kleding heet bij Wieland Textiles ‘crème’. Dat heeft niets met de kleur te maken, legt Hans Don uit, maar met crème de la crème. ‘Het mooiste van het mooiste.’

Slechts 10 procent komt in aanmerking voor die categorie. De meeste crèmekleding gaat naar Oost-Europa, waar het in mooie winkels komt te hangen. ‘Als een dure jurk heel erg modisch is, belandt-ie in een winkel in Moskou, Alma Ata, Warschau of Wroclaw, maar als-ie niet modisch is, wordt-ie verwerkt tot poetslap.’

In Nederland is bijna niemand geinteresseerd in de afdankertjes van landgenoten. ‘Wij zijn maar een heel klein radertje in het geheel’, zegt Bart Vink van Episode, een snelgroeiende keten van winkels voor tweedehandskleding. ‘Nog geen 0,5 procent van wat wordt ingezameld, is de moeite waard. Het zijn speldjes.’

Vink haalt zijn kleding bij sorteerbedrijf Boer vandaan. Goede tweedehandskleding is schaars en dus probeert Vink voortdurend nieuwe producten uit. ‘Van sportjackjes uit de jaren zeventig weet je nu wel dat het verkoopt. Wij verkopen bijvoorbeeld ook spijkeroverhemden. Dat loopt goed. Sommigen lopen er nóg in, anderen lopen er wéér in. Hippe meiden laten de bloes openhangen en stropen de mouwtjes op. Heren dragen er misschien wel cowboylaarzen onder.’ Ook bij Episode: nylon jassen met fluorescerende prints uit de jaren tachtig.

Vink: ‘De trendvolger moet daar nog hartelijk om lachen, het is echt iets voor mensen die vooroplopen.’

Vink koopt zijn spullen van Nederlandse tussenhandelaren die voor hem een partijtje hebben samengesteld. ‘Ik koop de spijkeroverhemden bijvoorbeeld per 25 kilo. Ik ga dat niet zelf uitzoeken. Vroeger zag je winkeliers nog wel zwemmen in bergen kleding, maar het is allemaal wat zakelijker geworden.’

Wie oude kleding zoekt, moet niet in Nederland zijn, zeggen Bernard Brouwer en Marijke Bijkerk van Lady Day, een winkel in de Amsterdamse Jordaan. ‘Wij halen niets uit Nederland. Eerder uit Frankrijk: het Franse goed is net wat eleganter. Of uit Amerika, Zweden en Finland. De kwaliteit van de kleding die wordt weggedaan is hoger. Nederland is erg afdragerig.’

Maar Lady Day is dan ook vooral op zoek naar heel oude kleding, liefst uit de jaren zestig en zeventig en als het kan nog ouder. ‘In Duitsland hebben ze veel grote huizen, met zolders waar kleding vaak tientallen jaren blijft liggen. In Nederland is de omloopsnelheid hoger.’

Nadat een kledingstuk van Gerard Sassen de status ‘crème’ heeft verkregen, wordt het door de Poolse dames van Wieland Textiles aan een allerlaatste inspectie onderworpen. Hier loopt een afgedankt Prada-jurkje – bestemd voor Oost-Europa – het risico alsnog te sneuvelen.

‘Prada is voor ons misschien interessant’, zegt directeur Don. ‘Maar een bloesje met een tijgerprint wordt in Oost-Europa misschien wel meer gewaardeerd.’ Oost-Europese vrouwen kleden zich volgens Don sowieso veel sexyer dan Nederlandse vrouwen. ‘Dat zien we in ons bedrijf ook. Als we eens per maand een borrel hebben, gaan onze Poolse meiden altijd eerst uitgebreid naar het toilet. Daarna zien ze eruit om door een ringetje te halen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden