Van Piet Emmer moet Haïti het niet hebben

Het is koloniaal om de Haïtianen voor te houden dat ze beter af waren geweest als ze niet waren opgestaan tegen hun slavernij, schrijft Alex van Stipriaan Luïscius....

Wat zouden de Haïtianen blij geweest zijn met de steun van de Leidse historicus Piet Emmer (Forum, 16 januari). Hij weet hen een ferm hart onder de riem te steken door hen voor te houden dat ze zich na dertien jaar zware strijd in 1804 beter niet onafhankelijk van Frankrijk hadden kunnen maken. Er zouden dan nu, net als Guadeloupe en Martinique ‘naast de natuurrampen zoals de recente beving, tenminste nog wat lichtpuntjes in de geschiedenis van dit land te ontdekken zijn’, stelt hij.

Hoe wrang dat Haïtianen zich in dit moment van nood niet kunnen vastklampen aan het lichtpuntje van voorouders, die nog bijna twee generaties langer in slavernij hadden kunnen leven, zoals op Guadeloupe en Martinique. En ook het lichtpuntje dat deze eilanden zich twee eeuwen in een weldadig Frans-koloniaal investeringsklimaat hebben mogen wentelen, hebben de Haïtianen daardoor moeten ontberen, zo spiegelt Emmer ons voor. Hadden de Haïtianen dat maar eerder bedacht, dan was de ramp nu allemaal zo veel gemakkelijker te verwerken en misschien zelfs wel minder hevig geweest, zo lijkt de suggestie.

Of analoog: was Nederland maar nooit in opstand tegen Spanje gekomen, dan hadden we misschien wel nooit een Duitse bezetting gehad en was de watersnoodramp minder hard aangekomen. Zoiets.

Maar wat moet je met zo’n counter factual history, en vooral, wat drijft een historicus om deze boodschap, kennelijk bewust getimed, juist nu naar voren te brengen?

Emmer somt een correcte, zij het selectieve waslijst historische ellende op die plaatsvond in het onafhankelijke Haïti. Dat hij daarbij de intensieve Amerikaanse bemoeienis met het eiland, inclusief een bezetting en decennia gedoogsteun aan de dictatuur niet noemt, is merkwaardig. Maar echt opvallend is zijn stilte over de 90 miljoen goudfranken die het onafhankelijke Haïti moest betalen aan de voormalige kolonisator Frankrijk ter compensatie van de verloren slaveneconomie. Het heeft Haïti bijna een eeuw gekost om dit bedrag te betalen. Toen het Franse parlement een aantal jaren geleden bij wet verklaarde dat de slavernij een misdaad tegen de menselijkheid is geweest, eiste Haïti zijn geld terug. Tot op heden geeft Frankrijk niet thuis. Hadden ze maar niet tegen een erkende misdaad tegen de menselijkheid in opstand moeten komen.

Je vraagt je af wat er met dat geld, nu zo’n 15 miljard euro, niet aan orkaan- en aardbevingresistente gebouwen en infrastructuur had kunnen worden neergezet, of hoeveel economische impulsen hiermee aan het eiland hadden kunnen worden gegeven. Dat dit dan wel onder VN-paraplu had gemoeten, vanwege corruptie en gebrek aan infrastructuur, is een gevolg van diezelfde slavernijgeschiedenis en zijn nasleep. Daarmee is uitdrukkelijk niet gezegd dat eigen, Haïtiaanse misdadige elites geen schuld zouden hebben aan de (onder-)ontwikkelingen.

Overigens is Emmer ook opvallend selectief in zijn vergelijking met de ex-slavenkolonies Guadeloupe en Martinique, die niet in opstand kwamen en nog steeds Franse overzeese gebiedsdelen zijn. Zo was het begin 20ste eeuw te danken aan de Franse gouverneur van Martinique dat alle 30 duizend inwoners van de toenmalige hoofdstad St. Pierre het slachtoffer werden van een lokale vulkaanuitbarsting.

En meer recent, begin 2009, liep de bevolking van Guadeloupe en Martinique massaal tegen Frankrijk te hoop vanwege de economische malaise. Pas toen de Franse regering de laagste inkomens een substantiële loonsverhoging toezegde en de prijzen van honderd eerste levensbehoeften drastisch liet verlagen, kwamen de wekenlange rellen en heftige stakingsacties ten einde. Zo paradijselijk is het daar nu ook weer niet. De vraag die echter het meest blijft hangen, is waarom Emmer, op het moment dat Haïti iedere steun kan gebruiken, een suggestie de wereld instuurt als zouden ze het allemaal aan zichzelf te wijten hebben door ooit tegen hun slavernij in opstand te zijn gekomen. Dat is nu niet direct de beste aanmoediging de Haïtianen te steunen.

Daarin blijkt Emmer echter heel consistent. Toen in Nederland nazaten van slaven hun terechte plaats in de geschiedenisboeken opeisten, ging Emmer slavernij en kolonialisme steeds meer vergoelijken als iets dat, hoe verwerpelijk nu ook, bij die tijd hoorde. Wat Emmer heeft gemist, is dat we als samenleving én als wetenschap alweer een stap verder zijn in de dekolonialisatie. De wetenschappelijk-rationele benadering waarop hij zich graag voorstaat, waarin voor emotie geen plaats is, is al lang ingehaald door juist de emotie expliciet te erkennen.

Terecht, want Emmers eigen werk laat zien hoe gevaarlijk het is dat niet te doen. Zijn Haïti-stuk lezend ontkom je niet aan het idee dat zijn boodschap is: had slavernij en kolonialisme nu maar aanvaard, dat hoorde er voor zwarten gewoon bij om deelgenoot te kunnen worden aan de witte beschaving. Zo’n boodschap verkondigen op een moment dat honderdduizend of meer doden zijn gevallen en miljoenen al eeuwen in de steek gelaten mensen de meest basale hulp ontberen, is niet alleen koloniaal, het is onverteerbaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden