Van ophouden willen weten

Niemand blijft eeuwig leven. Daarmee, schrijft verpleeghuisarts Bert Keizer in zijn nieuwe bundel, mag de mens zich gelukkig prijzen.

Toen dr. A.J. Dunning (1930-2009) in 1994 afscheid nam als cardioloog van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam sprak hij behartigenswaardige woorden over ontwikkelingen in de zorg. Er zijn, zei hij, biologische limieten aan ons bestaan en aan de schijnbaar eeuwigdurende vooruitgang in de medische wetenschap die haar onontkoombare begrenzing vindt in de dood. Met het zoeken naar verbeteringen in de medische technologie zijn steeds hogere kosten gemoeid. Het resultaat daarvan is een afnemende meeropbrengst, terwijl de zorgvraag vanuit een snel vergrijzende samenleving een steeds groter beslag op het overheidsbudget zal gaan leggen.


De schoenen van Fra Angelico, gaf Dunning zijn afscheidsrede als titel mee. Hij verwees hiermee naar het altaarstuk dat de schilderende monnik van die naam in 1433 voltooide. De afbeelding toont een opmerkelijke medische ingreep: het door gangreen aangetaste been van een koster uit Rome wordt vervangen door het gezonde lichaamsdeel van een Ethiopiër. Niet zozeer de operatie trekt de aandacht, als wel de schoenen van de patiënt, die alvast onder het bed zijn klaargezet. Ze symboliseren het rotsvaste vertrouwen in het medisch kunnen in het algemeen en in de goede afloop van deze onmogelijke onderneming in het bijzonder.


Een riskante combinatie van (zelf)overschatting en fundamenteel onvermogen doen de geneeskunde uiteindelijk de das om, luidde Dunnings boodschap. Bijna twintig jaar na deze rede blijkt dat er slecht naar zijn waarschuwing geluisterd is. Het vertrouwen in de geneeskunde is, sinds het vernis op Fra Angelico's schilderstuk droogde, alleen maar toegenomen, terwijl het oproer in de samenleving kraait als de vraag aan de orde komt hoe het almaar krimpende budget voor de (bejaarden)zorg moet worden verdeeld.


Onder gunstige omstandigheden is het menselijk lichaam gebouwd op zo'n veertig redelijk gezonde jaren. Inmiddels is die limiet opgerekt tot zestig. Niet lang daarna zet het verval in - de eerste leesbril is een teken dat het eind in zicht komt - en begint het steunen, piepen en kraken, gevolgd door ernstiger aandoeningen waartegen steeds minder kruid gewassen is.


De gemiddelde levensduur mag dan zijn toegenomen, de toegevoegde jaren worden er meestal niet leuker op. Dienen de onvermijdelijke kwalen zich eenmaal aan, dan zijn ze doorgaans langdurig en slepend. Behandelingen en steeds rigoureuzere ingrepen leveren steeds minder resultaat op, terwijl we er steeds dieper voor in de buidel moeten tasten. Zo keert de wal het schip. De dood is onverbiddelijk. Want al wordt het heenwijzend bedoelde memento mori zelden nog gehoord, het eeuwige leven is niemand gegeven.


De recente bundel van verpleeghuisarts Bert Keizer - hij maakte eerder naam met Het refrein is Hein, Waar blijft de ziel? en Onverklaarbaar bewoond - illustreert hoe gelukkig de mens zich mag prijzen met deze zo onaantrekkelijk lijkende zekerheid. Een mens moet van ophouden weten, zoals ethicus H.M. Kuitert het ooit formuleerde. Dat geldt zowel voor de patiënt als voor de behandelend arts. In de beperking, aldus Keizer, toont zich de meester. En de medicus die deze stelregel onderschrijft kan in de laatste levensfase een zegen voor zijn patiënten zijn, al zijn er ook die het liefst tot halverwege de crematie blijven doorbehandelen.


Tumult bij de uitgang, heet Keizers jongste. De ondertitel - Lijden, lachen en denken rond het graf - geeft aan dat in dit tumult het hele spectrum aan houdingen en gedragingen van alle betrokkenen bij de laatste levensfase van mensen die sterven het onderwerp is van deze gebundelde beschouwingen. Belangrijk uitgangspunt is dat het besef van sterfelijkheid het medicijn moet zijn dat het leven draaglijk maakt. Vanzelfsprekend is dat niet.


Vóór de evolutie onze verre voorouders met zelfbewustzijn opscheepte, was dat besef er niet. Stierf er een soortgenoot, dan stonden ze er niet bij stil dat dit lot ook hun onherroepelijk wachtte. Met de ontwikkeling van het bewustzijn kwam ook de prangende vraag op naar de zin van het leven. Waartoe deze ellende? Er ontstonden religies die pretendeerden daarop het antwoord te kunnen geven.


Een omgekeerde wereld was het gevolg. De zin moest niet langer worden gezocht in dit ellendig tranendal, maar in wat hierna zou komen: het eeuwig leven. Dit geloof in (postume) onsterfelijkheid gaf de burger weer moed. Tót God en zijn hiernamaals uit de gratie raakten. Sindsdien geldt de dood als het kwaad in optima forma, dat met alle middelen moet worden bestreden, zo lang mogelijk met hulp van de medische wetenschap en de sportschool uitgesteld of wellicht zelfs overwonnen. En zo verdween niet alleen God uit onze cultuur, maar ook de dood.


Voor Keizer, die als arts vooral patiënten in de laatste fase van hun leven meemaakt, is de dood in feite de ultieme zin van het leven. Wij zijn macromoleculen. En om het evolutieproces niet onnodig op te houden, dient er flink gestorven te worden. Onsterfelijkheid zou het leven pas echt zinloos maken. Juist het vooruitzicht dat er ooit een eind aan komt, houdt ons gaande en maakt het verblijf in dit ondermaanse nog enigszins acceptabel. Aan de hand van vaak schrijnende maar steeds met scherpe, humorvolle pen beschreven voorbeelden uit zijn dagelijkse praktijk illustreert Keizer deze stelling.


Zijn onderwerpkeuze waaiert daarbij breed uit, van bijnadoodervaringen ('onzin') en het bestaan van een menselijke ziel (idem), via nepmiddelen tegen alzheimer ('u kunt net zo goed ander behang nemen'), onheuse nabestaanden ('Nu heeft moeder eindelijk rust.' 'Ja, en wij ook!') en hospices voor stervenden ('een vernietigende aanklacht tegen de palliatieve onkunde binnen ziekenhuizen') tot de dementerende bejaarde die tot vervelens toe verklaart een zoute haring zijn leven lang lekkerder te hebben gevonden dan klaarkomen.


Keizer schreef een boek waarvan iedere sterveling wijzer wordt. Een boek dat tegelijkertijd troost biedt, zelfs aan iemand die, ongeneeslijk ziek, beseft dat zijn dagen geteld zijn. Want met de idee van een vluchtig kiertje licht tussen twee eeuwigheden duisternis, zoals Nabokov ons onaanzienlijke bestaan schetste in Geheugen, spreek, valt te leven. Met het vooruitzicht van een eeuwig leven, hetzij hier op aarde, hetzij in een koninkrijk der hemelen, niet.


Als Keizers boek ergens een pleidooi voor is, is het dus voor een eervolle comeback van de dood in de westerse cultuur. Een krantenbericht van enkele weken terug illustreert dat op aangrijpende wijze. Daarin wordt melding gemaakt van twee 86-jarige Franse echtelieden die, uit vrees door de dood van elkaar te worden gescheiden en in de wetenschap dat euthanasie in Frankrijk bij wet verboden is, kozen voor een gezamenlijk einde. Een kellner van de roomservice vond ze, hand in hand en met een plastic zak over het hoofd, in bed op een kamer in het chique Parijse Hotel Lutetia. Wat een zegen om van ophouden te willen weten, al zou je elk mens een mildere dood dan deze gunnen.


Bert Keizer: Tumult bij de uitgang - Lijden, lachen en denken rond het graf.

Lemniscaat; 253 pagina's; euro 19,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden