Van imperium naar ‘derderangs natie’

De interventie bij het Suezkanaal was de laatste poging nog iets van het Britse imperium te redden. Premier Anthony Eden moest een half jaar later aftreden....

‘Ineens zijn we van een wereldmacht een derderangs natie geworden’, omschreef de Britse VN-ambassadeur Sir Pierson Dixon in 1956 de gevolgen van de Suez-crisis. Het was een historisch keerpunt: het moment waarop de Britse troepen zich terugtrokken uit de Suezkanaalzone was het moment waarop het Britse imperium formeel ophield te bestaan.

In 1956 leefde Groot-Brittannië eindelijk weer op. De littekens van de Tweede Wereldoorlog waren na elf jaar wederopbouw geheeld. Londen had zijn eerste espressobars gekregen, er was televisie, sommigen konden zich de aankoop van een wasmachine permitteren of zelfs een auto, en jongeren luisterden naar Elvis Presley en Rock Around The Clock.

Een jaar eerder was Sir Anthony Eden de oude Winston Churchill opgevolgd als premier. Vier jaar eerder, toen Eden nog minister van Buitenlandse Zaken was, had een groep Egyptische officieren een coup gepleegd en koning Faroek verdreven. Hoewel Egypte al sinds 1922 onafhankelijk was, waren er toen nog altijd 80 duizend Britse militairen gelegerd, het grootste garnizoen buiten het eigen land.

Kolonel Gamal Abdel Nasser, die in Egypte als de nieuwe sterke man was opgestaan, zag de militairen als bezetters en eiste hun terugrekking. Maar in ruil daarvoor wilde hij niet deelnemen aan een front tegen de Sovjet-Unie. Wel eiste hij van de Britten en de Amerikanen financiële steun voor de bouw van de prestigieuze Aswan-stuwdam in de Nijl. Begin 1956 trokken de Britten en Amerikanen hun toezegde steun echter in. Nasser zocht toevlucht tot de Sovjet-Unie en nationaliseerde in juli 1956 het Suezkanaal.

Eden was woedend en gaf zijn generaals opdracht een invasie voor te bereiden. Het Suezkanaal had voor Eden niet alleen een grote strategische waarde in de Koude Oorlog, maar was ook een vitale verbinding. De helft van de wereldolieproductie ging door deze vaarweg. In een radioboodschap noemde hij de nationalisatie onacceptabel en beschreef Suez als de slagader van het Britse imperium. Nasser noemde hij de nieuwe Mussolini.

Een maand later waren er al 20 duizend reservisten opgeroepen. Maar er was geen stok om mee te slaan. Nasser legde de Britse schepen noch die van andere landen iets in de weg en viel ook geen Britse onderdanen aan. Daarnaast voelde de Amerikaanse president Dwight Eisenhower er niets voor ‘een koloniale oorlog van de Britten’ te steunen, hoewel zijn minister van Buitenlandse Zaken John Foster Dulles in Londen ambivalente boodschappen achterliet.

Maar de Fransen – die het kanaal hadden gebouwd en exploiteerden – boden ineens een helpende hand. Op 22 oktober 1956 nodigde de Franse minister van Buitenlandse Zaken Christian Pineau zijn Britse collega Selwyn Lloyd uit voor geheim overleg in een Parijse villa in de buitenwijk Sèvres. Bij dit overleg waren ook de Israëlische premier David Ben-Goerion en zijn medewerkers Moshe Dayan en Shimon Peres aanwezig.

Er werd een geheime afspraak gemaakt: Israël zou op 29 oktober 1956 Egypte in de Sinaï aanvallen. Groot-Brittannië en Frankrijk zouden interveniëren als zogenoemde vredesstichters. In werkelijkheid wilden ze het Suezkanaal terughebben en Nasser van de troon stoten. Het was een illegale samenzwering, zo wist iedereen. ‘Er werd champagne geserveerd, maar er was weinig sprankeling in de lucht’, schreef een Britse generaal.

Zoals afgesproken viel Israël op 29 oktober de Sinaïwoestijn binnen. De volgende dag stelde Edens ambassadeur in Caïro Egypte een ultimatum, waarin Nasser werd verordonneerd zijn troepen weg te halen uit de kanaalzone. Nasser weigerde, waarna Britse vliegtuigen de complete Egyptische luchtmacht vernielden met het verlies van twee piloten. Een krant kopte: ‘Het is weer GROOT-Brittannië.’

Maar de euforie sloeg niet over op het volk. Op Trafalgar Square werd gedemonstreerd. In het Lagerhuis was er woede. En zelfs de neef van de koningin en oorlogsheld Lord Mountbatten veroordeelde de invasie. Eden loog dat hij niets van de Israëlische invasie afwist. ‘We hadden nooit gedacht dat een Britse regering zo stom en achterbaks zou kunnen zijn. Nooit heeft het land zich zo onpopulair gemaakt’, schreef The Observer.

Op 5 november landden de Britse en Franse troepen in Egypte. Er was geen Egyptisch leger dat hen iets in de weg legde. De triomf leek compleet.

Maar na 50 kilometer werden de troepen gelast de opmars naar Suez te stoppen. President Eisenhower had ingegrepen. Omdat het pond onder grote financiële druk stond, had hij een wapen om de Britten tot de orde te roepen. Minister van Financiën Harold MacMillan vertelde zijn premier dat gezien de economische en financiële situatie geen andere oplossing mogelijk was dan de invasie te stoppen.

Op 6 november legde Eden met een bleek gezicht en wallen onder zijn ogen een ‘vernederende verklaring’ af in het Lagerhuis. Een half jaar later trad hij om gezondheidsredenen af. Het imperium was verloren en de laatste imperialist was uit de regering verdwenen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden