Van het gif in de drup

Bestrijdingsmiddelen in de landbouw kunnen veel effectiever worden gebruikt in combinatie met hulpstoffen. Dat lijkt goed voor het milieu. Maar ook hulpstoffen kunnen schadelijk zijn....

MET bestrijdingsmiddelen in de landbouw is het als met het paard van Troje dat Odysseus bedacht. De Trojanen zouden het houten bouwsel nooit hebben binnengehaald als ze hadden geweten wat erin verstopt zat. Eenmaal binnen de stadspoorten konden de Grieken, na een belegering van tien jaar, de stad Troje eindelijk innemen.

Voor bestrijdingsmiddelen bestaat een vergelijkbare list in de vorm van hulpstoffen. Over deze adjuvants congresseerden deze week in Amsterdam honderden deelnemers uit de gezondheidszorg, farmacie, land- en tuinbouw, overheid en het bedrijfsleven. Uit de hele wereld. En dat gebeurde net nu de agrarische sector opnieuw in de clinch ligt met de overheid en milieuorganisaties over het middelengebruik.

Nadat een regen van opgespoten pesticiden is neergedaald op het te verdelgen onkruid, moet het gif die planten binnendringen om ze te kunnen doden. Maar veel gif lost slecht op in water en kan dus niet door de buitenkant van het blad heen. Het blijft als druppeltjes op het blad liggen, verwaait daarna in de lucht of valt op de grond of in het oppervlaktewater. Daarom worden hulpstoffen toegevoegd, zoals oplosmiddelen, emulgatoren en oliën. Daarmee krijgen de pesticiden wél toegang tot hetonkruid. Of insecticiden tot een insect.

Na de Tweede Wereldoorlog nam het gebruik van bestrijdingsmiddelen zeer sterk toe. In de jaren zeventig en tachtig kwam er kritiek. De chemische middelen hadden onverantwoorde gevolgen voor mens en milieu. Toch was een manier om het middelengebruik terug te dringen, al voorhanden.

Want tot verrassing van de wetenschappers bleek het gebruik van de hulpstoffen, zoals zeepachtige verbindingen, oliën, ureum en ammoniumsulfaat, een onverwacht bijeffect te hebben: ze maakten de bestrijdingsmiddelen stukken effectiever. Het bleek dat de hulpstoffen de bestrijdingsmiddelen als het ware 'inpakken' en meevoeren de plant in.

Dr. Hans de Ruiter van Plant Research International in Wageningen: 'De hulpstoffen verbeterden de bevochtiging van bladeren en konden de opname van een middel in een plant aanzienlijk verhogen. Hierdoor kon de benodigde dosering van een gewasbeschermingsmiddel flink worden verlaagd.'

Door de bestrijdingsmiddelen in te pakken, fungeerden de hulpstoffen als een eigentijds paard van Troje. Bij het uitroeien van de veel voorkomende zwarte nachtschade bijvoorbeeld, kon de opname van bestrijdingsmiddelen in de plant met 80 procent worden verhoogd. En voor het middel metoxuron (gebruikt als loofdoodmiddel bij aardappelen) kon de dosering liefst acht keer lager uitvallen dankzij de toevoeging van hulpmiddelen.

De Ruiter: 'Dat zijn weliswaar de resultaten van proefopstellingen, maar ook boeren en tuinders halen uitstekende resultaten. Sinds de jaren zestig is er vooral in de Verenigde Staten veel onderzoek gedaan naar de technieken om planten beter te bevochtigen en vervolgens te garanderen dat de pesticiden beter worden opgenomen. Bovendien worden er hulpstoffen ontwikkeld die ontsnapping van de bestrijdingsmiddelen naar de lucht door drift (verwaaien van druppels) of door verdamping kunnen terugdringen.'

De Ruiter was deze week voorzitter van het zesde International Symposium on Adjuvants for Agrochemicals (ISAA 2001), over de hulpstoffen in de agrochemie. Het driejaarlijkse congres werd voor het eerst op het Europese vasteland gehouden. Behalve over de zegeningen van hulpstoffen in de agrochemie, werd ook stilgestaan bij de problemen.

'Het gegeven dat veel hulpstoffen op hun beurt ook niet allemaal even goed zijn voor mens en milieu, is een beladen onderwerp', zegt De Ruiter. 'Als je in maïspercelen een bestrijdingsmiddel gebruikt tegen kamille of hanenpoot, wil je natuurlijk niet dat de hulpstoffen vervolgens het maïs aantasten of andere organismen ziek maken. Of dat de stoffen in het oppervlaktewater terechtkomen en daar vissen of watervlooien doden.'

Leveranciers en wetenschappers gingen dus op zoek naar toevoegingen die minder belastend zijn voor het milieu. 'Sommige bedrijven zijn wat conservatiever dan andere in het vinden van alternatieve hulpstoffen', zegt De Ruiter. 'Het hangt af van het eigen verantwoordelijkheidsbesef en van de druk die ze voelen van regeringen.'

De VS kent al sinds 1987 wetgeving over de toegelaten giftigheid van hulpstoffen en de afbreekbaarheid van die stoffen in het milieu. Ook Frankrijk stelde strikte regels op. Akzo Nobel speurt naar suikers en alcoholoplossingen als hulpstoffen die een alternatief kunnen vormen voor de uiterst giftige en in een aantal landen verboden hulpstof nonylfenol.

Drs. Mark Montforts van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) houdt zich bezig met risicoanalyse van de hulpstoffen. Hij was één van de sprek

s op het congres. 'Van zo'n twintig stoffen zou ik bij voorbaat niet durven beweren dat ze veilig zijn. Nonylfenol en de minerale oliën, die veel als hulpstoffen worden gebruikt, horen op dat lijstje.'

Er zijn twee toepassingen: de hulpstoffen zijn bij aankoop al vermengd met het bestrijdingsmiddel, of het preparaat wordt toegevoegd aan het gif. Dan heeft de boer de dosering in de hand en valt de hulpstof buiten de Nederlandse Bestrijdingsmiddelenwet.

Met als gevolg dat deze toepassing niet wordt beoordeeld op haar milieu- en gezondheidseffecten door het College Toelating Bestrijdingsmiddelen (CTB), waarvan oud-staatssecretaris Dick Tommel voorzitter is.

Het college beoordeelt weer wel de kant en klaar verkochte mix van bestrijdingsmiddelen en hulpstoffen. Maar het CTB geeft weinig prioriteit aan de beoordeling daarvan. Montforts van het RIVM: 'Het CTB beoordeelt vooral de effecten van de middelen voor de gebruikers. Effecten op het milieu op de lange termijn worden niet beoordeeld.'

Dat gaatje in de wet kan worden gerepareerd in het nieuwe stoffenbeleid van het ministerie van VROM. Dit beleid, SOMS (Strategisch Omgaan Met Stoffen), werd deze zomer in de Tweede Kamer behandeld. Het RIVM zou volgens Montforts een rol kunnen spelen bij een inhoudelijke beoordeling van hulpstoffen.

'Van de meeste stoffen ontbreken gegevens om de risico's voor mens en milieu in te schatten', zegt Montforts. 'Van een aantal stoffen, zoals nonylfenol en minerale oliën weten we meer en dan moet je vaststellen dat er vaak risico's aan kleven. We komen dus niet zo veel verder. Maar je kunt zeker niet zeggen: het zit wel goed.'

Toch ziet Montforts de ontwikkeling van de hulpstoffen als positief. 'Vooral omdat het bedrijfsleven daarmee probeert het gebruik van bestrijdingsmiddelen terug te dringen. Dat is winst voor het milieu. Maar we zullen de hulpstoffen terdege moeten beoordelen.'

Hoogleraar milieukunde prof. dr. Lucas Reijnders kan de beoordeling niet snel genoeg gaan. Hij ziet weinig zonnige kanten aan het gebruik van de hulpstoffen. 'Je kunt de effectiviteit van de bestrijdingsmiddelen wel verhogen met deze stoffen, maar tegen welke prijs? Als je de mijt wilt bestrijden en je roeit meteen zijn natuurlijke vijand uit, kom je van de regen in de drup. Het gaat dus om de vraag wat de neveneffecten zijn. Als het organisme dat je wilt bestrijden, beter wordt aangepakt dan de organismen in de buurt, kan er een voordeel in zitten.'

Het meest gebeten is Reijnders op de zogeheten surfactants, de zeepachtige hulpstoffen die de oppervlaktespanning van bladeren of insecten verlagen en daardoor beter binnen te dringen zijn. 'Met die surfactants schiet je geen bal op. Want die werken op alle insecten even sterk. Dan is het middel zelfs erger dan de kwaal.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden