Beschouwing

Van Gogh als uitzonderlijk getalenteerde eenling

Beschouwing Van Gogh & Co

Niet de mythe, maar het werk. 'Van Gogh & Co' gaat terug naar de bron; werk dat wordt getoond in de directe omgeving van Vincents voorgangers, tijdgenoten en de eerste generatie ná hem.

Detail uit Vincent Van Gogh, Caféterras bij nacht (Place du Forum), circa 16 september 1888. Beeld Stichting Kröller-Müller Museum

Honderdvijfentwintig jaar na zijn zelfmoord in juli 1890 is de naam Vincent van Gogh onwrikbaar verankerd in de culturele canon en ons collectief bewustzijn. Elk bericht uit andere tijden over de kunstenaar wekt vrijwel automatisch de indruk van een anekdote uit de categorie 'tsss-hoe-is-het-mogelijk'. Dankzij Van Goghs postume verblijf hoog op de Parnassus is elk oud verhaal direct een sterk verhaal.

Dit is er zo eentje: in Nederland was het Frederik van Eeden die als eerste publiceerde over Van Goghs oeuvre. In 1891 introduceerde Van Eeden in het tijdschrift De Nieuwe Gids de kunstenaar bij de Nederlandse lezer. Tijdens Van Goghs leven waren er niet of nauwelijks kritieken over zijn werk verschenen. Opmerkelijk is de nadruk waarmee Van Eeden zich verexcuseert voor zijn waardering voor Van Gogh. Alsof hij een guilty pleasure opbiechtte. Hij was slechts een leek, benadrukte Van Eeden, en zou dus vast en zeker voor zijn bewondering worden bespot: 'Van Gogh zal zoo moeilijk hoog gesteld worden. Want het groote publiek lacht hem uit.' En: 'Schilders halen de schouders op voor zijn werk.' Van Eeden betreurde het dat Nederlandse kunstenaars uit die jaren, zo men zijn werk al kende, Van Goghs oeuvre beschouwden als 'iets ziekelijks, iets geforceerds, iets mislukts'.

De eerste Van Gogh-overzichtstentoonstelling in Nederland was in 1905, in het Stedelijk Museum Amsterdam. Curatoren van het Stedelijk waagden zich niet aan die tentoonstelling, die was georganiseerd door Johanna Bonger, de weduwe van Vincents broer Theo die kort na zijn broer was overleden. 'Van Gogh in het Stedelijk' ontving gemengde kritieken en was geen publiekstrekker. Er kwamen rond de dertig mensen per dag op af. Rond diezelfde tijd bood Jo Bonger het Rijksmuseum een aantal schilderijen van Van Gogh in bruikleen aan. Maar het Rijks wees het aanbod vriendelijk doch beslist van de hand. Het (beleefdheids)argument: 'past niet in de collectie'.

Henri Fantin-Latour, Roses sur fond sombre (Rozen tegen donkere achtergrond/Roses Against a Dark Background), 1880, Beeld Stichting Kröller-Müller Museum

Gewaagd

In 1960 richtte de zoon van Theo en Jo, Vincent Willem van Gogh, de Stichting Vincent van Gogh op. Een belangrijke doelstelling van de stichting was de bouw van een aan Van Goghs oeuvre gewijd museum. In dat museum, zo was het toen gewaagde idee, konden alle kunstwerken in het bezit van de stichting permanent worden getoond. Voor velen was dat idee té gewaagd. Aan de opening van het Van Gogh Museum in Amsterdam ging jarenlang een heftig debat vooraf. Tegenstanders vonden zo'n museum getuigen van een totaal overtrokken persoonsverheerlijking. En áls er dan zo'n museum voor en over één kunstenaar moest komen, dan liever voor tijdgenoten van Van Gogh die dit méér en eerder verdienden dan hij Breitner bijvoorbeeld. Of Jozef Israëls.

Verder meenden tegenstanders dat een Van Goghmuseum goed kon uitlopen op een zakelijk en artistiek debacle, zeker in een tijd - de jaren zestig - dat kunstcritici zijn pijlsnel populair geworden oeuvre als overschat aanmerkten. Volgens die tegenstanders was de kans reëel dat Van Goghs postume statuur even snel zou verdampen als die was gegroeid.

Dwars tegen die bezwaren in stelde de Stichting Van Gogh 15 miljoen gulden ter beschikking voor de bouw van het museum. De Nederlandse staat droeg bij met een overheidssubsidie die eveneens in de miljoenen liep. Deze subsidiëring werd door kunstenaars uit de jaren zestig en begin zeventig ervaren als een affront. De BBK, de ook nu nog bestaande Beroepsvereniging voor Beeldend Kunstenaars, sloot zich aan bij de tegenstanders van het museum. De vereniging meende dat het overheidsgeld beter kon worden besteed aan financiële steun voor eigentijdse kunstenaars. Het werk van deze kunstenaars was, aldus de BBK, origineler en tegendraadser dan de inmiddels tot folklore gestolde 'gevoels-expressie' van de eigenaardige eenling uit Arles.

Vincent van Gogh, Bloemen in blauwe vaas (Flowers in a Blue Vase), circa juni 1887. Beeld Stichting Kröller-Müller Museum

Wit gevaarte

In 1969 werd op het Museumplein symbolisch en feestelijk de eerste paal voor het museum geslagen. Leden van de BBK hadden voor die gelegenneid uit protest een enorm groot gipsen oor op het Musuemplein geplaatst, een wit gevaarte met druipende bloedstrepen aan de randen. Van Gogh had destijds tenminste nog zélf zijn oor afgesneden. Maar een kleine tachtig jaar na dato rukte de Nederlandse overheid honderden hardwerkende kunstenaars en potentiële Van Goghs-voor-de-toekomst hún het oor af door hen de subsidie te onthouden die nu voor de bouw en het beheer van het museum was vrijgemaakt. 'Wij van de BBK leggen dit gipsen oor op het Museumplein. Waarom legt de Nederlandse staat het oor niet te luisteren bij talloze behoeftige kunstenaars van nu?'

Inderdaad: 'andere tijden'. De protesten tegen het Van Goghmuseum zijn verschrompeld tot een van de schier ontelbare details die tesamen de cultus rond Van Gogh alleen maar versterken. Inmiddels totaal vergeten opgewonden standjes hielden tiranniek de hand op bij de overheid, en deelden met de andere hand dodelijk bedoelde petsen uit aan 'de hopeloos ouderwetse elite' die het waagde Van Goghs oeuvre op het schild te hijsen. Het verhaal vormt een fijn contrast met de spartaans levende Van Gogh voor wie de instituties in de kunst zich op een andere planeet leken te bevinden en die in al zijn onbegrepenheid en onafhankelijkheid tegelijk volstrekt afhankelijk was van die ene persoon die hem wél begreep en navoelde: zijn broer Theo. Bij die romantische notie is het nog altijd fijn zwijmelen.

Anno 2015 is het knap lastig om ook maar één kunstenaar te noemen die Van Gogh overschat noemt en die zich verzet tegen de wereldwijde waardering voor zijn werk. Van de 23 hedendaagse kunstenaars en schrijvers die in het Van Gogh Museum deelnemen aan de tentoonstelling 'When I give, I give myself', toegespitst op fragmenten uit van Goghs brieven, is geen glimpje kritiek op (de waardering voor) de kunstenaar te ontdekken. Hooguit worden er heel voorzichtig kanttekeningen geplaatst bij die eerdergenoemde mythevorming rond leven en werk.

Vincent van Gogh, La butte Montmartre (The hill of Montmartre), april - mei 1886. Beeld Stichting Kröller-Müller Museum

Vertakkingen

Die mythe dreigt steeds nadrukkelijker het zicht te ontnemen op het oeuvre zélf. Erger: dat oeuvre lijkt soms te fungeren als een voetnoot bij de mythe in plaats van andersom.

En die mythe kent inmiddels vele vertakkingen. Rond van Gogh als 'psychiatrisch patiënt' floreert inmiddels een heuse sub-industrie binnen de lucratieve industrie die het product 'Vincent' wereldwijd rondpompt. Die sub-industrie richt zich op Van Goghs vermeende persoonlijkheidsstoornissen. Psychiaters en andere zielsdeskundigen scheiden massaal publicaties af waarin zij diagnosen stellen van patiënt Van Gogh. Het scheelt niet veel of dat aantal diagnosen loopt in de honderden, met telkens een nieuwe uitkomst. Vincent als borderliner. Vincent als dwangneuroticus. Vincent als man met een messiascomplex. En zo verder.

De mooiste titel uit die boeken over patiënt van Gogh is wel De Van Gogh blues. Creativiteit en depressie uit 2002, geschreven door ene Eric Maisel. PhD, staat er achter zijn naam, ook van de Nederlandse vertaling. Het is een zelfhulpboek voor creatieve geesten die lijden aan de blues die Van Gogh ook zijn levenlang in de greep hield. Stapje voor stapje biedt dit zelfhulpboek een uitweg. De hoofdstuktitels in dit boek vormen alleen al een attractie, met hoofdstuk drie als hoogtepunt: 'Kiezen om belangrijk te zijn'.

Nu er inmiddels twee boekenplanken aan Van Gogh-biografieën bestaan (recent kwam er weer een bij, een mooi en geserreerd verteld verhaal door de vermaarde kunstcriticus Julian Bell) en nu zijn leven zo vaak is verfilmd dat zelfs de ijverigste Van Gogh-watcher de tel is kwijtgeraakt, spitsen schrijvers over Van Gogh zich toe op een specifieke periode uit zijn leven of op een facet van zijn persoonlijkheid. Van Gogh in de Belgische Borinage: er kwam recent een tentoonstelling over, en een boek. Over Vincents opname wegens 'acute manie' in het hospitaal in Saint Remy in Zuid-Frankrijk bestaat inmiddels een boek dat geheel is gewijd aan Théophile Peyron, de directeur-geneesheer van die kliniek. Over Van Goghs zeer korte periode als jongste bediende bij een kunsthandel in Londen is een boek in voorbereiding.

Vincent van Gogh, De zaaier (naar Millet)/ The Sower (after Millet), januari 1890. Beeld Stichting Kröller-Müller Museum

Populairder dan Jezus?

Het aantal tentoonstellingen waarin Van Goghs werk direct in verband werd gebracht met 20ste-eeuwse kunst nam de afgelopen vijftien jaar hand over hand toe. Voorlopig hoogtepunt was, in 2003, 'Go(Gh) Modern' in het van Gogh Amsterdam. Die tentoonstelling was losjes gebaseerd op de veronderstelling dat iedere 20ste-eeuwse kunstenaar zich wel móét verhouden tot Van Gogh. 'Go(Gh) Modern' stuwde de betekenis van Van Gogh op tot dat van een voor iedere hedendaagse kunstenaar onvermijdelijk koninkrijk waarbinnen geheel eigen wetten heersten over 'gebaar', 'kleur', 'natuur' en 'mens'. Rond die vier pijlers werd werk getoond van een heel regiment van Groten uit de 20ste eeuw: van Pollock tot Frank Stella, van Barnett Newman tot Bruce Nauman, van De Kooning tot Anselm Kiefer, van Arbus tot Abramovic. Hun werken bevinden zich als planeten in het melkwegstelsel dat Vincent heet.

Waar eindigt dit? Wanneer draait de wereldwijde Van Gogh-mythe dol? Wordt Van Gogh ooit 'more popular than Jesus', zoals John Lennon ooit zei over The Beatles? Misschien is dit laatste al zover. Of is het verzadigingspunt nog lang niet bereikt?

Naar aanleiding van de honderdste sterfdag van Van Gogh in 2000 toonde museum Kröller-Müller, dat beschikt over de een na grootste collectie Van Gogh-werken ter wereld, affiches die waren geënt op diens oeuvre, vervaardigd door, opnieuw, hedendaagse Groten die onmiskenbaar door hem waren beïnvloed. Onder de makers van die affiches waren Arnulf Rainer, Roy Lichtenstein en Willem de Kooning. Ook dit initiatief uit 2000 benadrukte Van Goghs statuur als monument waartoe iedere kunstenaar van nu zich bijna verplicht is te verhouden.

Bart van der Leck, Zaaier (Sower), 1921. Beeld Kröller-Müller Museum

Traditioneel

Maar dit jaar pakt Kröller-Müller het met de tentoonstelling 'Van Gogh & Co' even ontnuchterend als ontwapenend traditioneel aan. Met 'Van Gogh& Co' gaat het museum terug naar de bron, terug naar het oeuvre zelf, dat wordt getoond in de directe omgeving van Van Goghs voorgangers, tijdgenoten en van de eerste schildersgeneratie ná hem.

Heel degelijk, op het schoolse af, heeft men in Kröller-Müller de eigen collectie van Van Gogh-werken verdeeld in de secties 'natuur', 'stads- en dorpsgezichten', 'stillevens' en 'de menselijke figuur'. Van Goghs schilderijen en tekeningen worden gestut door, eveneens uit de eigen collectie, werken van Signac, Seurat, Weissenbruch, Toorop, Breitner, Bas van der Leck en anderen van vlak vóór, tijdens en na Van Goghs tijd. Het aardige is dat deze keurige aanpak, na al die tentoonstellingen over Van Gogh als oerbron voor eigentijdse kunstenaars, opmerkelijk verfrissend is. Het merk wordt weer een mens, een levende gestalte, tot wiens oeuvre je in het Kröller-Müller Museum heel nabij kunt komen.

De kunstenaar wordt nu eens niet nadrukkelijk als het getroebleerde genie gepresenteerd, maar als een uitzonderlijk getalenteerde eenling - niet meer, maar zeker ook niet minder. Alle werken worden getoond zonder opsmuk, poeha en mythe-bevestigende tierlantijnen. Géén ronkende zaalteksten, maar secuur geselecteerde fragmenten uit Van Goghs brieven illustreren op zaal zijn schilderijen en tekeningen. In het Kröller- Müller wordt de mythe gedurende 'Van Gogh & Co' voor even in de wacht gezet. Uitsluitend het oeuvre krijgt ruim baan. De brieven, de schilderijen, de tekeningen - opmerkelijk genoeg in die volgorde. De rest is weggepoetst - de rest is namelijk ruis.

Natuurlijk zal het ons nooit meer lukken om naar een werk van Van Gogh te kijken met de blik van Frederik van Eeden, nog niet beïnvloed door de geringste mythe dan ook. Maar in het Kröller-Müller slaag je er wel in om voorzichtig een voorstelling te maken van Van Eedens eertijdse kijkervaring. Dat is een verademing.

'Van Gogh & Co. Dwars door de collectie' is te zien in Museum Kröller-Müller, t/m 27/9.

Jean-François Millet, Le semeur (De zaaier), 1851 - 1879. Beeld Stichting Kröller-Müller Museum
Vincent Van Gogh, Caféterras bij nacht (Place du Forum), circa 16 september 1888. Beeld Stichting Kröller-Müller Museum
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.