Van gedreven amateur naar pion in strijd tussen experts

Tijdens de Spelen staat meer op het spel dan zelfontplooiing door topsport. Sport is een zaak van nationale trots en tussen ontwikkelde landen is een ratrace gaande.

Misschien is de tijd rijp om het olympische motto - sneller, hoger, sterker - te vervangen door slimmer, duurder, gekker. Een greep uit recente mediaberichten.


Een nieuw sprintpak zal volgens Nike op de 100 meter een tijdwinst van 23 duizendste seconde opleveren, minder dan een knipoog.


Groot-Brittannië heeft sinds 2008 bijna 400 miljoen euro uitgegeven in de jacht op olympische medailles (naast de circa 14 miljard om de Spelen te mogen organiseren). Dat komt neer op 8 miljoen per medaille, bij het gewenste aantal van 48 medailles.


Verschillende bondsartsen, onder wie die van Nederland, hebben de olympische sporters in alle ernst gewaarschuwd voor de gevaren van het handen schudden. Via handen worden de meeste ziektekiemen overgedragen. Zieke sporters winnen geen medailles.


Slim, duur, gek.


Pierre de Coubertin, de grondlegger van de moderne Olympische Spelen, koos het oorspronkelijke motto omdat naar zijn idee in die drie woorden het streven van elke atleet besloten lag. Het ging om de sporter en zijn persoonlijke ideaal, het nobele streven van de gedreven amateur om zijn grenzen te verkennen en te verleggen.


Het motto geldt nog steeds voor veel van de ruim 10 duizend olympiërs die de komende twee weken in 26 takken van sport strijden om medailles. Maar er is ook veel veranderd. De amateurs zijn profs geworden. En er staat veel meer op het spel dan zelfontplooiing, ondanks de olympisch gedachte dat deelnemen belangrijker is dan winnen.


Had een sporter in de tijd van De Coubertin hooguit een coach, nu weet een beetje topsporter zich omringd door een keur aan experts.


De coach heeft van lieverlee gezelschap gekregen van de krachttrainer, de looptrainer, de materiaalman, de fysiotherapeut, de arts en de manager. Dat bleek slechts een begin. De diëtist en psycholoog volgden en nu is het stadium van de data-analist en de veldwetenschapper (embedded scientist) bereikt. Van iets meer afstand kijken ook de sportbestuurder en de sponsor, de accountant en de industrie, en soms zelfs premiers en presidenten mee over de schouder van de olympiër.


Die mag de medaille ophalen en de eer incasseren, als de vooruitgeschoven en meest herkenbare pion in een uitgesponnen web van kennis, belangen en investeringen.


More money in, more medals out. Met die kreet zette Maurits Hendriks, als technisch directeur van sportkoepel NOC*NSF de topman van de Nederlandse sport, twee jaar geleden zijn roep om meer geld voor de topsport kracht bij. Succes, wist hij, is te koop. In Nederland kost een olympische medaille twee miljoen euro, pakweg de helft van wat hij in Duitsland kost en een kwart van het bedrag dat Groot-Brittannië voor deze olympiade heeft uitgegeven.


Hendriks wilde meer. De regering onderschreef in 2008 immers de ambitie om Nederland structureel bij de tien beste sportlanden van de wereld te laten horen.


Extra geld kreeg Hendriks niet, maar zijn oproep gaf de mondiale situatie treffend weer. Tussen de ontwikkelde landen is een ratrace gaande. Met behulp van wetenschap, industrie en bedrijfsleven wordt gejaagd op topprestaties: voor de nationale eer, voor de reputaties van universiteiten en in de hoop dat innovaties euro's opleveren voor het bedrijfsleven.


De paradox? Door de hevige competitie kost het steeds meer geld om steeds kleinere verschillen te bewerkstelligen.


Atleet en trainer zijn verantwoordelijk voor 85 procent van de prestatie, schat oud-marathonloper Kamiel Maase, vier jaar geleden door NOC*NSF aangesteld als verbindingsman tussen de wetenschap en topsport. Daarna is het een kwestie van procenten sprokkelen met behulp van experts uit vele vakgebieden.


Wat het oplevert? Dat is lastig te bewijzen, maar de oplossingen klinken vaak slim, zijn prijzig en hebben iets overdrevens.


Een greep uit innovaties die in Londen de uitkomst van wedstrijden beïnvloeden.


Uit een analyse van de onbewuste oogbewegingen van Nederlandse zeilers blijkt dat ze beter buiten de boot naar wind kunnen zoeken dan de blik te richten op het zeil of de lijnen aan boord. Wie de rimpelingen op het water het beste interpreteert, maakt de meeste kans op winst.


Een anti-zwaartekrachtloopband stelt Amerikaanse en Britse afstandslopers in staat meer kilometers af te leggen zonder geblesseerd te raken, doordat ze een beetje zweven boven de grond. Ze worden als het ware opgetild door de hoge druk in de tent die strak om hun heupen zit.


Met behulp van onderwatertechnologie in een Eindhovens zwembad kunnen zwemmers van allerlei nationaliteiten precies laten nagaan onder welke hoek ze vanaf het startblok in het water moeten duiken om het snelste te gaan, en wanneer ze onder welke hoek weer naar de oppervlakte moeten komen, om die vaart vast houden. Hoe meer luchtbellen de zwemmer veroorzaakt, hoe trager hij is.


Het toegenomen belang van de kleine verschillen blijkt uit de wijze waarop de uitslagen worden geregistreerd. Op het blote oog van de scheidsrechters en juryleden wordt steeds minder vertrouwd.


Camera's en andere hulpmiddelen moeten kleine verschillen oppikken. In de puntentelling (turnen, paardensport) en tijdwaarneming (atletiek, baanwielrennen) worden verschillen steeds vaker uitgedrukt in duizendsten, in plaats van tienden of honderdsten. In Londen registreert de nieuwe tijdwaarnemingsapparatuur volgens producent Omega zelfs tot op de miljoenste seconde.


Overdreven?


Bij de Amerikaanse selectiewedstrijden eindigden twee atletes die streden om één olympisch startbewijs op de 100 meter onlangs exact gelijk, tot op de duizendste seconde: 11,068 (zie coverfoto, red.). Ze liepen allebei in een tenue van Nike, het bedrijf dat 23 duizendste seconde tijdsvoordeel belooft. De regels moesten worden herschreven om de patstelling te doorbreken. De officials gaven de atleten de keuze: opnieuw lopen of loten. (Uiteindelijk bleek dat niet nodig; een van hen trok zich terug.)


De ratrace lijkt niet te stoppen. Toch heeft de hevige competitie niet louter positieve gevolgen. Innovaties kunnen de sport ook schade berokkenen, zeker in combinatie met winstbejag bij bedrijven en ambitie dan wel onkunde van sportbestuurders.


In 2008 en 2009 ontstond er een wedloop op zwempakken die zwemmers meer drijfvermogen gaven. De pakken corrigeerden gebreken in de techniek, de conditie en natuurlijke aanleg. Er sneuvelden in korte tijd zo veel wereldrecords dat de geloofwaardigheid van de sport werd aangetast. Het pak verdrong het talent, de industrie verdreef de kampioen. Wie de tenues niet kon of wilde betalen, had in het zwembad geen schijn van kans.


De pakken zijn verboden, de zwemcompetitie doet weer vertrouwd aan. Maar in Londen zullen atleten en experts elkaar opnieuw proberen af te troeven. Lang niet alle snufjes worden vooraf openbaar gemaakt in de hoop op gratis publiciteit. Eerst moeten de medailles worden geoogst, daarna zal misschien worden prijs gegeven hoe de winst tot stand is gekomen.


Als dat al is vast te stellen.


Dat een stijvere roeiboot wat tijdsvoordeel oplevert, is nog te bevatten. En dat een wielerbroek van snijvast materiaal na een valpartij blessures kan voorkomen ook. Maar wat is de invloed van software die olympische sporters helpt een wedstrijd te visualiseren? Of van Russische astronautenapparatuur die de belasting van het zenuwstelsel meet? Of van het tijdstip van eiwitinname op het spierherstel? Of vitamine D-suppletie?


De vaste vraag aan een olympisch kampioen luidt: 'Wat gaat er door je heen?'


Een eerlijk antwoord zou weleens gek kunnen klinken.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden