Van de Schoonheid en de Troost. Aflevering 76: Bram Peper

Er hangt een politieke en morele vrieskou boven Nederland op de dag dat we naar Noorwegen vertrekken, maar eenmaal in de Boeing waaiert boven een metafysische stapeling van donderwolken de noorderzon in grote feloranje likken uit over het ijle blauw dat maar niet verduisterd raakt naarmate we meer en meer...

Bram Peper. Negenvijftig jaar. Zoon van een metaaldraaier, die zijn universitaire studie bekostigde door te werken op de bollenvelden, in fabrieken, in een bakkerij. Een selfmade man. Een heerser. Een denker. Peper werd lector beleidssociologie en, later, hoogleraar sociaal-economisch beleid. Bestierde zestien jaar lang de stad Rotterdam. Sneefde als minister in het tweede paarse kabinet, waar hij als minister van Binnenlandse Zaken een intellectuele voetafdruk achterliet met zijn verbluffende essay Op zoek naar samenhang en richting.

Bram Peper. Terwijl wij nog steeds in het luchtruim boven Noorwegen vertoeven, wacht hij op ons in koffiehuis Ibsen in Oslo. We hebben afgesproken om met elkaar te praten over de Schoonheid van een koninklijk declaratiegedrag, over de Troost van het afblaffen van bodes, chauffeurs, tassendragers en hielenlikkers.

Bram Peper. Ten prooi aan een cumulatie van ideeën en inzichten over ons nakende gesprek, orden ik de tientallen brieven die de Nobelprijswinnaars, hoogleraren en schrijvers mij stuurden in de weken nadat zij met mij hadden gesproken. Sommigen waren nog weken na hun ontmoeting ontregeld, onthutst, ontworteld. Er zitten liefdesbrieven bij: van Martha Nussbaum, Tatjana Tolstoja, Madonna Ciccone. Anderen willen mij voordragen als emeritus hoogleraar van hun universiteit. George Steiner heeft mij zijn manuscript gestuurd, met het klemmende verzoek om op- en aanmerkingen. De natuurkundige Stephen Weiberg stuurde mij zijn triangel. Midden in het vliegtuig geef ik er bedachtzaam enkele tikjes op. Onmiddellijk verspreidt er zich een sterke neuraalstroom waarvan ik weet dat ik er nu, op dit moment, Bram Peper mee bereik. Schoonheid. Troost.

De vlucht naar Oslo loopt acht uur vertraging op, en twaalf uur te laat arriveer ik met mijn cameraploeg in koffiehuis Ibsen. Bram Peper heeft er al die tijd op ons gewacht. Zijn gezicht is vergrauwd tot een gehavend fjord, maar hij vertoont geen spoor van ongeduld. Volgens afspraak houdt hij als herkenningsteken de Verzamelde Werken van Arthur Schopenhauer in de lucht. De cliëntèle van koffiehuis Ibsen is getuige van dit heroïsch vertoon van romantische misantropie. Als we elkaar even later de hand schudden, citeer ik Rutger Kopland: 'Voor het verdwijnt en daarna.' Peper antwoordt met een regel van Jacob Cats dat hij als motto voor zijn essay heeft gebruikt: ''t Neemt toe, men weet niet hoe.'

Het citaat van Cats zet mij aan tot allesdoordringend gepeins. Wát neemt er toe? Het onbegrip vanuit Nederland? De Schoonheid van de reputatiebeschadiging? De Troost van het langlaufen? Ik kom er niet uit. Peper en ik zwijgen een halfuur. Dan diep ik uit mijn valies een brief op van Stephen Jay Gould, de paleontoloog die is gespecialiseerd in landslakken uit het Caribisch gebied. Peper knikt instemmend. In zijn tijd als burgemeester heeft hij jarenlang de landslakken van de Rotterdamse gemeenteraad kunnen bestuderen; hij is een kenner die kan wedijveren met Gould. Ik wil hem een citaat voorlezen uit een fax die Richard Rorty me eerder die dag stuurde, maar we worden onderbroken door een ober van grand café Ibsen die mij discreet op de schouder tikt. Telefoon voor de heer Kayzer. Wole Soyinka aan de lijn, de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar.

Wole! Hoe heeft hij me kunnen vinden? Er volgt een telefoongesprek van drie kwartier. Soyinka is nog steeds ondergedoken vanwege de gevangenisstraf waarmee de Nigeriaanse autoriteiten hem dreigen. Bram Peper is in de tussentijd gaan Pim Pam Petten. Bij mijn terugkeer zit hij hij voorovergebogen boven een fiche, zich het hoofd brekend over een beroep met een p. Ineens kijkt hij op, zijn ogen geven licht. 'Philosooph!', zegt hij op dicteersterkte. Zonder valse schaamte neem ik het compliment in ontvangst. 'Plunderaar', mompel ik sonoor. Peper spreidt in een gebaar van epistemologische twijfel zijn armen. Ik breng hem de groeten over van Wole Soyinka. Gevleid neemt Peper de groeten in ontvangst, zonder er een bonnetje van te vragen. Hij identificeert zich sterk met de opgejaagde Soyinka. Ook hij, Bram Peper, is paria in eigen land, psychisch gemarteld door de financiële junta van de KPMG en geschandpaald door de dubbeltjesgestapo van de Rotterdamse onderzoekscommissie. 'Het is kafkaiaans', verklaart Peper met stemverheffing. Ik geef de cameraman een seintje, en we staken voor even de opnames. Met die uitroep kan ik immers niets beginnen, aangezien Franz Kafka mij nooit een brief heeft gestuurd.

Uiteindelijk zullen Bram Peper en ik vierendertig uur onafgebroken spreken, daar in dat majestueuze koffiehuis Ibsen. Over de Erasmusbrug en de inductie van de zwaaiende tuien tot een ontologisch godsbewijs; over de wetten van de patafysica die het tweede paarse kabinet beheersen, maar vooral over de grande dame van Nijenrode, voor Peper de middelares van alle Schoonheid en Troost. Zij, Neelie Peper-Kroes, zal ons aan het eind van het onderhoud verblijden met voor ieder van ons een relatiegeschenk: Peper een kostenloze rugmassage, ik een kapitale egostreling. Maar dat weten wij dan nog niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.