Van de kunst kun je niet eten, behalve als je Jan Wolkers heet

Memoires van een biograaf

Van de kunst kun je niet eten, vond Wolkers' vader, maar dat bleek in de Hongerwinter niet helemaal waar.

Hollands landschap van Jan Wolkers. Penseel, 1947. Foto Annabel Miedema

Na wekenlang staalhard werken aan de biografie, opgesloten in mijn kamer in Leiden, zat ik gisteravond op een woonboot in Hoogmade ineens beduusd naar buiten te staren over de eindeloze polders. Ik verdween in het uitzicht. Urenlang liet ik mijn oog dwalen door het landschap en de Van Goyenachtige wolkenluchten. Tot de zon explodeerde achter de horizon, felroze strepen in de lucht trok en verdween.

Memoires van een biograaf

Onno Blom werkt aan de biografie over Jan Wolkers. Voor de Volkskrant houdt hij daarover een dagboek bij - waarvan we in zoveel delen de notities presenteren. Lees hier zijn eerdere bijdragen terug.

In Wolkers' archief op Texel ligt een stapel schilderijen, aquarellen en tekeningen van het Hollandse landschap. Watermolens, sloten, dorpen en een eenzaam kerktorentje op de horizon. Ze stammen voor het grootste gedeelte uit de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog. Jan was toen 17, 18 jaar.

Elke dag trok hij eropuit met zijn schilderspullen om, net als de door hem bewonderde impressionisten, en plein air te gaan werken. Een meisje dat ondergedoken zat in zijn geboortedorp Oegstgeest zag Jan geregeld onder haar raam langslopen. Na de oorlog zei ze tegen hem: 'Jij gaf ons hoop. Terwijl iedereen met voedsel en brandhout liep te slepen, liep jij daar met je ezel.'

Tijdens de Hongerwinter zette Jan zijn ezel in de koude polder in het zicht van een boerderij en ging aan het werk. 'Als je dan zo'n poosje bezig was, zag je eerst voorzichtig het gordijn bewegen', schreef Wolkers in De walgvogel. 'De boerin die vanuit de pronkkamer naar je te gluren stond. Even later kwam de boer naar buiten, liep een beetje onwennig over het erf heen en weer, stak een riek in een hoop pulp, keek even naar je van onder zijn petrand en ging weer bedachtzaam lopend naar binnen.'

Als Jan het schilderij dat hij van de boerderij had gemaakt verlokkend ophield naar de boer, kreeg hij er wat tarwe voor, een half mud aardappelen of een stuk spek.

'Van de kunst kan je niet eten.' Dat had Jans streng gereformeerde vader - die niets zag in de artistieke aspiraties van zijn zoon - vaak tegen hem gezegd. Maar dat bleek in de Hongerwinter dus niet helemaal waar.

In zijn strijd als hongerkunstenaar werd Jan gesteund door Jacques de Vink, een buurman uit Oegstgeest, die Spartacuscommunist was. Van zijn vader mocht Jan eigenlijk niet omgaan met 'dat dwaallicht van hiernaast'. Maar hij deed het toch - en De Vink ontstak in de jongen het vuur van de wereldrevolutie.

Op een schilderijtje in sepia, met hier en daar een toetsje blauw en groen, van een koe die door een boer wordt gemolken, schreef Jan in kapitalen 'WERKERS'.

Toen ik wakker werd, na een nacht lek te zijn gestoken door de poldermuggen, wist ik even niet wat ik hoorde. Geritsel, gesnuif. Geen geluiden die een stadsjongen meteen herkent. Het waren de zwartbonte koeien, die aan de andere kant van de sloot het gras stonden af te grazen.

Vanochtend reed ik terug naar de stad. Snel weer aan het werk.