Achtergrond Oorlogsdagboeken de Quay

Van de bevrijding heeft Jan de Quay niet lang genoten

De oorlogsdagboeken van de latere premier Jan de Quay zijn woensdag openbaar gemaakt. Hij wilde ‘volkseenheid’ maar kreeg partijstrijd, ontgoocheling en een prins die niet wilde deugen.

Jan de Quay, destijds commissaris van de koningin in Noord-Brabant, in 1955 met prins Bernhard. Beeld Fotocollectie BHIC, Vught

‘Ik maak mij zorgen over prins Bernhard’, noteerde de latere minister-president Jan de Quay op 26 oktober 1944 in zijn dagboek. ‘Allereerst bevestigde Rudi (een zwager van De Quay met goede contacten in Londen, red.) het ontstellende bericht dat hij de prinses als echtgenoot bedroog en een verhouding had in Engeland. Ik vind het ellendig. De gevolgen zijn in ons volk niet te overzien. Je land mag je niet verraden, je vrouw klaarblijkelijk wel. Wie zal hem eens de les lezen?’

Niet de ministers van het oorlogskabinet in elk geval. Want ook die hielden er bijna allemaal ‘een juffrouw’ op na, had majoor-aalmoezenier Monchen – eveneens goed bekend in Londen – hem verteld. De Quay, die toch al geen vriend was van de ministers in ballingschap, nam het graag van de eerwaarde aan. ‘Mijn God, wat een decadentie’, schreef hij op 6 december. ‘Dat zal toch gestraft worden. Wat een zonde… Wat een ontrouw.’

Pater Monchen zelf zou de prins met betrekking tot diens ‘moreel gedrag’ overigens ‘vierkant de waarheid’ hebben gezegd. ‘Flink!!’, noteerde De Quay – die voor het overige niet zo scheutig was met uitroeptekens. ‘De Prins had er zeer royaal… en handig… op gereageerd.’ Monchen zal niet onder de indruk zijn geweest van dit verweer. Want tijdens hetzelfde onderhoud met De Quay beklaagde hij zich over het ‘kwajongensachtige’ gedrag van de prins tijdens een recent bezoek aan de paus.

Je zou denken dat de Nederlanders in het najaar van 1944, toen een verwoestende oorlog op Nederlandse bodem woedde, meer aan hun hoofd hadden dan de huwelijkstrouw van prins Bernhard en de leden van het oorlogskabinet, maar de rooms-katholiek Jan de Quay meende dat de elite juist in moreel ontwrichtende tijden op elk niveau het goede voorbeeld moest geven. Zo schrijft hij – eveneens op 6 december 1944 – over de Nederlandse gezant in Londen, Michiels van Verduijnen: ‘Een echt Michielsen gezicht, wel intelligent maar mondain. Typisch, dat deze man scheidde – dat schijnt in de familie te zitten, dat men zijn vrouw ontrouw is – en ná het hertrouwen niet meer als katholiek practiseert.’

Volkseenheid

De dagboeken die De Quay (1901-1985, premier tussen 1959 en 1963)) gedurende een groot deel van zijn werkzame leven bijhield, zijn ondergebracht in de collectie van het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC), gesitueerd in de provincie waar De Quay zijn hele leven heeft gewoond en waarvan hij 1946 tot ’59 commissaris van de koningin was. Sinds woensdag zijn De Quays dagboekaantekeningen uit de periode 8 september 1944 - 23 januari 1945 te raadplegen op een aan De Quay gewijde website.

De Quay begon met zijn dagboek vanuit het vermoeden dat spoedig een periode zou aanbreken waarin ‘ik een plaats zal moeten innemen in het openbare leven’. Daarbij dacht hij niet in de eerste plaats aan een bestuurlijke of politieke functie – die hij gedurende zijn hele leven eigenlijk nooit heeft geambieerd – maar een rol achter de schermen, als vernieuwer van het maatschappelijk bestel. Dat moest worden verlost van de kwalen die Nederland naar zijn mening voor de oorlog parten hadden gespeeld: verzuiling, partijstrijd, bestuurlijke krachteloosheid. Daar stelde hij het lonkende, maar ook wat diffuse, begrip ‘volkseenheid’ tegenover.

De Quay greep hiermee terug op het gedachtengoed van De Nederlandsche Unie, de massaorganisatie (op haar hoogtepunt goed voor bijna 1 miljoen leden) die zich in 1940 en ’41 inzette voor ‘het behoud en de versterking van vaderland en volksgemeenschap’ in een door nazi-Duitsland gedomineerd Europa. Ook tijdens zijn detentie in het voormalige kleinseminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel, waar vooraanstaande Nederlanders door de Duitsers in gijzeling werden gehouden, maakte hij met zijn lotgenoten plannen voor een naoorlogse samenleving zonder de vooroorlogse scheidslijnen.

Nieuwe tegenstellingen

Na de bevrijding van (delen van) de zuidelijke provincies in het najaar van 1944 stelde De Quay ontgoocheld vast dat dit niet zo makkelijk te organiseren was. Zelfs niet op de puinhopen van vier jaar bezetting, die het falen van de oude orde zo indringend zichtbaar maakten. Zodra de Duitsers hun hielen hadden gelicht, werden oude stellingen betrokken. Door bisschoppen, die niets wilden weten van de nieuwlichterij van De Quay. Door de vooroorlogse politieke partijen, die zich erop lieten voorstaan principiëler te zijn geweest in hun afwijzing van de nazi’s dan De Nederlandsche Unie. En door burgemeesters en wethouders, die wilden verdergaan waar zij in 1940 waren gebleven.

En er kwamen nieuwe tegenstellingen bij: tussen de ministers in Londen – door De Quay ‘de ouden’ genoemd – en het Militair Gezag, het tijdelijk bestuur onder leiding van generaal-majoor Hendrik Johan Kruls. En tussen de benoemde gezagdragers en leden van ‘de ondergrondse’ die op eigen gezag goederen ‘vorderden’ en veronderstelde landverraders arresteerden. De zogenoemde Ordedienst, voortgekomen uit de illegaliteit, genoot een kwalijke reputatie als ‘Oranjedieven’. De Binnenlandse Strijdkrachten – die onder bevel stonden van prins Bernhard – stonden hier en daar bekend als ‘de WA van de prins’ (de WA was de knokploeg van de nationaal-socialistische NSB, red.).

De vrede bracht in eerste instantie dus niet de gehoopte rust, laat staan een noemenswaardige verbetering van de voedselsituatie. De norm van 1.600 calorieën per persoon per dag werd op veel plaatsen bij lange na niet gehaald. Voor De Quay ging hiervan een aansporing uit om nog nadrukkelijker zijn diensten aan te bieden. Niet omdat hij zo graag wilde – al gaf hij toe gevoelig te zijn voor de ‘charme van de ijdelheid’ – maar omdat hij meende dat het land naar zijn inzichten moest worden gemodelleerd. Die rol kon hij echter niet op zich nemen als de buitenstaander die hij naar eigen zeggen graag was gebleven. In april 1945 trad hij als minister van Oorlog toe tot het kabinet Gerbrandy III, het vermaledijde gezelschap ‘oude mannen’. Of ‘het stel’, zoals koningin Wilhelmina hen noemde.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden