Valse projecties in valse wisseltaal

Dat populisten het radicale Kwaad vertegenwoordigen, maak je mooi duidelijk door hen te labelen als nazi’s. Dat althans denkt een deel van de politieke en journalistieke elite....

Als je sommigen mag geloven, zijn er de afgelopen vijftien jaar al heel wat nazi’s de landspolitiek binnengemarcheerd. Goebbels, Göring, Eichmann en Hitler zelf, postuum spreken ze een hartig woordje mee, met mensen als Frits Bolkestein, Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders als vermeende buikspreekpoppen.

In een aflevering van het NCRV-programma Romdom Tien, waarin werd gedebatteerd over ‘het fenomeen Geert Wilders’, was het weer zover. Onder de gasten bevond zich een moslima van Surinaamse komaf die als buurtcoach werkte in de wijk Amsterdam-Slotervaart. Er was maar een figuur met wie zij Wilders kon vergelijken, vertelde de buurtcoach, en dat was Adolf Hitler. Dezelfde agitatie tegen een bevolkingsgroep, dezelfde infiltratie in de democratie, dezelfde haatzaaierij.

Het eerste wonder was dat de vrouw zonder oogknipperen de vergelijking trok. Het tweede wonder was dat de vergelijking geen spatje verbazing of schrik onder de overige aanwezigen veroorzaakte.

Door middel van die vergelijking plaatste de vrouw zich in een Hollandse traditie, ontstaan onder een politieke en journalistieke elite die in de loop van de jaren niet schroomde om andere, eerdere politici te etiketteren met het label van extreem-rechts, racistisch en nazistisch.

Die vergelijking is voor de beschuldiger effectief, omdat in een klap duidelijk is dat de beschuldigde het absolute, radicale Kwaad personifieert. De Franse filosoof en linkse activist Alain Badiou zegt hierover in zijn boek De ethiek dat de uitroeiing van de Europese joden door de nazi’s het ‘radicale Kwaad [belichaamt] waarvan herhaling of imitatie tot elke prijs moet worden voorkomen. Beter gezegd: datgene waarvan de niet-herhaling tot norm is geworden voor elk oordeel over bepaalde situaties’.

Vrijwel alle Nederlanders zijn sinds de Tweede Wereldoorlog tot in iedere vezel afgesteld op het besef dat het radicale Kwaad ooit in ons midden in West-Europa opstond. De paradox is nu dat het absolute en radicale Kwaad van het nazisme als onherhaalbaar en onvergelijkbaar wordt voorgesteld, terwijl sommigen in de praktijk telkens weer een mogelijke herhaling of het begin van een herhaling waarnemen.

Ook Alain Badiou constateert die paradoxale situatie. Het schrikbewind van de nazi’s en de jodenvernietiging worden volgens Badiou voorgesteld als ‘ondenkbaar, onbeschrijflijk, zonder voorstelbaar precedent of gevolg (*), terwijl ze tegelijkertijd voortdurend worden aangeroepen, vergeleken en gebruikt om schematisch elke omstandigheid aan te duiden waarin men onder de opinies het besef van het Kwaad teweeg wil brengen’.

Een achteraf gezien maatgevend incident was de vergelijking die columnist Hugo Brandt Corstius in 1984 trok tussen CDA-minister van Financiën Onno Ruding en nazi-kopstuk Adolf Eichmann. Ruding wilde toen een aantal ingrijpende wijzigingen aanbrengen in de bijstandwet. Hugo Brandt Corstius beweerde erover: ‘Vorige week kwam het onafwendbare slot aan de vervolging: de Endlösung. Ruding zegt in de Kamer dat wie niet genoeg moeite doet om uit de bijstand te raken, geen bijstand meer moet ontvangen. (...) Verhongeren duurt te lang. Vergassen is beter. Ruding is de Eichmann van onze tijd.’

Brandt Corstius noemde niet voor niets juist Adolf Eichmann, een van de uitvoerders van de logistiek van de uitroeiing van de joden. In 1962 stond Eichmann in Israël terecht wegens misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden, misdaden tegen het joodse volk en misdaden tegen Polen, Slovenen, zigeuners en Tsjechen. Inderdaad, die misdaden kun je wel wegstrepen tegen de ambitie de bijstandswet in Nederland te hervormen.

Grote invloed

Het Eichmannproces werd bijgewoond door onder anderen Hannah Arendt en Harry Mulisch, die met hun boeken over de zaak- Eichmann van grote invloed zijn geweest op ons beeld van het radicale en absolute Kwaad.

Mulisch en Arendt merkten op dat Eichmann niet oogde als een beestmens, een nazibeul met bloeddoorlopen ogen zoals velen het zich kennelijk hadden voorgesteld. In plaats daarvan zag Adolf Eichmann eruit als een sneue kantoorklerk met bril. Tijdens het Eichmannproces uitte hij zich in non-descripte ambtenarentaal, ook over de verschrikkelijkste wreedheden die onder zijn supervisie waren uitgevoerd.

Hannah Arendt schreef toen: ‘Tijdens het Eichmannproces werd ik getroffen door een klaarblijkelijke oppervlakkigheid van de dader, die het onmogelijk maakte om de onbetwistbare slechtheid van zijn daden te herleiden tot een dieper niveau van oorzaken of drijfveren. De daden waren monstrueus, maar de dader was heel gewoon (*).’

Harry Mulisch komt in De zaak ’40-’61 tot een vergelijkbare conclusie: ‘Wij moeten niet blijven letten op de misdadiger, wij moeten blijven letten op doodgewone mensen. Wij moeten op de spiegel blijven letten.’

Hier stuiten we, in het identificeren van het Kwaad, op een duivelse dubbele helix die de nazi’s ons hebben nagelaten. Het Kwaad dat waakzaamheid vereist, kan dus heen en weer stuiteren tussen de personificatie van ‘het angstbarende’ (Mulisch), dat wil zeggen de apert demonische figuur Adolf Hitler in zijn koboldachtige voorkomen; en het alledaagse en kleurloze, gepersonifieerd door de pennenlikker Adolf Eichmann. Hiermee worden de naoorlogse generaties geconfronteerd met een oproep tot waakzaamheid die in de praktijk van het politiek discours heeft geleid tot hysterische vergelijkingen en paranoia.

De beschuldiging van Brandt Corstius aan het adres van CDA’er Ruding kan gerust worden gezien als de ontkieming van het naoorlogse demoniseren. En we kennen de voorbeelden van nadien. Frits Bolkestein kaartte begin jaren negentig aan dat de islam op bepaalde punten schuurt met de beginselen van de rechtsstaat. Direct werd Bolkestein beschuldigd van racisme en vergeleek een Europarlementariër hem met Le Pen, die weer op zijn beurt een erfgenaam van de nazi’s werd genoemd.

Later werd Pim Fortuyn door politici en publicisten vergeleken met Himmler, Goebbels, Mussert en Hitler zelf. Anno 2008 trekt advocaat Gerard Spong een vergelijking tussen Wilders en Goebbels. Oud-Kamerlid voor GroenLinks Mohammed Rabbae noemde Wilders ‘een kleine Hitler’. Doekle Terpstra hield het wat algemener en verklaarde: ‘Geert Wilders is het kwaad en het kwaad moet worden gestopt.’

Verbonden aan het Kwaad is de weerloosheid van de Ander, de vreemdeling, de kwetsbare buitenstaander die tegen iedere prijs beschermd moet worden tegen de duivelse machten van het Kwaad. Volgens de naoorlogse benoemers van het Kwaad loopt de moslim in zijn rol van de Ander het gevaar het slachtoffer te worden van de potentiële meedogenloosheid en beestachtigheid die iedere autochtone West-Europeaan sinds de Holocaust bij wijze van erfzonde in zich meedraagt. De moslim in Nederland is zo bezien, vrij naar de gedachtengang van wederom Alain Badiou, de hedendaagse drager van ‘het woord Jood’.

Let op, Badiou heeft het nadrukkelijk over ‘het woord Jood’, inclusief de aanhalingstekens. In zijn boek Het woord Jood legt hij hierover uit dat ‘met het verstrijken van de tijd (...) het steeds belangrijker lijkt te worden om het morele voordeel van de vernietiging van de Joden te kunnen blijven innen, dat de hoofdletter opzwelt en dat de betekenaar Jood op zichzelf een absolute, tijdloze en onbetwistbare betekenaar wordt’.

Voor het integratiedebat in Nederland betekent het dat ‘het woord Jood’ regelmatig wordt ingezet om een verondersteld Kwaad op te tuigen met de onvergelijkelijke schanddaad van de Jodenvervolging. Nogmaals Badiou: ‘In onze tijd is het woord Jood een transcendentale betekenaar geworden, een dreigend woord om iemand tot zwijgen te brengen.’

Deze identificatie van ‘het woord Jood’ verklaart de blinde vlek in het integratiedebat. Zo beweerde Harry de Winter in een advertentie die hij in de Volkskrant plaatste: ‘Als Wilders hetzelfde over Joden (en het Oude Testament) gezegd zou hebben als wat hij nu over moslims (en de Koran) uitkraamt, dan was hij al lang afgeserveerd en veroordeeld wegens antisemitisme.’

Hier wordt ‘het woord Jood’ letterlijk aangewend om het veronderstelde Kwaad in de persoon van Wilders moreel én juridisch veroordeeld te krijgen. Maar laten we de beoogde wisseltruc van Harry de Winter eens toepassen op de naam van Geert Wilders en die vervangen door Adolf Hitler. Dan krijg je heel curieuze oneliners. Dit is er een. ‘Adolf Hitler vreest dat de verworven rechten van vrouwen, homoseksuelen en Joden door de islamisering in gevaar komen.’ En: ‘Adolf Hitler wijst voortdurend op de benarde positie van vrouwen, homoseksuelen en andersgelovigen in islamitische landen als Saoedi-Arabië en Iran.’

Wisseltaal en historische werkelijkheid lopen hier niet helemaal synchroon, zullen we maar zeggen.

Je vraagt je af waarom de benoemers van het Kwaad er zo aan hechten hun tegenstanders in het debat te hullen in het uniform van de nazi-officier. Het antwoord moet zijn dat de obsessie met de erfzonde en het radicale Kwaad hen ingeeft zichzelf tegen iedere prijs als de Goede Nederlander kenbaar te maken. Alleen de Goede Nederlander is in staat om de nazi Eichmann in de christen-democraat Ruding te ontwaren. Alleen de Goede Nederlander adviseert ons in een advertentie om het woord moslim te veranderen in het woord Jood teneinde de populist Geert Wilders als het Kwaad te identificeren. De Goede Nederlander mobiliseert, incrimineert en demoniseert, met als drama het redelijk onthutsende gegeven dat voor deze Goede Nederlander het veronderstelde Kwaad een soort drug is geworden, een roesmiddel dat hem van Goed nóg weer wat Beter maakt.

Zoals de nazi’s hun monstrueuze identiteit onderstreepten door de Jodenvernietiging, zo hebben de naoorlogse benoemers van het Kwaad de Nederlandse moslims nodig in de vorm van ‘het woord Jood’ om politici die hen onwelgevallig zijn te schandpalen als nieuwe vertegenwoordigers van het radicale Kwaad. Het onvermijdelijke effect hiervan is dat deze naoorlogse benoemers van het radicale Kwaad daarmee de islamitische Nederlanders gevangen zetten in een historisch sjabloon van potentieel opgejaagden en uitgeroeiden. Want als Wilders inderdaad ‘een kleine Hitler’ (Rabbae) is, zijn dan volgens deze vergelijking de moslims niet onvermijdelijk ‘de kleine Joden’? Of bedoelt Rabbae dat Wilders ‘een kleine Hitler’ is, zonder bijbehorende opgejaagde en uitgeroeide bevolkingsgroep?

Lawaaiige retoriek

Mij lijkt deze valse projectie door de naoorlogse benoemers van het Kwaad voor iedere islamitische Nederlander vernederender dan de lawaaiige retoriek van tien Geerten Wilders bij elkaar.

Gelukkig laten invloedrijke Nederlandse moslims zich niet spannen voor het karretje van de naoorlogse benoemers van het Kwaad. Zij pareren het populisme van Wilders met een lucide en effectieve argumentatie en hebben daarbij Hitler, Goebbels en andere nazi’s niet nodig, dank u beleefd. Deze moslims, die zich in het integratiedebat krachtig en overtuigend laten horen, heten bijvoorbeeld Ahmed Aboutaleb, Ahmed Marcouch en Tofik Dibi. Zonder zich te bedienen van de geniepige methode van de benoemers van het radicale Kwaad, spreken zij zich uit over populisme, multicultuur en de radicale islam. Het GroenLinks-Kamerlid Tofik Dibi liet na vertoning van de Wilders-film Fitna weten dat het islamitisch terrorisme net zo’n bedreiging voor hem, Dibi, is als voor Wilders zelf. Dibi benadrukte zijn positie als Nederlandse moslim en seculier politicus en riep Wilders op de handen ineen te slaan in protesten tegen de radicale islam.

Stadsdeelraadvoorzitter van Amsterdam-Slotervaart Ahmed Marcouch geeft Wilders gelijk als hij stelt dat ‘wij’ in oorlog zijn, maar voegt er direct aan toe dat die oorlog zich beperkt tot het internationale moslimterrorisme en zich niet mag uitbreiden naar de islam als zodanig. En staatssecretaris Ahmed Aboutaleb beweerde dat de toenemende afstand tussen autochtoon en allochtoon niet uitsluitend is te wijten aan xenofobie onder autochtonen, maar ook moslims aan het denken moet zetten. Aboutaleb: ‘In plaats van de uitingen van Wilders alleen maar te zien als verwerpelijk, moeten wij ons afvragen welke rol wijzelf spelen in het beeld dat is ontstaan.’

De zakelijke, zindelijke argumentatie van Marcouch, Dibi en Aboutaleb en een beduidend aantal andere Nederlandse moslims is een inspirerend alternatief voor de obsessieve en narcistische benoemers van het radicale Kwaad. Dankzij die argumenten van Aboutaleb cum suis kunnen Wilders en andere populisten niet meer wegduiken achter de aan hen opgedrongen identiteit van gedemoniseerde underdog.

Toen Hannah Arendt en Harry Mulisch hun boeken schreven over het proces Eichmann in 1961, verwees de leus ‘nooit meer Auschwitz’ nog naar de onverwisselbare feiten van de jodenvervolging. In onze tijd lijkt het erop dat de leuze eerst en vooral wordt geassocieerd met een hardnekkige morele chantage. Die chantage bezwaddert de afgrondelijkheid van de historische Holocaust, incrimineert kennelijk onwelgevallige populisten in de politiek en creëert een cultuur waarin doodsbedreigingen aan politici van welke signatuur ook kunnen worden verexcuseerd. Maar ook worden door die chantage Nederlandse moslims op valse gronden in een quarantaine van historische onafwendbaarheid geplaatst.

Kamp Auschwitz was te vinden nabij de Poolse stad Auschwitz en ligt niet in de wijk Amsterdam-Slotervaart, ook niet een beetje, en ook niet in de vermomming van een naoorlogse dependance.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.