Vakantie onder de dome

Haar reis was al geboekt toen de raketten vanuit de Gazastrook naar Israël vlogen. Gaan of niet gaan? Schrijfster Jessica Durlacher ging wel. 'Wat voelde ik eigenlijk? Woede?'

'Ik laat jullie kiezen. Als jullie de raketten eng vinden snap ik dat. Maar echt eng is het dus niet. Merk ik. En het is bijna onmogelijk om nog iets anders te organiseren. Het geld van de reis zijn we kwijt.'


Dat schreef ik op de dag na aankomst aan mijn kinderen. Die waren nog in Nederland, en zouden pas de tweede week van onze vakantie naar ons toekomen, in Israël.


Twee dagen vóór ons vertrek hoorde ik in de auto op de radio dat er vanuit de Gazastrook raketten op de steden van Israël werden afgevuurd. Ja, ook op Tel Aviv, onze bestemming.


Altijd interessant, als je lot ineens zomaar verbonden blijkt met de grote wereld. Niet gaan was eerst eigenlijk geen optie, daar was dit te spannend en tegelijk te veilig voor. In Tel Aviv viel alles altijd mee. Het was geen Beiroet! Geen Gaza en ook geen Ashkelon, dat al jarenlang geterroriseerd wordt door raketten. En dan was er ook nog de Dome, de Iron Dome. Het wonder dat raketten uit de hemel slaat alsof het vliegen zijn. En altijd raak. Als Israëli's iets maakten, of het nu op medisch gebied was, of militair: het is meestal van hoge kwaliteit. De Dome hield de raketten tegen, zelfs onze meest bezorgde vrienden onderkenden dat.


Maar daarna werd ik toch weer een beetje bang. De berichten werden ook alarmerender en talrijker. Laf, zo kun je het ook noemen. Het moest wel leuk blijven natuurlijk. We zochten vakantie, toch? Lees: rust, plezier. Zo'n overweging was misschien niet zo netjes als je eraan dacht hoe onze vrienden daar gewoon daadwerkelijk leefden, dag na dag, maar wij waren het niet gewend, en wij gingen voor de lol, vrijwillig... het hoéfde toch niet? Als je kon kiézen? Niet gaan kon ook. Dus waarom wél?


Loyaliteit won het, uiteindelijk. Géén geld uitgeven in een land dat nu waarschijnlijk te kampen had met een massale derving van inkomsten: misselijk. En dan maar geen rust en niet alleen maar plezier. Waren we schrijvers of niet? Juist. Alles is materiaal. En raketten zijn goud.


We kwamen zaterdagmiddag aan in Tel Aviv. Alles was rustig. Misschien iets te rustig. In februari was ik er ook en toen al was het hier veel drukker. De toeristen lieten het afweten. 's Avonds gingen we in een restaurant eten.


Tijdens het hoofdgerecht liep de jongen die ons bediende onverwacht de straat op, hoewel er voor onze ongeoefende oren niets te horen was. Hij verifieerde wat hij vermoedde: luchtalarm. Hij wenkte ons met een dringend handgebaar evenals de acht andere klanten. Onder de trap in het oude pand waarin het restaurant gevestigd was, kwamen we bijeen. Een shelter hadden ze niet, maar hier was het veiliger dan binnen. Niet echt afdoende, overigens, voor een eventuele inslag van een raket, god verhoede; wel voor de gevolgen van de vernietiging van de raket door de Iron Dome (een regen van kokende stalen resten) die hier niet op onze kop konden vallen. En van die laatste optie gingen we maar even uit.


Nadat het alarm was gestopt, hoorden we het, heel hoog in de lucht, de klap, kort en dreunend, niet als vuurwerk, meer als een schot, iets hols en dofs, met een soort echo erin. Het luchtruim werd er ineens zowel heel groot als heel nabij van, als de koepel van een gebouw waarin we meestal veilig woonden, maar waar het nu angstaanjagend claustrofobisch was. De koepel van onze existentie. Er werd ons verteld dat we nog een paar minuten moesten wachten om de brokstukken de gelegenheid te geven naar beneden te komen.


Die eerste keer - het was onze vuurdoop. Omdat we er ons zo op hadden voorbereid in de dagen van twijfel van voor onze reis, had het wel iets bevredigends om meteen met de werkelijkheid geconfronteerd te worden. Instant gratificatie, je zou het bijna opwindend noemen als het niet zo treurig was. Daar stonden we, tussen getergde locals met eelt op hun ziel. Een oude hond werd liefdevol onder de betonnen overkapping vastgezet, de mensen zwegen gelaten, lijdzaam, een paar andere toeristen, net als wij niet in staat geweest - uit kortzichtigheid, zuinigheid, of loyaliteit - hun reis te cancelen, en nu half lacherig, half verschrikt over de realiteit in hun vakantieland.


Maar meteen na de opwinding - de raket werd inderdaad vernietigd, het systeem bleek opnieuw succesvol, voelde ik een hevige golf van verdriet. De haat die van die verre donderende explosie hoog in de lucht afstraalde, was kil, ijzig haast en wreed. Vervreemdend. Hij maakte alles waar we in geloofden, alles van waarde onklaar, al was het maar een kort moment . Niet in de praktijk, gelukkig: wel moreel. Het duurde maar even, een seconde, misschien minder, maar het was als een blik op de ondergang. De mensen die de raket afvuurden waren uit op de dood, de vernietiging, van al deze mensen hier, en van ons - een gek gevoel, het gevoel van nachtmerries.


De obers leken zich zorgen te maken over het geestelijk welzijn van de buitenlanders. Schaamte, leek het, maar voor wat? Ze boden ons een gratis dessert aan. We sloegen het af, lachend. Wijn, daaraan hadden we behoefte. We namen een vol glas, gretige slokken. En nog een. Meteen daarna ging er een tweede alarm af. Hartkloppingen. Opnieuw samendrommen onder de trap. Korzelig nu.


Ook deze keer werd de raket vernietigd, ik kon nog net zien hoe een piepkleine rookwolk tegen de donkere hemel wegfladderde, een gekwetst wezen, een vod. Vreemd symbool van luchthartigheid.


Stilletjes liepen we terug naar ons appartement. Waren mijn verdriet, mijn geschokt-zijn van daarnet echt of was het ook theater? Omdat ik me veilig voelde? Wat voelde ik eigenlijk? Woede?


Die avond schreef ik het berichtje aan mijn kinderen.


Ik volgde het nieuws. In Gaza schenen er advertenties in de kranten te staan waarin mensen zich konden aanmelden als menselijk schild. De raketten bleven komen, ze werden van tussen huizen vol burgers afgeschoten. Het Israëlische leger sloeg inmiddels terug. Ze richtten zich op de daders. Er stierven burgers in Gaza, vrouwen, kinderen. Huizen werden vernietigd. Het escaleerde in rap tempo en we merkten het. Elke dag vlogen we wel een paar keer een kelder, een shelter of een parkeergarage in. In het zuiden van Israël sliep geen mens, zo veel raketten kwamen daar neer - en omdat ze daar van dichtbij afgevuurd werden, konden ze lang niet altijd worden onderschept. Tot tweemaal toe klonken de sirenes tijdens mijn persoonlijke poging tot sereniteit: bikram yoga. Na het alarm bewoog de hele zwetende groep zich middenin een oefening en masse naar het trappenhuis. Na de inslag rekten en strekten we gewoon verder.


Zenuwen worden niet zomaar ongevoeliger. Eenmaal klonk het alarm terwijl we ons op de fiets op een gigantisch verkeersplein van honderden meters breed bevonden, voor een stoplicht, fietsen aan de hand. Tien banen verkeer, snelwegen die in een soort klaverblad om, door, en boven elkaar kronkelden. Automobilisten, fietsers, voetgangers, honderden mensen ineens een zwerm diertjes hollend naar een veilige plek. Er was geen tijd of ruimte om op de fiets te springen, dus renden we met de fiets aan de hand over de zebrapaden, langs de wegen, naar het kolossale winkelcentrum, de enige overkapping die hier te bekennen was.


De parkeergarage, een open ruimte met een betonnen dak, daar stopten we, terwijl de meesten het winkelcentrum zelf in vluchtten. Het alarm stopte en de dreun weerklonk, de schreeuw van een monster, opnieuw. Een litteken tegen de hemel, wit als krijt. Vijf minuten later liep iedereen weer verder. Twee werkelijkheden: de gruwelijke, virtuele, door de tegenstander bedoelde, die iedereen koste wat het kost abstract probeert te houden: het bloedbad, met de willekeur aan verwoesting van menselijk vlees, menselijk geluk, dat wordt gevolgd door paniek en verdriet en de bedrijvigheid van hulpdiensten, naast die andere, haast surreële werkelijkheid die deze keer de werkelijkheid wás: die waarin mensen, na tijdelijk te zijn stilgezet, weer doorlopen, en praten, lachen, nadenken, begeren en plannen, met hun levende kinderen in kinderwagens, fietsers op weg naar huis, naar hun eten, hun leven.


Maar in iedereen een stilte, heel even, het besef van het wonder.


Deze dagen in Tel Aviv verliepen desondanks traag en zomers. Met een voor vakantie zeldzame intensiteit. Door die vreemde rust, de hartstochtelijke gesprekken met wildvreemden op elke willekeurige straathoek, door de sombere, lusteloze uitdrukking op veel gezichten, door de verhalen van gedupeerde uitbaters van restaurants en cafés, en niet in het minst door onze steeds alerter bewustzijn op geluid dat gevaar kon betekenen. De sirene, zij kon elk moment gaan. En elke dag kregen we via onze piepende en zoemende telefoons op het strand en tijdens het fietsen, pushberichten van Israëlische en internationale nieuwssites binnen en lazen we over een aankomende wapenstilstand, waarop dan meteen de piepjes en zoempjes volgden met het bericht dat er alweer een nieuwe set raketten uit Gaza was afgeschoten - die al dan niet onklaar kon worden gemaakt. Hamas liet een heel grote dikke middelvinger aan Israël en John Kerry zien.


Donderdag was het tot onze schrik ineens zover. Reservisten werden uit hun huizen getrommeld. Grondtroepen drongen Gaza binnen om Hamas te laten stoppen. En om de talloze tunnels, gebouwd om Israël aan te vallen, te vernietigen. Het was oorlog. Als ik zei dat Hamas zijn eigen burgers offerde omdat ze raketten bleven sturen, wezen mijn Nederlandse vrienden me op de vreselijke beelden die uit Gaza kwamen, en wat had ik te zeggen over het verschil tussen de getallen van gevallen Israëlische burgers en soldaten en de doden van Gaza? Ik zei dat ik niet niet blij kon zijn met de Iron Dome. Ik riep van alles terug. Over Israël is het haast onmogelijk discussiëren geworden, zelfs (vooral) met mensen die je dierbaar zijn en al decennialang kent. De stellingen zijn al ingenomen, al of niet met valide argumenten. Er is zo veel gaande, er is zo veel dat we niet weten. Er is zo veel dat zíj niet weten. Meer dan wat ook is dit een propagandaoorlog, zoveel was me wel duidelijk.


Had ik spijt dat ik ondanks alles was gegaan, vroeg een meisje me. Nee, zei ik. Ik loog niet. Dit was de werkelijkheid en die was in Amsterdam weliswaar geografisch verder van me weg, maar dat maakte hem ook daar niet minder reëel. Ik was misschien zelfs wel blij dat ik me er nu wat minder aan kon onttrekken dan ik anders had gedaan.


Uiteindelijk kwamen zelfs onze kinderen over voor die tweede week.


Terwijl ik koffie aan het maken was, klonk ook vandaag het alarm luid. De luidspreker zit vlak naast het appartementencomplex waarin we op de bovenste verdieping zitten. Meteen toen het stopte, volgden de inslagen elkaar op, vier in totaal, dof en dwingend. Op de straat onder ons was het leeg. De hemel vertoonde een kleine barst, geen luchtige wolkjes dit keer. Het meest misplaatste vuurwerk dat ik ooit had gezien, dacht ik. De dag zo jong en alles al tot stilstand.


Maar daar was de eerste fietser al.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden