Vaders van het Middelnederlands

'Leermeester' is mooi, ook omdat het iets van trots, dankbaarheid zelfs, van de leerling kan uitdrukken. De relatie tussen de twee veronderstelt één generatie verschil en daarmee rechtstreeks contact....

De vaders uit het boek met die titel zijn met hun zeventienen. Ze hebben gemeen dat ze zich allen met de Middelnederlandse literatuur hebben beziggehouden - erflaters van een vak zijn ze dus. Het gaat om Noord-Nederlanders en Vlamingen en één Zwitser. De auteurs van de bijdragen aan het boek hebben gemeen dat zij, op verschillende wijze, betrokken zijn geweest bij het grootse project Nederlandse cultuur en literatuur in de Middeleeuwen, dat aan de Leidse universiteit geleid werd door Frits van Oostrom.

Die is inmiddels universiteitsprofessor in Utrecht. Daar hield hij gisteren zijn inaugurale rede. Hij heeft enkele keren om aandacht voor de voorgangers gevraagd. Zelden zal een vraag zo snel en uitgebreid beantwoord zijn. Het boek wordt hem aangeboden bij zijn vijftigste verjaardag, waarmee hij de weg op lijkt te gaan van de Zwitser Kurt Ruh, die ook op zijn vijftigste zijn eerste Festschrift kreeg - er zouden er nog vier volgen.

De eerste vader heet Balthazar Huydecoper. Hij leefde van 1695 tot 1778 en was als alle pioniers een amateur. Als letterkundige is hij vergeten, als groot verzamelaar en uitgever van middeleeuwse teksten, die hij meer als taalkundige dan als letterkundige verzorgde, is hij in het geheugen van de wetenschap gebleven, zij het in een zijkamer. Het is de tragedie van de alfa-wetenschappen dat alles steeds opnieuw gedaan moet worden, en dan worden de vaderen snel bij hun vaderen verzameld. De hele bundel kan het bewijzen.

Wat hebben de twee Vlamingen Jan Frans Willems en Philip-Marie Blommaert geen werk verzet in de ijverigste eeuw van onze beschaving, de 19de. De laatste heette 'Dezen onverdroten werkman in den Vlaamschen wijngaard'. Beiden waren ook - schitterende - amateurs, bij hun vooral filologische werk in de middeleeuwse letteren gedreven door hun Vlaming-zijn en de grootheid van het middeleeuwse Vlaanderen.

De grootheid van de drie is dat zij als superieure dilettanten de latere professionelen de weg hebben gewezen. Hoewel: de eerste geschiedschrijver van de Middelnederlandse letterkunde, W.J.A. Jonckbloet, die hoogleraar in Leiden werd, moest toch ook van niets af beginnen. Misschien is zijn strijd tegen de dilettanten wel te verklaren vanuit het gevoel - dat zijn zwierige ijdelheid voortdurend onderdrukte - dat hij zelf een dilettant was. Voor wie begint, komt aan verwijten in zijn richting geen einde. De verwaarlozing door Jonckbloet van de geestelijke letterkunde is hem heel lang nagedragen. In elk geval is met hem de studie van de Middelnederlandse letteren, en dat zowel taal- als letterkundig, universitaire ernst geworden.

De opvolgers kan men verdelen in de zuivere grote weters en de bewogen grote weters. Tot de eersten behoren de taalkundige Matthias de Vries, de auteur van het Middelnederlands woordenboek, Jacob Verdam (beiden in al hun weten heel gelukkige mensen) en de schrijver van de meest volledige, nog altijd geraadpleegde geschiedenis van de Nederlandse letterkunde, Jan te Winkel. (Een volgeladen goederentrein, dat werk, volgens de bijna alles vernietigende Gerard Brom in zijn Geschiedschrijvers der Nederlandse letterkunde.)

Hoofdvertegenwoordiger van bewogen wetenschap (die altijd felle polemiek meebrengt) is de Vlaamse jezuïet Jozef van Mierlo (1878-1958). Hij meende dat de middeleeuwse letterkunde alleen door katholieken gekend en doorvoeld kon worden, misschien eigenlijk alleen door hem en een enkele andere Vlaamse jezuïet. Die gedachte moet mede zijn enorme werkkracht hebben bepaald. Zijn tweede bewogenheid was een literaire: hij was zeker met het werk van Hadewych emotioneel-literair verbonden, waardoor hij buiten de rechtlijnige paden van de literatuurgeschiedschrijving leek te gaan. De geleerde was altijd in gezelschap van de literator in hem. Dat werkt op zijn lezers vaak inspirerend, al slaan de golven soms van de bladzijden af.

Hoe bescheiden is naast de heerszuchtige Van Mierlo de pater kapucijn Maximilianus van Moerdijk (1884-1963), die zo fijnzinnig de Middelnederlandse letterkunde (en Vondel) bestudeerde als zijn geest was. Hij kreeg het mooiste stuk uit het boek, maar wellicht ben ik bevooroordeeld: het beeld van zijn geschreven portret correspondeert geheel met mijn ervaring tijdens een enkele ontmoeting. Het stuk over hem wordt geëvenaard door dat over W.Gs. Hellinga, de befaamde, veelzijdige Amsterdamse hoogleraar die bijna alle bijvakken van zijn hoofddiscipline, de Nederlandse taalkunde, tot hoofdvak wist te maken! Hij begint op de gegeven afstand in de tijd steeds meer op die andere veelzijdige, Van Ginneken, te lijken.

Sommige stukken overtreffen elkaar, helaas, in saaiheid. Vaders inspireren kennelijk weinig. Of de zonen zijn op hun hoede. Maar enige bewonderende gemeenheid had er toch wel af gekund, zoals er plaats had moeten zijn voor de stijl van de voor geschiedschrijvers kenmerkende passages. Eén stuk is uitzonderlijk: dat over de taalkundige Gerrit Jacob Boekenoogen. Het is van een alles aantastende droefheid, zoals sommige 'Levensberichten' in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde (het stuk is ook naar opzet en stijl in de traditie daarvan geschreven) dat ook zijn. Het is me overigens onduidelijk wat deze kinderloze eenzame tussen al die vaders moet; hij wordt enkele keren 'verdienstelijk' genoemd, en dat is altijd een uiting van zeer zuinige lof. Het is me ook niet helder waarom geleerden als Willem de Vreese, C.C. de Bruin en de bevlogen Klaas Heeroma ontbreken.

Het slotstuk, over de zeer grote Kurt Ruh (die een geschiedenis van de Middelnederlandse mystiek schreef) sluit het boek op niveau af. Met hem lijkt ook de periode van de onvermoeibare publicisten afgesloten. De zeer productieve 19de eeuw heeft nog lang in de 20ste doorgewerkt, in dubbele betekenis. Misschien is daarmee ook de periode van de grote enkelingen voorbij. Het Leidse project bewijst dat het ene het werk van velen is. De wetenschap lijkt collectiever geworden.

Laat Van Oostrom dan de laatste enkeling zijn en blijven. Hij werkt nu aan de geschiedenis van de Middelnederlandse letterkunde. Van Mierlo is, op een afstand van ruim zestig jaar, zijn directe voorganger. Van Oostrom is niet katholiek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden