Vaders en dochters

Op een literaire conferentie in Berkeley vorige week ging het over Nederlandse oorlogsliteratuur, over fictie en authenticiteit, en over de boeken van Carl Friedman....

Een van de redenen voor ons verblijf hier was de conferentie die inseptember zou worden gehouden en waarbij Leon en ik eregasten waren: DutchLiterature and Culture in an Age of Transition. De conferentie zou tweedagen duren en van mij werd de eerste avond een keynote-speech verwacht,waarin ik het onder meer over de boeken van mijn vader zou hebben. Ditomdat de Tweede Wereldoorlog het thema van de cursus is die de studentenNederlands hier dit semester kunnen volgen. Argeloos had ik toegezegd, blijmijn vaders werk weer eens onder de aandacht te kunnen brengen.

Wat had ik gedaan?, vroeg ik me, naarmate de datum naderde, steeds vakervertwijfeld af. Mij opnieuw, met de tanden op elkaar, verdiepend in hetwerk van mijn vader - maar ook in dat van Sem Dresden (Vervolging,vernietiging, literatuur), Jacques Presser, Fania Fenelon, Carl Friedman, Abel Herzberg en het wreed helder alles samenvattende Anne Frank and aftervan Dick van Galen Last en Rolf Wolfswinkel - begon ik me te realiseren datik ongeveer niks moeilijkers wist dan het over mijn vaders werk te hebben.Wat hij heeft willen vertellen, heeft hij allemaal al in zijn boekenverteld, heel precies, met zijn kamerdeur op slot (letterlijk), elk woordzorgvuldig kiezend. Daar mocht en wilde ik helemaal niet aankomen. Dus datvertelde ik uiteindelijk maar.

Ik sprak over de twee uitersten op de schaal van aanvaardbaarheid vanliteratuur over de oorlog: van 'puurheid' tot kitsch, waarbij ik de notievan Sem Dresden probeerde uit te werken dat puurheid in feite altijd eenillusie is. Schrijven is nu eenmaal altijd een daad, een handeling dieafstand teweegbrengt. Ook kitsch, betoogde ik, is een uiterst subjectievetypering. Wat voor de een walgelijke verzoeting is van de bitterste feiten,is een shockerende eye-opener voor de ander. Wat is van meer gewicht?

Ik kwam te spreken over authenticiteit en noemde de verzonnenoorlogsherinneringen van Benjamin Wilkomirski als voorbeeld van decomplexiteit van dit probleem. Daarna kon ik niet vermijden de onthullingenuit het Algemeen Dagblad en het Nieuw Israëlietisch Weekblad van augustuserbij te halen, waaruit bleek dat schrijfster Carl Friedman zich jarenlangzonder bezwaar een joodse, getraumatiseerde achtergrond heeft latenaanleunen naar aanleiding van Tralievader, Twee koffers vol en De grauweminnaar. Ditmaal niet als eerste generatie, maar als tweede. Tot iedersverbazing bleek ze uit een katholiek Brabants gezin te komen, als CarolineKlop, met broers die zeggen zelf niet veel te hebben gemerkt van hetvermeend traumatische kampverleden van hun vader, die niet joods was maarwel in het verzet had gezeten. In de verbaasde stilte van een zaal volveramerikaniseerde Nederlanders en Amerikanen met een zwak voor Nederlandseliteratuur, vroeg ik mij af of Friedmans boeken hun meerwaarde haddenontleend aan deze buitenliteraire suggestie van authenticiteit.

Ik zei dat ik dacht van wel.

Wat eerst zo ontroerend was geweest aan met name Tralievader - detegendraadsheid, de antisentimentaliteit erin - was nu vals geworden, zeiik. Want waartegen was die suggestieve tegendraadsheid eigenlijk gekant?Alleen tegen het ongemak van de schrijfster zelf?

Of ik de afkomst van een schrijver soms essentieel vond bij hetbeoordelen van een literaire tekst, vroeg Mineke Schipper, een van deliteratuurwetenschappers die ik als eerstejaarsstudent begin jaren tachtiglas, beschuldigend. Teksten waren toch waardevrij?

Dat was ik natuurlijk meteen met haar eens. Ik had Tralievader altijdeen mooi boekje gevonden. Op zichzelf. Maar de achtergrond had een rolgespeeld, voor mijzelf maar ook voor mijn vader. Hij had iets herkend. Ikhad me verwant gevoeld. Waarom had Friedman zich niet actief verzet tegende misverstanden, tegen de manier waarop ze werd geportretteerd in deinterviews? Omdat ze merkte dat het de verkoop van haar werk geen kwaaddeed? Of was ze gaan geloven in haar eigen verdichtingen?

In de zaal werd gefluisterd. De vertaalster van Friedman bleek aanwezig.Ze was geschokt geweest, vertelde ze, door het bericht dat ze zelf ook nogmaar kort geleden had gehoord. Ze verbaasde zich over de stilte waarmee hetwas begroet in Nederland. In de VS zou het een schandaal zijn geworden, zeize. Van haar hoorde ik dat joodse vrienden van Carl die het nog maar netwisten, zich bedrogen en verraden voelden. Friedman had kennelijk ookprivé een web van leugens geweven.

Ik moest aan mijn vader denken, die Friedman ooit naar aanleiding vanTralievader had opgebeld. Een tralievader belde een traliedochter. Ze warenbevriend geraakt. Evenals hij was ze uitgenodigd geweest op een conferentieover de holocaust waar ook Sem Dresden te gast was. Wat zou hij hiervanhebben gevonden?

Toen mijn vader gestorven was, kwam Carl om afscheid te nemen. Ze hadhaar hoofd bedekt met een kleurige lap en wenste alleen gelaten te wordenbij mijn vaders kist, om kaddisj te zeggen.

In mijn lezing zei ik geen bezwaar tegen fictie te hebben als het gingom de Tweede Wereldoorlog. Fictie is autonoom, zei ik stoer. Maar kijkendnaar de blanco gezichten van mijn jonge Amerikaanse studenten, wier kennisvan de holocaust ik vurig hoopte zo puur mogelijk te houden, dacht ik: Alheeft iedereen recht op zijn eigen gekte, deze gekte (van Friedman) voeldeachteraf als een beschadiging van mijn vaders integriteit, een aantastingvan de authenticiteit van de hel die hij had overleefd.

Ik kon er niets aan doen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden