‘Vader vond films maken niet bijzonder leuk’

Juan Luis Buñuel is regisseur, beeldhouwer, schilder, fotograaf. En zoon van. Voor een documentaire reisde hij langs de plekken waar zijn vader, de wereldvermaarde filmmaker Luis Buñuel, woonde en werkte....

‘Betaalt uw krant de lunch?’, vraagt Juan Luis Buñuel bij de deur van brasserie La Coupole, aan de Boulevard Montparnasse in Parijs. Zonder het antwoord af te wachten stiefelt hij naar een plek achterin de zaak. Onderweg wijst hij naar rechts: ‘Daar zat mijn vader altijd. Hij kwam hier sinds de opening in 1927 met zijn vrienden. Tout Paris kwam hier. Toen hadden ze nog van die papieren tafelkleedjes, waarop je lekker kon tekenen. En toen stond dat lelijke beeld nog niet in het midden van de zaak. Ik haat het; het is het lelijkste beeld dat ik ooit heb gezien. Ik zit tegenwoordig eigenlijk vaker aan de andere kant van de straat, bij Sélect.’

Juan Luis Buñuel is de zoon van de wereldvermaarde Spaanse filmmaker Luis Buñuel. Hij werd in 1934 geboren in Parijs, groeide op in New York, Hollywood en in Mexico-Stad, studeerde in de Verenigde Staten en woont tegenwoordig weer in Parijs. Nog tijdens zijn studie 19de-eeuwse Engelse literatuur begon Juan Luis Buñuel als regieassistent te werken. In 1966 regisseerde hij zijn eerste eigen film: de documentaire Calanda, gesitueerd in het geboortedorp van zijn vader. Sindsdien maakte hij documentaires, televisiefilms en een handjevol bioscoopfilms – de bekendste is waarschijnlijk La femme aux bottes rouges (1974), met onder anderen Catherine Deneuve, Fernando Rey en Michel Piccoli, acteurs die ook veelvuldig in de films van zijn vader te zien waren. Juan Luis Buñuel is tevens beeldhouwer, schilder en fotograaf; hij exposeert nog regelmatig.

Recent reisde hij samen met scenarioschrijver Jean-Claude Carrière langs de plekken waar zijn vader woonde en werkte, voor de Spaans-Duitse documentaire El último guión – Buñuel en la memoria, die op 29 juli – de sterfdag van Luis Buñuel – klaar moet zijn. Donderdag 8 mei is Juan Luis Buñuel in Amsterdam, om een omvangrijk Luis Buñuel-retrospectief in het Filmmuseum te openen.

Juan Luis, die veel van Luis wegheeft, vindt het niet vervelend om over zijn vader te praten. ‘Je leert er mee leven. Ik begrijp het ook wel, hoor. Thuis heb ik Google Alert ingesteld. Elke dag verschijnt er wel een groot stuk over mijn vader in een Engelstalige krant. Het is ook terecht, hij was een geweldige artiest, een bijzonder denker en bovenal een erg grappige man.’

Juan Luis Buñuel droomt vaak over zijn vader. ‘Maar het zijn waarschijnlijk niet het soort dromen waarop u doelt; het zijn geen dromen die duiding behoeven. Ik droom vaak over mijn vader, zoals ik ook vaak over mijn moeder droom en over mijn vrienden. We hebben samen veel meegemaakt en hadden een zeer hechte band.’

De eerste film die Juan Luis van zijn vader zag, was Un chien andalou, zijn samen met Salvador Dalí gemaakte, slechts 17 minuten durende debuut uit 1929, waarin de dromen van de beide surrealisten zijn verbeeld: een hand vol mieren; een scheermes dat een oog doorklieft, rijmend op het beeld van een dunne wolk die de maan doorsnijdt. ‘Ik moet een jaar of vijftien, zestien zijn geweest. We woonden in Mexico-Stad, ik zat op een Amerikaanse high school. Met mijn vrienden ging ik wel eens naar een western, maar ik wist eigenlijk niets van film. Op een dag had hij een projector geleend en liet hij me een 16mm-kopie zien. Ik begreep er niets van, ik had geen idee waarover het ging. En hij zei helemaal niets.’

Veel later hebben ze het nog wel eens gehad over Un chien andalou. Over de gestreepte stropdas van de hoofdpersoon, bijvoorbeeld, waarover ellenlange essays zijn geschreven. ‘Mijn moeder had hem op de ochtend van de opnamen gekocht. Het was de eerste die ze zag hangen. Maar wat er vervolgens allemaal is geschreven over de betekenis van de strepen. . . Mijn vader lachte zich gek.’

Maar dat was later; tijdens zijn jeugd werd er thuis nauwelijks over film gesproken. ‘Mijn vader was er niet in geïnteresseerd. Mijn moeder was er niet in geïnteresseerd. Mijn broer en ik waren er niet in geïnteresseerd. Dus was het geen onderwerp van gesprek.’ Toen zijn jongere broer een jaar of vijftien was, werd hem eens gevraagd wat zijn vader deed. ‘Hij wist het eigenlijk niet precies. Mijn vader maakte redelijk bescheiden films in Mexico, als hij geluk had twee per jaar. Daar was hij dan een week of vier mee zoet. Maar meestentijds was hij thuis, en zat hij te lezen of schrijven in zijn werkkamer. Dat vond hij eigenlijk het fijnst. Hij vond films maken niet bijzonder leuk. Hij moest het echter wel doen om in zijn onderhoud te voorzien. Maar nogmaals: wij kregen daar niet zo veel van mee. Naar ons idee werkte hij eigenlijk nooit.’

Het enige wat Luis Buñuel met zijn jongens deed was schieten. ‘We hadden 82 pistolen en waren lid van de schietvereniging buiten Mexico-Stad. Mijn vroegste herinnering aan mijn vader is dat ik op zijn knie zat – ik was drie jaar oud – en hij uit het raam met een luchtbuks op de bladeren aan de bomen schoot. Zijn andere passie waren insecten. We gingen vaak picknicken buiten de stad en dan liet hij ons insecten, spinnen en schorpioenen zien. Het was een erg leuke jeugd. Maar we spraken niet over film.’

Toch belandde ook Juan Luis in de filmwereld. Toen hij tijdens zijn studie de zomer doorbracht bij zijn ouders in Mexico-Stad kwam een bevriende producent hem opzoeken. ‘Hij zei: jij spreekt toch Spaans en Engels? Er is een regisseur die een assistent zoekt. Ik antwoordde dat ik helemaal niets van film wist en helemaal niets om film gaf. Dat was geen enkel probleem, ik hoefde alleen zijn aanwijzingen maar te vertalen voor de Mexicaanse crew. Als ik wat wilde bijverdienen, moest ik me de volgende ochtend maar melden, en vragen naar Orson Welles.’

Welles, regisseur van onder meer Citizen Kane (1941) en The Third Man (1949) werkte in Mexico aan Don Quixote, een film die pas na zijn dood is afgemaakt door de Spaanse cultregisseur Jesus Franco. ‘Ik kende Welles eigenlijk niet zo. Ik wist dat hij dat hoorspel had gemaakt, War of the Worlds, maar Citizen Kane had ik nooit gezien. Achteraf is het best jammer dat net dit mijn eerste baantje in de filmwereld was. Toen boeide het me nauwelijks. Nu zou ik maar al te graag assistent van Welles willen zijn, om hem alles over het vak te vragen.’

Door zijn talenkennis werkte Juan Luis Buñuel mee aan tal van co-producties, waaronder de Frans-Duits-Mexicaans-Amerikaanse productie Viva Maria! (1965) van Louis Malle (‘Ik was de enige die alle talen sprak’) en vier films van zijn vader. ‘De eerste keer dat ik met hem werkte was aan La fièvre monte à El Pao, een Frans-Mexicaanse film. In de contracten stond dat hij een Franse assistent moest hebben. Ik was lid van de vakbond van technici en de enige die Frans en Spaans sprak. Hij moest me dus wel nemen, of hij nu wilde of niet.’

De eerste film die hij zelf regisseerde was Calanda, over een ritueel in het gelijknamige dorp in Aragón in het noordoosten van Spanje, waar zijn vader in 1900 werd geboren als zoon van een steenrijke grootgrondbezitter. Daar wordt jaarlijks op Goede Vrijdag vierentwintig uur aaneen op trommels geslagen door mannen en vrouwen uit de regio – tot bloedens toe, tot de vellen erbij hangen. In zijn autobiografie Mijn laatste zucht (1982) is een hoofdstuk gewijd aan het ritueel; Buñuel gebruikte het ritmische, opzwepende geluid van de trommeloptocht voor meerdere soundtracks, waaronder die van L’Age d’or en Nazarin. ‘Calanda is alleen op festivals te zien geweest. Hij is niet gedistribueerd; niemand was geïnteresseerd in dat getrommel. Het is een soort van antropologische film, en absoluut niet commercieel. Als u wilt, kan ik u hem thuis wel even laten zien. Hij duurt nog geen half uur.’

Thuis is een vorstelijk appartement, vier metrohaltes verder, in het 14de arrondissement. Juan Luis laat er een aantal van zijn zelfgemaakte, bronzen sculpturen zien. En hij wijst bijna achteloos op andere pronkstukken: een schilderij dat zijn cameraman voor hem maakte, waarop hij is afgebeeld als Jezus Christus; een lemen beeld van een vrouw met een Syrische baard en een jurk van kinderhoofdjes, die hij kocht in Mexico. ‘En dat daar is een Miró, een goeie vriend. Dit beeldje is van Alexander Calder. En dit zijn foto’s van mijn vader en moeder gemaakt door Man Ray.’ De bronzen camera die hij won voor Calanda staat tussen een dierenencyclopedie en een dik boek over de film Nazarin.

Tijdens de privé-screening blijft Juan Luis gewoon doorvertellen. ‘Die vrouw daar is mijn tante. Kijk, dat is mijn oom.’ Als er een skelet met een zeis opduikt in de katholieke processie, legt hij uit hoeveel indruk dat beeld op zijn vader heeft gemaakt. ‘Hier ligt de basis voor veel van mijn vaders films.’

Vorig jaar keerde Juan Luis terug naar de streek voor een vervolg: Calanda: 40 años después (dat net als Calanda wordt vertoond tijdens het Buñuel-retrospectief in Amsterdam). ‘Het dorp is compleet veranderd. Er is een straat naar mijn vader vernoemd. Dat zei hem weinig. Toen we er lang geleden eens liepen, zei hij: ‘Een paar jaar geleden hadden ze me doodgeschoten als ik hier had gelopen.’’

Juan Luis zegt geen last van zijn achternaam te hebben gehad. ‘Ook geen voordeel overigens. Mijn naam heeft nooit deuren geopend die anders gesloten zouden blijven. Het enige waar producenten in geïnteresseerd zijn is of je script goed is, en of je in staat bent om het binnen de afgesproken tijd en met het afgesproken budget te verfilmen. Ik heb nog wel tien scripts liggen. Maar het lukt niet om ze gefinancierd te krijgen. Daar heeft iedere filmmaker last van, ook mijn vader. Hij had het geluk dat hij op een gegeven moment een goede producent tegen het lijf is gelopen, Serge Silberman. Dat was een fantastische zakenman, die ook met de ingewikkeldste films nog geld wist te verdienen.’

Zijn vader heeft nooit veel overgehouden aan zijn films, beweert Juan Luis. ‘Als mijn vader klaar was met film, kreeg hij zijn geld en mocht de film wat hem betreft worden verbrand. Rechten wilde hij niet. Dat vond hij veel te veel gedoe. Dan kwam een film uit in China, en moest hij daar weer achteraan. De meeste producenten zijn inmiddels dood, de rechten zijn verhandeld. Martin Scorsese heeft nu bijvoorbeeld de rechten op Belle de jour. Martin Scorsese presents Belle de jour staat er nu aan het begin van de film. Belle de jour was overigens een van de weinige films van mijn vader die echt succesvol zijn geweest. Hij vond dat maar niets; hij vroeg zich af of hij iets verkeerd had gedaan.’

Zelf maakt hij bijna alleen nog maar kleine filmpjes. Voor een publiek bestaand uit zijn twee neefjes en zijn broer. ‘Het zijn filmpjes over de straat waarin ik woon, of van vrouwengezichten. Ik heb hetzelfde geprobeerd met mannengezichten, maar die zijn saai. En ik film als ik op reis ben. Toen ik begin dit jaar in Berlijn was, heb ik Nefertiti gefilmd. Ze is schitterend.’

Aan de documentaire El último guión, waarvan een voorlopige montage wordt vertoond in Amsterdam, houdt hij ook geen cent over. Hij deed mee omdat zijn vriend Jean-Claude Carrière het hem vroeg. Maar in het algemeen laat hij zich steeds minder makkelijk verleiden door festivals of filmmakers. ‘Ik had het zo moeten doen als Catherine Deneuve. Die vraagt 10 duizend euro als je haar gezicht wilt zien. Toen ik laatst een paar dagen op een festival in Londen was, moest ik zelf mijn ontbijt betalen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden