UREN IN DE VRIESKOU

Steeds vaker reizen belangrijke kunstwerken de wereld over voor prestigieuze tentoonstellingen. De toename aan bruikleenverkeer vergroot de zorgen over de effecten hiervan op de vaak kwetsbare stukken....

Vijf Franse televisieploegen waren bij de opening van de tentoonstelling Rembrandt-Caravaggio, vorig jaar in het Van Gogh Museum. Voornamelijk omdat er een ongekende bruikleen hing: Bathseba van Rembrandt, uit het Louvre.

Voor wie zich niet met bruiklenen en herkomst bezighoudt en gewoon de tentoonstelling bezocht, was het weinig bijzonders. Maar voor wie de mechanismen achter het mondiale museale bruikleenverkeer kent, was het heel wat. Zo’n prominent schilderij uit een van de drukst bezochte musea ter wereld, dat nu hier hing. En dus tijdelijk een gat achter liet in Parijs.

Steeds vaker en steeds meer reizen belangrijke kunstwerken de wereld over voor prestigieuze tentoonstellingen. Maar dat reizen gaat allerminst zonder weerstand. Zo bleek vorige maand in Italië: het Uffizi-museum in Florence had besloten haar pronkstuk De Annunciatie van Leonardo da Vinci naar Japan te laten reizen. Ophef alom. Senator Paolo Amato van Berlusconi’s partij Forza Italia ketende zich uit protest vast aan de hekken van het immense museum.

Met de toename aan bruikleenverkeer, groeien de zorgen over de effecten hiervan op de vaak kwetsbare kunstwerken. Onlangs nog beschuldigden medewerkers van het Gemeentemuseum in Den Haag de directie ervan dat ze te gemakkelijk met bruiklenen omgaat. De topcollectie Mondriaanschilderijen zou ‘sleets’ worden door overmatig uitlenen, zeiden zij anoniem in de media.

Het riep vragen op naar regels, interne protocollen en een gedegen nationale of internationale controle op bruikleenverkeer. Het Gemeentemuseum zei eerder tegen de Volkskrant dat het zich aan regionale en internationale afspraken omtrent bruikleenverkeer houdt. Op navraag meldt conservator Hans Janssen in een schriftelijke reactie dat er van ‘eenduidige regionale, landelijke of internationale richtlijnen geen sprake is’. Ook binnenshuis is er geen op schrift gesteld protocol. Wel ‘stellen de conservatoren, restauratoren en registrars zich voortdurend op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op internationaal gebied.’ Maar niemand die het controleert. Het Gemeentemuseum leent ongeveer achthonderd schilderijen per jaar uit. Dat is veel.

Zijn er dan helemaal geen regels? Jawel. Onderzoeksinstituten als het Instituut Collectie Nederland (ICN) en het Landelijk Contact Museumconsulenten (LCM) hebben richtlijnen op schrift gesteld over preventieve conservering, risico-inschatting en juiste omgang met kunstwerken bij transport. Ook in het buitenland zijn vele handboeken verschenen, zoals het Britse Art Loans van Norman Palmer en het Amerikaanse New Museum Registration Methods.

Maar uit navraag bij enkele musea blijkt dat deze nauwelijks als standaard worden gehanteerd. Hans Janssen, per mail: ‘De syllabus van het LCM hebben wij in de bibliotheek en de betrokkenen hebben zich er rekenschap van gegeven in het kader van het aanscherpen van de eigen waarnemingen.’

Ook hoofd Beeldende Kunst van het Amsterdamse Rijksmuseum Taco Dibbits zegt de handboeken te kennen. ‘Maar we zijn groot en hebben veel bruikleenverkeer, daarom werken we ook aan het bijstellen van die voorschriften’. Wel worden de handleidingen gebruikt voor interne opleidingen van personeel.

Restaurator René Hoppenbrouwers van de stichting Restauratie Ateliers Limburg (SRAL) is groot voorstander van standaardisering van bruikleenvoorschriften. ‘Er is geen alarmfase in Nederland, maar er moet nog wel veel gebeuren. Grote musea hebben het goed voor elkaar met aparte registratie- en inpakafdelingen, maar de kleinere werken met weinig budget. Die pakken soms zelf in en regelen een eigen vrachtwagentje.’

En soms gaat er wat mis. Hoofdconservator Charles de Mooij van het Noordbrabants Museum, dat qua grootte tot de middenklasse behoort, maakte het mee. Zijn museum, met een collectie van ongeveer duizend schilderijen, heeft geen eigen restauratieatelier, wel een ‘éénvrouws-registratiebureau’. Hij leent zo’n veertig werken per jaar uit, nooit de kerncollectie. Zelf leent het museum veel meer van andere musea en particulieren. Technische dienst en depotbeheer pakken zelf de werken in, zonodig wordt een freelance restaurator ingehuurd om de werken na te kijken. Een professionele transporteur als Hizkia van Kralingen of Gerlach doet het vervoer.

Ondanks conditierapporten, opgesteld door het eigen museum en ‘facility reports’ – vereiste verslagen over klimaatcondities die de bruikleennemer verstrekt – loopt het schilderij risico, zegt De Mooij. ‘In 1998 heb ik eens vier panelen naar een museum in Spanje gebracht – niet eens een klein museum. Stonden de werken daar te ‘a-klimatiseren’ bij een open deur. Het was veertig graden. Het museum wilde de panelen naast de deur ophangen.’ Het kostte een week voor het museum alsnog aan de voorschriften voldeed. ‘Dat is best heftig’.

Bij het meeste bruiklenen is het transport zelf niet het grootste probleem, zeg restaurator Hoppenbrouwers: ‘Risico’s van trillingen en klimaatveranderingen worden goed opgevangen zolang een werk in een goede kist wordt vervoerd.’ Een klimaatkist wordt op maat gemaakt door kunsttransportbedrijven. De bouw en het materiaal zorgen voor continuïteit van het klimaat in de kist.

Ook volgens Dibbits is het transport niet de grootste kopzorg. ‘Twintig jaar geleden namen ze bij wijze van spreken een schilderij mee onder hun arm het vliegtuig in. Ik heb er nog een foto van; de minister van Cultuur stapt vrolijk het vliegtuig uit met een Jan van Scorel in haar hand. Dat is nu ondenkbaar. Er wordt veel onderzoek gedaan en technisch is het bruikleenverkeer zo vooruit gegaan dat we niet bang hoeven zijn.’

Het gaat, zo zeggen beide specialisten, om de momenten daaromheen. ‘Als een werk uren in de vrieskou wordt gezet op een vliegveld bijvoorbeeld’, zegt Hoppenbrouwer. ‘Daar doe je niks tegen’. Of als een werk niet zoals gebruikelijk, na aankomst 32 uur in quarantaine gaat in het depot van het museum waaraan het wordt uitgeleend. Of als de klimaatomstandigheden ter plekke niet goed blijken te zijn.

Zo moet er tussen 40 en 50 procent relatieve luchtvochtigheid zijn, zegt Hoppenbrouwers. ‘Komt het daaronder, dan kunnen panelen en verf gaan trekken, komt het daarboven, dan kan bijvoorbeeld een doek uitzetten en slap gaan hangen’.

Om de risico’s die bij transport en beheer van kunstwerken komen kijken in kaart te brengen, doet Agnes Brokerhof onderzoek voor het ICN. Over de resultaten geeft het ICN cursussen aan musea en het werkt aan een standaardregulering.

Wat haar betreft moeten musea vooral goed kijken wat nou echt de grootste risico’s zijn, voor ze investeren in dure maatregelen. ‘Veel musea investeren in bruikleentransporten. En als het schilderijtje dan binnenshuis moet worden vervoerd, pakken ze even snel een paar handschoenen, lopen de lift in en botsen tegen de deur.’

Eigenlijk, zegt ze, zijn licht en menselijk contact de grootste risicofactoren voor kunst. Én, heel belangrijk: vertrouwdheid. ‘Net als een gezin dat terugkomt van vakantie. Alles is goed gegaan, maar ze draaien de eigen straat in en rijden prompt tegen een hek. Je let niet op als een omgeving bekend is.’

Om die omgevingsrisico’s te beperken stuurt een museum doorgaans een koerier mee met een bruikleen. Dibbits: ‘Meestal gaat de restaurator mee als koerier, soms een conservator.’ Die moet overal controle op houden. ‘Of alles goed gaat bij de douane, of licht, luchtvochtigheid en temperatuur goed zijn ter plaatse. Het is veel administratie.’

De koerier is het belangrijkste controle-instrument van het uitlenende museum, maar vooraf aan transport en koerier gaat een proces dat in veel musea een ‘ongeschreven protocol’ is.

Na de gebruikelijke informele contacten tussen conservatoren – om naar de conditie van een werk te informeren – volgt de aanvraag. In het Rijksmuseum wordt die volgens vast patroon afgehandeld, legt Dibbits uit. ‘Er komt een brief die we in het maandelijks conservatorenoverleg bespreken. De conservatoren beslissen dan eerst inhoudelijk; is de tentoonstelling interessant genoeg?’ De argumenten voor de bruikleen moeten groter zijn dan het gat dat ontstaat in het eigen museum als het is uitgeleend.

Het gaat om de inhoud. Zo vindt Dibbits monografische tentoonstellingen doorgaans belangrijk. ‘Je plaatst een werk in de context van het oeuvre van de kunstenaar. Dat kan tot nieuwe inzichten leiden.’ Want in een museum hangt het natuurlijk niet in eigen context. ‘Het is nu eenmaal zo dat de collectievorming van de meeste musea van toevalligheden aan elkaar hangt.’ Wat de staat of de eigenaar kon en wilde kopen, werd toegevoegd.

Na de inhoudelijke beslissing of een werk kan reizen gaat het verzoek naar een restaurator, in het geval van de meeste voormalige rijksmusea een afdeling binnenshuis. Hij kijkt of een werk stabiel genoeg is om te reizen. En adviseert dan negatief of positief aan conservator en de directie, bij wie de eindbeslissing ligt. ‘In theorie kan die afwijken van het advies, maar bij mijn weten is dat nooit gebeurd’, zegt Dibbits. Sommige werken mogen echt niet reizen, al wil de directie het nog zo graag. ‘Zoals bij pastels. Als je die een keer hard neerzet, dondert het pigment eraf. Die moeten zo voorzichtig verplaatst worden dat we ze niet uitlenen’.

Soms botsen inhoudelijke en technische afwegingen. ‘We hebben bijvoorbeeld één werk van Goya, een portret. Een ongelooflijk mooi werk maar heel fragiel. Het reist niet; we hebben onlangs nog een verzoek van de Londense Royal Academy geweigerd. Maar stel nou dat er een groot Goya-overzicht in het Prado komt, dan zouden we wel willen proberen het daarheen te krijgen. Wat dat kan een belangrijke bijdrage leveren aan het inzicht in Goya en we willen dan graag als Rijksmuseum vertegenwoordigd zijn.’

Ondanks de ongeschreven protocollen, en ondanks dat het af en toe mis gaat, zijn de meeste museumspecialisten tegen gestandaardiseerde voorschriften. Hoofdconservator De Mooij vertrouwt doorgaans de musea waarmee hij werkt. ‘Het reguleert zichzelf: als een museum eenmaal een slechte naam heeft, weet iedereen dat binnen de kortste keren, het netwerk is klein. Wij zullen niet gauw meer aan dat museum in Spanje uitlenen.’

Wat registrar André Jordaan van het Haagse Mauritshuis betreft, is dat netwerk zo sterk dat een transport als dat van het Noordbrabants Museum niet had hoeven misgaan. ‘Als je een museum niet kent, licht je het door. Je informeert bij collega’s of je belt een collega in het buitenland om er even langs te gaan.’

Ook Jordaan, die in 2003 de Registrars beroepgroep in Nederland mede-oprichtte om professionalisering te bevorderen, is tegen protocollen. Maar dan voornamelijk omdat die er volgens hem al zíjn.

Weliswaar indirect: er zijn in Nederland twee regelingen, legt hij uit, een kaderregeling tussen de grote musea, en de indemniteitsregeling van de overheid. Hierdoor hoeven musea de torenhoge verzekeringskosten niet volledig te betalen. In het geval van de kaderregeling keert een verzekering uit als er iets mis gaat, in het geval van de indemniteitsregeling stelt de overheid zich aansprakelijk als er iets misgaat. Deze regelingen zorgen ervoor dat de controle van musea onderling en verzekeraars streng is, omdat er grote belangen mee zijn gemoeid, zegt Jordaan: ‘Zonder indemniteitsregeling zou geen museum in Nederland een grote internationale bruikleen kunnen betalen. Verzekeringsmaatschappijen en musea stellen zulke hoge eisen dat het nauwelijks mis kan gaan’.

Behalve bij de musea die niet aan de regelingen gebonden zijn. En dat zijn de kleinere. ‘Ja, wat dat betreft, heb ik makkelijk praten. Wij krijgen eigenlijk nauwelijks aanvragen van kleinere musea.’

Is er dan toch een nationaal orgaan nodig om toezicht te houden? Restaurator Hoppenbrouwers vindt van wel: ‘Er is wel een cultuurinspectie maar die houdt zich hier verre van. Dit is een wereldwijd probleem, nagenoeg geen enkel land oefent controle uit op musea; alleen Griekenland en de Duitse deelstaat Mecklenburg-Vorpommern.’

Want een collectie kan, zoals het Gemeentemuseum werd verweten, wel degelijk ‘sleets’ raken van te veel reizen, zegt onderzoekster Agnes Brokerhof: ‘Het zal wel figuurlijk bedoeld zijn geweest, die opmerking over sleetsheid. Het gaat immers niet alleen om slijtage: verandering van licht, luchtvochtigheid en klimaat kunnen een behoorlijke opdonder geven aan schilderijen. Maar ook letterlijk: veel musea poetsen hun werken graag nog even op voor ze worden uitgeleend. Dat kan slijtage van de verf opleveren’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden