UNIVERSITEIT VINDT HET EIGENLIJK WEL BEST ZO

Men gaat collectief op in het commercieel schimmenspel..

De universiteit is welbeschouwd een tamelijk karakterloze instelling die iederéén wil behagen, en nooit eens nee verkoopt wanneer het onmogelijke van haar wordt gevraagd. Haar modernisering heeft weinig om het lijf. Het bachelor-master model wordt niet benut als breekijzer voor het knellende stelsel. Kennelijk bevalt de huidige eenvormigheid de universiteiten wel.

Of de 'oude universiteit' - het kleine elite-instituut van zo'n 40, 50 jaar geleden - een herbergzame plaats was voor studenten, is twijfelachtig. De leermeesters werden uitsluitend op grond van hun wetenschappelijke verrichtingen tot het hoogleraarschap beroepen. Hun didactische kwaliteiten lieten meer dan eens te wensen over.

Nochtans waren de studenten hun alle respect verschuldigd. Zo werden de Groninger studenten nog tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw geacht voor de aanvang van hun studie in jacquet en hoge hoed hun opwachting te maken bij hun professor. Deze bijeenkomsten werden door de deelnemers hooguit memorabel geacht, maar gezellig waren ze zelden. En dat was vermoedelijk ook niet de bedoeling van de gastheer en diens eega.

Studenten-oude-stijl werden nog geregeld bij de hoogleraar thuis getentamineerd. En die putte zich doorgaans niet uit in blijken van goed gastheerschap of in gebaren waarmee de student op zijn gemak moest worden gesteld. Integendeel. Schutterende kandidaten wekten geen mededogen op bij hun leermeester, maar riepen diens hoon of wanhoop over zich af, of kregen ongevraagd het advies uit te zien naar werk waarbij zij lekker hun hánden konden gebruiken.

De universiteit achtte zich niet schatplichtig aan de samenleving, en was immuun voor de waan van de dag. Daarvan getuigen haar treurige lotgevallen tijdens de Duitse bezetting. Wetenschap behoorde tot een ander domein dan politiek - waarvan de oorlog een uitvloeisel vormde. Aan de gevolgen van die oorlog liet zij zich zo min mogelijk gelegen liggen. En tegen de voortgaande samenwerking met Duitse collega's hadden maar weinig hoogleraren principiële bezwaren. Zo hing de vroegere rector magnificus van de Utrechtse universiteit, Van Vuuren, nog in juli 1945 de stelling aan 'dat de wetenschappelijke betrekkingen met den vijand moesten worden onderhouden'.

Dit standpunt, dat de kern vormde van wat eertijds het 'Utrechts model' werd genoemd, mag vanuit hedendaagse perspectief dan van een grote wereldvreemdheid getuigen, het bood in elk geval houvast. En daaraan ontbreekt het de hedendaagse universiteit ten enen male. Critici van de academische status quo hekelen niet zozeer het feit dat de universiteit zich heeft ontwikkeld tot een massa-instelling, of dat ze zich naar de mores van het bedrijfsleven heeft gevoegd, maar ze laken vooral de karakterloosheid van een universiteit die álle partijen ter wille is - hoezeer hun verlangens onderling ook botsen. Een universiteit die zichzelf respecteert, en die weet wat ze wil, moet ook eens nee durven verkopen als het onmogelijke van haar wordt gevergd.

De universiteit doet wel eens denken aan de katholieke kerk in de jaren zeventig. Met beatmissen en andere modernismen poogde ze de jeugd aan zich te binden zonder de behoudender parochianen van zich te vervreemden. Zoals bekend, was dat een onmogelijke opdracht. Toch doen de universiteiten - met even weinig succes - hetzelfde. Ze ontlenen hun bestaansreden als vanouds aan 'academische vorming' - al weet niemand precies wat daaronder moet worden verstaan -, maar zien er evenmin been in modieuze opleidingen of 'kundes' aan te bieden. Ze suggereren een meerwaarde ten opzichte van de hogescholen, maar doen in beroepsgerichtheid nauwelijks voor hen onder. Ze pretenderen eerherstel voor het onderwijs, maar rekenen hoogleraren vooral af op hun citatiescores.

Er heeft zelfs een nieuw type hoogleraar zijn intrede gedaan: de universiteitsprofessor. Die wordt door zijn broodheer zó waardevol geacht, dat hij wordt vrijgesteld van bestuurswerk, onderwijs en andere vormen van corvee. De productiviteit van de betrokkenen zal er ongetwijfeld mee zijn gediend. Maar aan de nagestreefde statusverhoging van het onderwijs levert de universiteitsprofessor geen bijdrage.

Het maakt allemaal een nogal halfslachtige indruk. Net als de selectieve imitatie van het bedrijfsleven, en de kolderieke grootspraak van collegevoorzitters die hun universiteit met gerenommeerde zusterinstellingen in de Verenigde Staten vergelijken. Hun eigen compromis-formules staan met die pretentie op gespannen voet. De Amerikaanse elite-instellingen waaraan zij zich zo graag spiegelen, leggen immers een ondubbelzinnigheid aan de dag die in Nederland ontbreekt. Zij profileren zich als onderwijs-universiteit of als research university, en kunnen zich in de regel weinig voorstellen bij het sleetse gebod van Von Humboldt dat beide takken van sport tezelfdertijd moeten worden bedreven. Voor hen is het niveau van de studenten van meer belang dan hun aantal. Zij mobiliseren alle alumni om het verborgen talent, waar zich dat ook bevindt, te scouten.

Anders dan wij, Europeanen, vaak veronderstellen, is de vraag of de getalenteerde student zijn opleiding zelf kan betalen van ondergeschikt belang. Armlastigheid is nooit een reden om een student te weren. Wie kán studeren, moet daar door een genereuze verstrekking van beurzen toe in de gelegenheid worden gesteld. En om deze sociale taak te kunnen vervullen, gaan de universiteiten verbintenissen aan met de industrie en particuliere weldoeners. Bij hun vermogensbeheer zijn doorgaans meer personeelsleden betrokken dan bij de academische core business.

Over de superioriteit van het Amerikaanse bestel kan men van mening verschillen. Nog afgezien van het feit dat de eminentie van de Ivy League wordt geflankeerd door de middelmatigheid van de naamloze universiteiten. Zijn duidelijkheid spreekt echter in zijn voordeel. En daarvan zijn de Nederlandse universiteiten zich bewust. Getuige hun pogingen het onderwijs op Amerikaanse leest te schoeien. De vernieuwing die hiervan het gevolg is raakt echter niet het wezen van ons wetenschappelijk onderwijs. Ze beperkt zich tot een oefening in window dressing.

Neem de concurrentie waarin de Nederlandse onderwijsinstellingen tegenwoordig verwikkeld menen te zijn. Die heeft een nogal cosmetisch karakter. De universiteiten benoemen slechts wat ze al hebben, en articuleren waar ze goed in zijn. Maar de intrinsieke waarde van hun diploma's is en blijft dezelfde.

Verder zou de jacht op de 'excellente student' zijn ingezet. Elke universiteit doet parmantig afstand van de nivellering van weleer, en beloont goede prestaties. De Universiteit Leiden maakt school met het 'bindend studieadvies' waarmee ze aan het eind van het eerste jaar de kaf van het koren scheidt, en heeft voor de bovenmodale student de zogenoemde honour's class in het leven geroepen. Utrecht heeft haar University College, waar getalenteerde studenten uit binnen- en buitenland een driejarig undergraduate-programma kunnen doorlopen.

Dergelijke initiatieven vormen echter slechts een aanvulling op het bestaande curriculum. Ze verlossen het reguliere onderwijs niet van zijn eenvormigheid. Dat zou de krachten van de universiteit ook verre te boven gaan. De eenvormigheid van het wetenschappelijk onderwijs is immers verankerd in de uniforme studieduur (buiten de bèta-disciplines) van vier jaar, de bekostiging van universiteiten op basis van het aantal verstrekte diploma's, en het verbod om studenten 'bij de poort' - dat wil zeggen: vóór de aanvang van de studie - te selecteren. Daarnaast ontmoedigt het stelsel van kwaliteitsbewaking, het visitatiesysteem, de Alleingang van universiteiten. De deugdelijkheid van hun 'producten' wordt beoordeeld op basis van vaste criteria. Geen universiteit kan zich aan de orde van de visitatiecommissie onttrekken.

Niets duidt erop dat daar ook veel animo voor bestaat. De universiteiten wekken de indruk, hun periodiek geuite bitterheid over uitstaande bezuinigingen ten spijt, al met al redelijk tevreden te zijn met de status quo. Zelfs de introductie van het bachelor-master model, die volgens minister Hermans over twee à drie jaar al haar beslag moet hebben gekregen, wordt niet aangegrepen voor een collectieve aandrang op verruiming voor de studieduur. Daarmee wordt een schot voor open doel gemist. Hermans heeft zich vorig jaar in Bologna immers gecommitteerd aan de 3-2 formule: een driejarige bachelorfase, gevolgd door een tweejarige masterfase. Daar had hij gewoon op kunnen worden aangesproken. Uit beduchtheid voor verstoring van de vrede die onder deze minister aan het academisch front heerst, lijken de universiteiten zich echter bij de vierjarige studieduur en de overige beperkingen in hun bewegingsvrijheid te hebben neergelegd. Alleen de Utrechtse collegevoorzitter, J. Veldhuis, stelde tijdens de opening van het academisch jaar de studieduur aan de orde. Maar hij deed dat zo discreet, dat het nauwelijks werd opgemerkt.

Misschien zijn er goede redenen voor deze behoudzucht. De Nederlandse universiteiten doen het tenslotte niet eens zo slecht, en zijn welbeschouwd een wonder van doelmatigheid. Probleem is alleen dat het in academisch Nederland van moed zou getuigen om dat ook te zéggen. Men gaat zó op in het commerciële schimmenspel en de angelsaksische façadebouw dat niemand het over dezelfde universiteit lijkt te hebben. Voor de een is ze een wingewest van het bedrijfsleven, voor de ander een - al dan niet belaagd - bastion van de waardevrije wetenschap. Soms figureert ze als onderwijsfabriek, soms als oase voor solitaire denkers. De Academie wordt beurtelings dood en springlevend verklaard. De 'Amerikaanse toestanden' die in ons wetenschappelijk onderwijs zouden gaan heersen, vormen soms een wenkend perspectief, en soms een schrikbeeld.

Maar voorlopig moeten we het doen met dertien universiteiten die misschien niet tot de wereldtop behoren, maar die goed mee kunnen in de Europese eredivisie. Erg tot de verbeelding spreekt het allemaal niet, maar onder de huidige omstandigheden is het misschien het best denkbare. Nederland heeft de universiteiten die het verdient.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden