Universiteit mist eigen identiteit

Nederlandse universiteiten onderscheiden zich niet van elkaar, stelt L. Martijn van der Mandele. Net als het bedrijfsleven moeten zij zich profileren op de studentenmarkt en een bijbehorende strategie formuleren....

DE MANIER waarop Nederlandse universiteiten hardnekkig vasthouden aan hun bestaande centrale financiering, is kenmerkend voor de wijze waarop deze instellingen worstelen met hun marktpositionering. Het is de hoogste tijd voor een fundamentele bezinning op de te kiezen strategie.

Nederland geeft relatief veel geld uit aan universitair onderzoek. Via de zogenaamde eerste geldstroom van de overheid krijgen de universiteiten jaarlijks ongeveer 1,8 miljard gulden. De omvang van de tweede geldstroom, die door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) wordt beheerd en de vorm heeft van financiering op grond van competities, is veel kleiner. Deze bedraagt slechts zo'n 300 miljoen gulden.

In een recent onderzoek naar het functioneren van NWO, werd de aanbeveling gedaan NWO meer middelen te verschaffen. Hierdoor zou de instelling beter kunnen voldoen aan haar doelstelling, namelijk het beste onderzoek financieren door middel van concurrentie.

Ondanks het tot nu toe succesvol gebleken verzet van de universiteiten tegen het overhevelen van middelen vanuit de eerste geldstroom naar de tweede, lijkt dit een ontwikkeling die niet is te stoppen.

De onvermijdelijke veranderingen in de inkomensstructuur van de Nederlandse universiteiten - de verschuiving van een systeem van gegarandeerde omzet naar een in competitie te behalen omzet - dwingen die instituten tot een diepgaande bezinning op hun positie in het nationale en internationale concurrentieveld.

Blijft dit achterwege, dan dreigen er reële gevaren. Studenten en onderzoekers opereren immers in toenemende mate op een wereldwijde kennismarkt. Hoewel deze (inter) nationale concurrentie zich vooralsnog op het terrein van wetenschappelijk onderzoek afspeelt, zal dit op termijn ook gelden voor het onderwijs. Maar ook dichter bij huis neemt de concurrentie toe, variërend van HEAO's tot gespecialiseerde topinstituten.

Universiteiten reageren nog weinig doeltreffend. Er is wat gedaan aan de verbetering van bestaande programma's en aan kostenbeheersing en verhoging van de efficiency, maar dit behelst slechts aanpassingen van de bestaande situatie. Om op langere termijn te overleven, moeten universiteiten met voorrang het fundamentele vraagstuk van hun identiteit en positionering oplossen. Daarbij doen universiteiten er goed aan zich te spiegelen aan het bedrijfsleven.

Na vele jaren van vrij eenzijdig kosten snoeien en het laten afvloeien van medewerkers, is in het bedrijfsleven al enige tijd geleden het besef doorgedrongen dat de missie en de strategie van het bedrijf van doorslaggevend belang is.

Voorbeelden van organisaties die door verwarrende identiteitsboodschappen in (tijdelijke) problemen kwamen, zijn Bols Wessanen en KNP-BT. Van al wat langer geleden dateert de grondige herdefinitie van de missie die AKZO en DSM hebben uitgevoerd.

In de universitaire wereld zijn de herkomst van financiering en de keuze voor een nadruk op onderzoek of onderwijs de twee sturende elementen die identiteit en positionering bepalen. Afhankelijk van de gemaakte keuze kunnen vijf typen universiteiten worden onderscheiden. Dat zijn:

(1) De fundamentele onderzoeksuniversiteit en (2) de contractuniversiteit die zijn gericht op onderzoek, waarbij de tweede een groter deel van het budget aan onderzoek besteedt dan de eerste; (3) de onderwijsuniversiteit en (4) het trainingsinstituut, die vanzelfsprekend meer zijn gericht op onderwijs en hun budget dan ook voornamelijk daaraan besteden; en tenslotte (5) de privé-instellingen.

Een aantal universiteiten in het buitenland heeft dit proces van positionering al met succes doorlopen. Te denken valt bijvoorbeeld aan Harvard University (een privé-instelling met een gedecentraliseerde machtsstructuur die is gebaseerd op inkomen), ETH Zürich (een fundamenteel onderzoeksuniversiteit die voorrang geeft aan de breedte en aantrekkelijkheid van het onderzoek) of de KU Leuven (een onderwijsuniversiteit die het instandhouden en ontwikkelen van de kwaliteit van het onderwijs centraal in haar beleid heeft geplaatst).

De toenemende externe financiering via de derde geldstroom van de laatste jaren - die vaak direct wordt verstrekt aan vakgroepen - oefent ook invloed uit. Externe financiers van onderzoek nemen thans al zo'n 15 procent van de financiering van onderzoek voor hun rekening. Dit zal naar verwachting oplopen tot 25 procent.

Het spreekt vanzelf dat de nog gebruikelijke centrale financieringswijze conflicteert met de inbreng van externe financiers.

Positioneren is het creëren en beheersen van verwachtingen. Voor universiteiten houdt dit ten eerste in dat studenten een concreet en helder beeld voorgeschoteld krijgen van het soort opleidingsinstituut waarvoor zij kiezen (wetenschappelijk of maatschappelijk), en welke kwaliteit zij voor hun collegegeld mogen verwachten.

Ten tweede moeten universiteiten een fundamentele keuze doen voor hun vorm van financiering. De overheid en politiek dienen te weten wat van hen wordt verwacht en ook het bedrijfsleven moet inzicht krijgen in zijn rol als externe financier. Tegelijk moet er aandacht zijn voor de behoeften van ondernemingen en de samenleving.

Om tot goede keuzen te komen voor strategie en structuur, moeten universiteiten duidelijk in beeld brengen wie hun belanghebbenden zijn. Wat zijn hun behoeften en verwachtingen en hoe ontwikkelen die zich in de tijd? Wat is de herkomst van geldstromen en op welke manier kan er gestructureerd worden gewerkt aan het zeker stellen van die stromen?

Harde uitspraken over prioriteitsstelling, budgettering en kwaliteits- en kennisbeheer van onderzoek zijn noodzakelijk. Of, al naar gelang de gekozen positionering, over vaststelling van onderwijsprogramma's. Daarnaast moet worden vastgelegd hoe studenten worden geworven en op welke wijze daaraan in de communicatie ondersteuning wordt gegeven.

Ongeacht de uiteindelijk te kiezen positionering, staat voorop dat een gezonde financiële basis onontbeerlijk is. Daarom mogen structurele afspraken met financiers niet ontbreken. Te denken valt aan afspraken met de overheid of lange termijncontracten met bedrijven en overige geldschieters.

L. Martijn van der Mandele is Managing Director van Arthur D. Little Rotterdam, en lid van de Raad van Advies van de Technische Universiteit Twente, lid van het Leids Universiteits Fonds, President van Arthur D. Little Instituut voor Jong Ondernemerschap aan de TU Delft, en directeur van de Maatschappij van Wetenschappen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.