Umberto Eco

Wat kan worden uitgesteld, doet Umberto Eco graag het eerst; de haastklus kan wel even wachten. 'Het geeft me het plezier van het overspel: ik doe niet wat ik geacht word te doen, maar ik doe iets voor mijn plezier.' Deze week verscheen DE VERTALING VAN zijn nieuwe roman Baudolino....

Zelf vindt Umberto Eco dat hij voor in de zeventig is, al geven de verschillende naslagwerken voor de moderne Italiaanse literatuur hem even zo veel verschillende geboortejaren: 1932, 1936, 1929. Wat doet het ertoe. De verwarring over de waarheid of de leugen van wat gedrukt staat, is in zekere zin tekenend voor zijn oeuvre, zowel zijn literaire als zijn wetenschappelijke. Gedurende ons gesprek zal hij herhaalde malen schaterlachend beklemtonen dat hij meer geïnteresseerd is in onjuiste gegevens dan in juiste.

Maar of hij nu 70 is, een paar jaar ouder of een paar jaar jonger, hij blaakt van energie en straalt van plezier als we hem opzoeken in het instituut van de oudste universiteit ter wereld, die van Bologna, waaraan hij nog altijd als hoogleraar verbonden is. Het lijkt wel alsof hij nu, met zijn nieuwste roman Baudolino, diep genesteld in de hogere regionen van de Italiaanse bestsellerlijsten en de eerste vertalingen ervan ophanden, fitter en gelukkiger is dan ooit tevoren.

Gaat het hem zo goed als het lijkt?

'O nee, miserabel', dreunt het door de hoge corridors van het renaissance-palazzo waarin zijn instituut is gehuisvest. 'Ik moet half mei naar Nederland en hoor net dat ik in drie dagen geacht word dertig interviews te geven - én een lezing. Hoe moet ik dat doen? Help me asjeblieft: na vijf interviews weet ik werkelijk niet meer wat ik zeggen moet en begin ik mijzelf te herhalen, wat niet erg aardig is. En een lezing? Vreselijk.'

Het moet een van zijn talrijke poses zijn, dat klagen van hem, want in een moeite door begint hij de lof te zingen van de plek waar hij werkt. De collegezaal waarin hij eenmaal per week een seminar geeft voor promovendi, is voorzien van een zestiende-eeuws fresco langs de fries waar kunsthistorici uit de halve wereld voor naar Bologna reizen. Hij heeft het dagelijks om zich heen: de intocht van Karel v in Bologna. Zijn werkkamer ligt bovendien verschanst, ja zelfs half verstopt, achter een tweetal ruimten waarin zijn secretaresses gewetensvol proberen ieder bezoek weg te bonjouren.

Het lijkt wel een boudoir. 'Dat is het ook', zeg Eco stralend. 'Kijk, die kamer is indertijd, toen dit nog het paleis van een vorstelijke familie was, min of meer verborgen in het gebouw en ze heeft ook een verborgen extra-uitgang én een eigen badkamer. En, let op, de kamer is ovaal: alleen Bush en ik werken in een oval office. Die nooduitgang werd vroeger gebruikt als de minnaar betrapt dreigde te worden door de echtgenoot. Nu gebruik ik hem om te vluchten voor journalisten.'

En om te demonstreren hoe serieus hij zich verwant voelt met de Amerikaanse president en de geschiedenis van zijn kantoor, laat hij zich achterover vallen in zijn bureaustoel, comfortabel onderuit zakkend. 'De sigaren liggen in de onderste lade', schatert hij - om prompt daarop te vragen of zijn gast wel weet waarom joodse moeders pornofilms tot het einde toe uitzien. 'Omdat ze hopen dat die viespeuken aan het eind toch nog met elkaar trouwen.'

Het is een prettig instituut, het zijne. 'Dit is het enige deel van de universiteit waar geen studenten zijn en geen hoogleraren.' In de brede gangen antichambreren gevorderde promovendi om later met de hooggeleerde van gedachten te wisselen over de vorderingen van hun onderzoek. Want hoe oud hij ook is en hoezeer het succes als schrijver hem wereldwijd ook toelacht, hij is in de eerste plaats nog altijd een geleerde: hoogleraar semiotiek, auteur van een plankvol doorwrochte werken, over literatuur en literatuurtheorie, over filosofie en taalwetenschap.

Zijn eerste roman, het boek dat hem als schrijver beroemd zou maken, De naam van de roos, verscheen toen hij al 50 was. Beetje oud, voor een debutant, niet?

'Als schrijver ben ik nog erg jong', vertelt hij met de hem kenmerkende bonhomie. '20, 25 jaar oud. Hoe dat gekomen is? Simpel: ik was halverwege de veertig, had een voltijds ordinariaat aan deze prachtige universiteit, mijn wetenschappelijke boeken waren succesvol en werden in de belangrijkste talen vertaald, ik had kinderen en de vraag was: wat nu? Je kunt dan verschillende dingen doen: er vandoor gaan met een ballerina en je dagen gaan slijten op een zonnig eiland, maar daar had ik geen zin in. Ik ben gaan schrijven. Mijn literaire werk is mijn vorm van overspel, mijn antwoord op de midlife crisis.'

Het blijft raadselachtig hoe hij al dat werk verzet: college geven, onderzoek verrichten, onderzoekers begeleiden, congressen bezoeken - en dan toch ook eens in de zo veel tijd een kloeke roman publiceren. Hoe doet hij het?

'Zowel aan Het eiland van de vorige dag, mijn vorige roman, als aan Baudolino heb ik zes jaar gewerkt', zegt Eco. 'Het liefst probeer ik aan een boek te blijven werken, niet het te voltooien. 't Is zo'n plezier om ermee bezig te zijn, dat alles wat ik doe, gevangen wordt in het verhaal - zelfs als ik bij wijze van spreken een kop koffie zit te drinken. Het beste idee is daarom het boek niet af te maken.

'Ik kan nooit geconcentreerd alleen maar aan een roman werken, daarvoor heb ik te veel te doen. Dus ik maak veel aantekeningen en die verzamel ik zodat ik drie keer per jaar, in de kerstvakantie, met Pasen en in de zomervakantie, met dat materiaal voor langere tijd naar mijn buitenhuis kan gaan. Daar ga ik dan schrijven.

'Per toeval voltooide ik De naam van de roos op 5 januari, aan het eind van de kerstvakantie - maar dat is ook mijn verjaardag! Sinds dien ben ik bij ieder volgend boek bezocht door een eigenaardig bijgeloof, dat mij dwingt een boek pas 5 januari af te hebben. Dat gaat zo ver, dat ik toen ik De slinger van Foucault zat te schrijven, in feite eind november, begin december al klaar was maar toen gestopt ben om de laatste pagina toch op 5 januari te kunnen schrijven.

'Daarom dacht ik ook dat ik Baudolino 5 januari 2001 of 2002 zou afronden. Vorig voorjaar was ik halverwege, ongeveer daar waar Barbarossa sterft, dus ik kon schatten hoeveel tijd het me zou kosten om alle motieven die ik in gang had gezet, aan het eind weer bij elkaar te hebben: nog vijf jaar, net zolang als ik over de eerste helft had gedaan. Maar ineens, begin juni, werd ik meegesleept door de vaart van het verhaal en nam de tweede helft snel vorm aan. Het leek erop dat ik begin augustus al klaar zou zijn en ik werd door paniek bevangen. Ik schreef en schreef, al was het maar om mijzelf te amuseren - en ineens was het af. Ik begreep er niets van, tot twee dagen later: toen werd mijn eerste kleinzoon geboren. Dat verklaart alles. Aan hem is het boek daarom ook opgedragen.' Hij schrijft voor zijn genoegen en vindt ook dat een roman de lezer genoegen moet doen. 'Het is net als met college geven, je moet een goede performance hebben anders blijven de studenten weg. Ieder college is een theatervoorstelling. Je moet je publiek verleiden.'

Dat geldt voor zijn studenten, dat geldt voor zijn lezers. Maar getroost hoeven ze niet te worden. 'Daar zijn andere auteurs voor.' Zijn voorkeur voor de experimentele roman, beleden in de jaren zestig, relativeert hij nu. 'Ik was in de literatuur een fellow traveler van de avant- garde. Maar je moet je wel realiseren dat experimenten eindig zijn: toentertijd werden er volslagen witte doeken opgehangen in musea, zoals er ook romans werden geschreven die ingingen tegen alles wat een roman aangenaam maakt om te lezen. Dat was belangrijk, maar het hield ook een keer op. Je kunt dezelfde grap niet twee keer vertellen.'

Hij schrijft in zijn buitenhuis bij voorkeur 's nachts en roemt de schoonheid van de omgeving. 'Er hangt dan een stilte in het dal die mij goed doet. Zelfs het zo nu en dan opklinkende blaffen van een hond vind ik prettig om te horen.' Zijn buitenhuis ligt in de omgeving van de Montefelto, 'in het landschap van Piero della Francesca. Aan de andere kant van de bergen ligt Toscane, waar ieder onderdeel van het landschap perfect is. Waar ik ben, is nog een beetje wildernis'.

Waar zijn werklust en zijn energie vandaan komen? 'Je hebt schrijvers die het moeten hebben van regelmaat en discipline', zegt Eco. 'Neem de beroemde Italiaanse schrijver Alberto Moravia. Die stond op, ontbeet en schreef tot de lunch, of hij nu een idee had of niet. Dan ging hij lunchen en maakte vervolgens een wandeling door de stad, ging naar de film of verleidde een vrouw. De avond bracht hij met vrienden door. Zo ben ik niet. Ik heb geen schema's, geen roosters. Het kan gebeuren dat ik iets begin te schrijven als ik in de trein zit, of op de wc. Zelfs als ik op het platteland ben en mij geheel en al aan mijn boek kan wijden, komt het voor dat ik de hele dag met iets anders bezig ben en pas 's avonds aan schrijven toekom. Ik geloof niet in inspiratie, maar ik volg mijn grillen en invallen.'

Antropologen maken, zegt hij, onderscheid tussen monochronische en polychronische volkeren. 'Het schijnt dat Duitsers monochronisch zijn en Italianen polychronisch, al ken ik in beide volken talloze bewijzen van het tegendeel. Een monochronisch karakter kan maar een ding tegelijk doen, een polychronisch moet verschillende dingen op hetzelfde moment doen. Ik ben bij uitstek polychronisch van aard.

'Daarom heb ik een principe. Als ik twee dingen te doen heb, waarvan het ene urgent is en het ander wel uitstel kan velen, dan doe ik eerst het minst urgente. Het geeft me het plezier van het overspel: ik doe niet wat ik geacht word te doen, maar ik doe iets voor mijn plezier - en dat helpt me naderhand ook dat andere te voltooien. En zelfs vlugger.

'Zo komt het dat ik, wanneer ik met bepaalde onderwerpen bezig ben voor een roman, ik die onderwerpen ook meeneem naar mijn academische werk. Toen ik in de jaren 1977 tot 1981 De naam van de roos schreef, was ik tegelijkertijd bezig met een boek over vertelstructuren. Ik besefte toen niet dat ik op twee verschillende manieren met dezelfde obsessies bezig was. Dat heb ik pas later van mijn critici en mijn lezers begrepen.

'Toen ik De slinger van Foucault schreef, gaf ik gedurende twee jaar een reeks colleges over de semiotiek van het hermetische denken: over de duistere wereld van Hermes Trismegistos. Dat hielp mij ook nog op een andere manier. Als je een roman schrijft, verzamel je veel materiaal. Voor De slinger van Foucault verzamelde ik twee kasten vol boeken over de Rozenkruisers en verwante onderwerpen. Je riskeert de verleiding om op een gegeven moment alles wat je bijeen hebt gebracht in de roman te stoppen. Terwijl je natuurlijk dat materiaal moet indikken, moet verteren. Als je echter tegelijkertijd een academische verplichting hebt met betrekking tot hetzelfde onderwerp, ga je je materiaal verplaatsen, van de roman naar je studie. Daarin ben je zelfs verplicht alles te gebruiken wat je gevonden hebt, compleet met bronverwijzingen en citaten. Dat ontslaat je als romanschrijver van een zekere druk.'

Met Het eiland van de vorige dag overkwam hem iets dergelijks.

Hij werkt altijd met talrijke boeken om zich heen: zijn eigen biblio theek is vermaard en omvangrijk. Hoe omvangrijk, vraagt de interviewer, zelf heftig aangestoken door het virus der bibliofilie, bedremmeld. De vraag maakt een ongekende activiteit in de geïnterviewde los: hoeveel boeken heeft zijn gast precies en op welke terreinen? Kent hij de antiquariaten van Bologna wel? Ook de gesloten huizen, zonder etalages en zonder winkel? Hij sommeert zijn secretaresse telefoonnummers op te zoeken en slaat prompt aan het bellen om het bezoek van zijn gast aan te kondigen. 'Sono Eco', klinkt het keer op keer sonoor door de telefoon, 'Ik ben Eco.' Dat opent deuren.

'In Milaan heb ik één vrouw en veertigduizend boeken', zegt hij superieur als de rust is weergekeerd. 'In mijn buitenhuis heb ik een eenvoudige handbibliotheek van iets meer dan tienduizend boeken: precies wat je nodig hebt om een beetje te kunnen werken. En in Bologna hooguit een paar duizend.

'Nou is het probleem dat aantal in Milaan op veertigduizend te houden. Tien jaar geleden ben ik er in geslaagd voor de eerste keer in mijn leven een appartement te verwerven waarin ik de boeken in enkele rijen kon opstellen, niet in dubbele. Wanneer je ze dubbel parkeert zijn ze voor eeuwig verloren. Daarom heb ik heel smalle, ondiepe planken laten maken, zodat je geen dubbele rijen kunt maken maar hooguit boeken plat kunt leggen. Maar ieder jaar krijg ik honderden boeken. En dus moet ik elke drie maanden preventief ruimen en beslissen welke weg moeten en welke blijven. Die gaan dan naar het buitenhuis.'

De dubbele exemplaren gaan naar zijn studenten. Weggeven aan het Rode Kruis, aan ziekenhuizen of aan gevangenissen kan hij niet over zijn hart verkrijgen. 'Wanneer ik een boek krijg dat op mij een idiote indruk maakt of domweg erg slecht is, kan ik dat toch niet aan die arme drommels geven die ziek zijn of gevangen zitten? Dat zou wreed zijn en sociaal gevaarlijk.'

Ooit schonk hij een grote collectie van zijn werk in vertaling - hij krijgt van iedere vertaling en iedere heruitgave daarvan bewijsexemplaren - aan de grootste gevangenis van Milaan, de San Vittore. 'Ik realiseerde mij dat er natuurlijk veel mensen in de gevangenis zitten die uit andere landen afkomstig zijn, Serviërs, Kroaten, mensen uit het voormalige Oostblok. Voor hen is natuurlijk niets te lezen. Moet je nagaan wat een buitenkans: ben je Oekraïener, krijg je plotseling enkele boeken van mij in het Oekraïens!' Even dwaalt het gesprek af naar de mogelijkheid van een Nederlandse drugssmokkelaar die nu braaf achter de tralies Eco's colleges semiotiek in een vaderlandse editie zit door te nemen.

In zijn nieuwste boek neemt Eco zijn lezer opnieuw mee naar de Mid del eeuwen - naar het begin van de dertiende eeuw. Zijn verteller, Baudolino, is een eenvoudige monnik die geadopteerd is door de keizer, Frederik Barbarossa. In het klooster heeft hij leren lezen en schrijven, aan het hof van Barbarossa heeft hij kennis gemaakt met de hogere cultuur en in diens gevolg heeft hij veel gereisd en het meeste van de toentertijd bekende wereld gezien. Een ideale verteller voor Eco, die Baudolino, een man die alles weet, alles gelezen heeft en goed kan liegen.

'Ik werd vlak na het verschijnen van het boek verrast door veel lezeressen', zegt Eco, 'die mij allemaal vertelden dat Baudolino heel mooi moet zijn - terwijl ik nergens zijn lichamelijke verschijningsvorm heb beschreven. Daaruit blijkt wel dat hij een zekere aantrekkingskracht heeft.

'Dan is er natuurlijk altijd die onverdraaglijke vraag van interviewers die willen weten hoeveel van je karakters autobiografisch is. Ik heb die vraag altijd beantwoord door te zeggen dat iedere auteur delen van zichzelf in de bijwoorden legt. Maar het is even duidelijk dat wanneer ik een stoel moet beschrijven ik een stoel zal nemen die ik ooit gezien heb. Ik geef aan mijn karakters een heleboel trekjes die vermoedelijk van mijzelf zijn, want ik ben gul voor iedereen.'

Maar het ging om die weetgierige verteller die zo van liegen en fantaseren houdt: er is een bibliotheek volgeschreven over Eco's eruditie en de spelletjes die hij met de waarheid speelt.

'Het verschil tussen Baudolino en mijzelf is dat Baudolino in zijn leugens gelooft. En ik geloof niet eens in mijn waarheden.'

Behalve een ideaal personage kent het boek ook een ideale plaats van handeling: het speelt zich afwisselend af in Alessandria, de stad in Lombardije waar Eco geboren werd, en in het belegerde Byzantium. Het lijkt Boccaccio's Decamerone wel: daarin werden de verhalen verteld door Florentijnen die de bergen in waren gevlucht voor de pest, hier vertelt Baudolino aan een Byzantijns historicus zijn verhalen terwijl die zich schuil moet houden voor de vijandelijke legers.

'Ik heb altijd een duidelijke plaats nodig voor mijn verhalen', zegt Eco. 'Ik was nooit in Istanbul geweest. Maar ik wilde daar altijd al een verhaal situeren, hoe grillig die wens ook was. Ik voltooide Het eiland van de vorige dag eind 1994 en dan weet je dat het daarop volgende jaar opgaat aan de problemen van vertalingen. Dus ik begon waarschijnlijk pas in 1997 aan Baudolino te denken. Ik verzamelde mijn materiaal, maar wist niet hoe te beginnen - en dat was waarom ik dacht ik moet Istanbul zien. Ik moet het theater kennen waar mijn verhaal zich afspeelt.

'Zo vergaat het me met al mijn romans: ik begin met tekeningen en plattegronden. Voor De naam van de roos heb ik een aantekeningenboek vol notities van kerken, van de structuur van abdijen en zelfs voor De slinger van Foucault heb ik avonden en nachtenlang door Parijs gedwaald om de omgeving grondig in mij op te nemen. Dat was nog voor de populariteit van de mobiele telefoon, dus dat moet toen een merkwaardige indruk hebben gemaakt, een man die in zichzelf loopt te mompelen: ik nam alles wat me opviel op met een tape recorder. Ik moet mij in mijn eigen verhaal kunnen bewegen.'

Baudolino speelt zich deels af in het stelsel van ondergrondse gangen en cisternen van Istanbul. Hij heeft ze allemaal bezocht en de rest erbij verzonnen 'want die stad is zo vaak tot de grond toe verwoest, daar kun je je wel wat vrijheden veroorloven.'

Hij knipoogt in zijn boek zelfs naar een vermaarde passage uit James Bond, die zich op dezelfde plek afspeelt. Overigens is alles 'waar' in Baudolino - of had dat kunnen zijn: de gebeurtenissen, de kennis, de rare verhalen, ze stonden zijn personage ter beschikking. En dus krijgt Eco's lezer weer een aanstekelijk college middeleeuwse cultuurgeschiedenis, over de politieke toestand in het toenmalige Italië, over het ontstaan van de hoofse poëzie in de Pro vence, over de Alexander-roman. 'De gedichten die een van mijn karakters schrijft, zijn reëel bestaande Provençaalse liefdesgedichten, zoals de liefdescorrespondentie die erin voorkomt ook gebaseerd is op de brieven van Abelard en Heloïse en enkele parallellen daarvan, uit dezelfde tijd.'

Een van de intrigerendste geschiedenissen die erin voorkomen is het verhaal van de Brief van Prester John, de geestelijke die, zo luidde de mythe, op de plaats van het aardse paradijs een koninkrijk had gesticht. In Baudolino's tijd circuleerde daarover een brief. 'Die brief, dat weten we, is afkomstig uit het milieu van Barbarossa, dus die had Baudolino geschreven kunnen hebben.'

De monsters, de zeemonsters en de andere eigenaardige natuurverschijnselen zijn allemaal afkomstig uit de naslagwerken van de oudheid en de middeleeuwse encyclopedische literatuur. 'Als je in de echte geschiedenis gaat kijken, vind je altijd dingen die ongelooflijker en fantastischer zijn dan alles wat je zelf kunt verzinnen', zegt Eco. 'Beschrijvingen van mannen en vrouwen met van nature maar een been, bijvoorbeeld. Dat riep allerlei vragen op, bijvoorbeeld waar zich dan de geslachtsorganen zouden bevinden, of hoe je de liefde bedrijft met een wezen dat de vagina op de plaats van de navel heeft. Het gaat mij er dan om het komische te ontwikkelen vanuit het reëel bestaande materiaal.'

Hij heeft daarbij een bijzondere belangstelling voor de arcane wetenschappen en voor vervalsingen. Dat komt doordat hij vooral boeken verzamelt die iets beweren dat niet waar is. 'Ik ben gefascineerd door de manier waarop foute ideeën en inzichten groeien en geschiedenis maken. Zonder die brief van Prester John over dat aardse paradijs waren de Portugezen niet op zoek gegaan naar een zeeroute rond Afrika. Ze wilden het paradijs vinden. Een verkeerd uitgangspunt lag aan de wortel van hun ontdekkingsreizen. Zelfs Columbus vertrok nog op grond van een misverstand: hij wilde Japan en China vinden in het westen en ontdekte Amerika.'

Hij kan het bovendien niet laten zijn historische romans ook te gebruiken om een politieke uitspraak te doen. 'In Baudolino wilde ik laten zien dat de aanspraak van de Lega Nord, dat Noord-Italië vanouds een eenheid is, op een mythe berust', zegt hij grijnzend. 'In de tijd van Barbarossa zie je dat de steden van het noorden steeds wisselende coalities sluiten en elkaar om beurten verwoesten. Lombardije als eenheid heeft nooit bestaan.' De geschiedenis is de leermeester voor het heden en in de literatuur is Manzoni daarin zijn grote voorbeeld. 'Diens De verloofden verscheen in de negentiende eeuw en speelde in de zeventiende, maar aan de hand van zijn verhaal leverde hij een groots commentaar op de politieke problemen van het Italië van zijn eigen tijd.'

Zijn plezier in het schrijven staat haaks op het gangbare beeld van de gekwelde schrijver. 'Natuurlijk kom je vaak problemen tegen die je chagrijnig maken', zegt Eco, 'maar dat beeld van de melancholieke schrijver berust op een soort literaire propaganda. Het mooie voorbeeld in Italië is de negentiende-eeuwse dichter Giacomo Leopardi. Dat is bij uitstek de gekwelde dichter en al dat leed zit ook in zijn gedichten - maar we weten dat hij ondertussen gewoon in Rome naar de hoeren ging. Hij was een man die wilde neuken en tegelijkertijd die schitterende verzen schreef. Maar dat willen de lezers niet horen.'

Hem is wel verweten te zeer een academicus te zijn in zijn boeken. Eco haalt er zijn schouders over op: zo veel schrijvers waren academici of geleerden. 'Was Dante geen groot geleerde? We kennen hem van zijn Divina Commedia, maar hij schreef evenzeer over kosmologie en theologie. Leopardi staat bekend als dichter, maar hij heeft duizenden pagina's filologie en kritiek geschreven. Thomas Mann en James Joyce waren grote erudieten, maar geen academici, terwijl veel Ame rikaanse schrijvers weer een baan hebben aan een unversiteit.'

Maar dat is niet helemaal de portee van die kritiek: het heet verdacht dat hij zo veel boeken over de theorie van de roman heeft geschreven en daarna zelf romans ging schrijven. Het is alsof hij een apotheker is die het recept te goed kent.

'Ach', verzucht Eco, 'dat verwijt is simpel te pareren. Alles wat ik van de theorie van de roman weet, heb ik opgeschreven en gepubliceerd. Die schrijvers die mij verdacht maken, moeten die boeken gewoon bestuderen - dan kunnen ze het daarna zelf ook.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden