ULTIEME BEWIJSSTUKKEN

Op de tentoonstelling (Tat)orte in Düsseldorf zijn foto`s te zien van plaatsen van misdrijf, gemaakt door beroemde fotografen, of geput uit het politiearchief....

De foto uit 1966 zou zo een populaire ansichtkaart kunnen zijn. Twee ouderwetse witte Volkswagen Kevers lijken elkaar een dikke pakkerd te geven, hun koplampblikken hebben nergens anders oog voor dan voor elkaar. Goed, ze zijn misschien net iets te enthousiast op elkaar afgevlogen, getuige hun gedeukte metalen voorbumpers - maar dat is nu eenmaal wat passie met blik kan doen.

In de serie auto-ongelukken van Arnold Odermatt (1925) is horror afwezig. Zijn zwart-wit beelden tonen geen afschuwelijk bekneld geraakte lichamen, geen bloed, geen enkel spoor van menselijk lijden. Terwijl het toch niet mis is wat de Zwitserse politieagent tussen 1949 en 1990 aan verwrongen staal vastlegde. Personenauto`s die rücksichtslos door goederentreinen zijn geschept, door vrachtwagens van de weg gereden, het water in geglibberd, simpelweg over de kop geslagen, of zich, zoals een witte Mercedes, op dusdanige ingenieuze wijze om een lantaarnpaal hebben gevouwen, dat het lijkt alsof het ding de auto vanuit de lucht heeft doorboord.

En nergens ellende, nergens daders of slachtoffers, en dus ook geen eventuele bewijzen die belangrijk zouden kunnen zijn voor het politieonderzoek. Eerder getuigen de foto`s van een bijzonder esthetische blik, die ervoor zorgde dat een Kever in een bergmeer met een zwaan en een treurende boom aan de kant zowat een contemplatief Japans landschap werd, en de plek waar een auto op zijn zij precies tussen de kanten van een slootje past, het decor voor een absurdistisch toneelstuk.

Zijn dit plaatsen van misdrijf, of, om het veel mooiere Duitse woord te gebruiken: Tatorte? In de strikte zin van het woord wel - een kind kan zien dat hier iets is gebeurd wat niet de bedoeling was -, maar tegelijkertijd: nee. Daarvoor zijn de foto`s van Arnold Odermatt te afstandelijk om gruwelijk te zijn, te grappig vaak ook, en van een te grote `sculpturale schoonheid`, zoals Harald Szeemann de foto`s in 2001 omschreef. De Zwitserse tentoonstellingsmaker koos er 32 uit om te presenteren op de Biënnale van Venetië, in welke context ze zich plotseling konden meten met bijvoorbeeld de inventariserende en eveneens objectiverende serie industriële bouwwerken van Bernd en Hilla Becher.

Maar moeten foto`s van plaatsen van misdrijf altijd afschuwelijke details bevatten om te gelden als de ultieme bewijsstukken van wat zich daar heeft afgespeeld? Of kan een foto waarop eigenlijk niets ergs te zien is, veel minder nog dan op de foto`s van Odermatt, eveneens een onheilsplek verbeelden? En kan een heel erg verschrikkelijke foto nog steeds mooi zijn om naar te kijken? Met andere woorden: wat definieert een foto van een onheilsplek eigenlijk?

Op deze - en nog heel veel meer vragen - probeert de tentoonstelling (Tat)orte in het NRW-Forum, Kultur und Wirtschaft in Düsseldorf een antwoord te geven. Met Tat tussen haakjes, omdat zich tussen de in vier afzonderlijke presentaties bijeengebrachte foto`s van Odermatt, Weegee, Enrique Metinides en die van de fotografen die tussen 1929 en 1968 in dienst waren van de Los Angeles Police Department (LAPD), naast plekken van misdrijf ook gewoon `plekken` bevinden. Straatbeelden waar eigenlijk niets aan te zien is, die leeg zijn, geen daders en ook geen slachtoffers tonen, en geen sporen die van belang zijn voor het politieonderzoek.

Of moeten we de uitspraak van Walter Benjamin voor waar aannemen, die zich in zijn essay Kleine Geschichte der Photographie (1931) afvroeg of `niet elk punt in de stad een plek van misdaad is? En elke voorbijganger een dader?` Dit citaat neemt een belangrijke positie in op de tentoonstelling in Düsseldorf, het komt terug als zaaltekst en als houvast in de vele (filosofische) teksten die ongeveer de helft van de catalogus in beslag nemen.

Het maakt dat de tentoonstellingmakers en de auteurs enerzijds een breed scala aan voorbeelden kunnen aandragen, die terugvoeren op de fotografie van pioniers als de Parijse fotograaf Eugene Atget en de Engelsman Henry Fox Talbot, maar het zorgt tegelijkertijd voor problemen.

Arthur Fellig (1899-1968) gaf zichzelf pas in de jaren dertig de naam Weegee. De uit Polen afkomstige immigrant struinde in die tijd de straten van New York af, op zoek naar misdrijven om te fotograferen. In het begin liet hij zich daarin leiden door de politieradio. Maar in de loop van de tijd ontwikkelde hij het griezelige vermogen om zonder voorkennis precies op het juiste tijdstip te arriveren, niet precies op het moment dat de trekker werd overgehaald, maar wel vlak daarna, zodat hij de slachtoffers en vaak ook nog de daders kon vastleggen. Vandaar Weegee: de fonetische vertaling van Ouija, naar het eeuwenoude Ouija-bord, een stuk hout of papier met de letters van het alfabet dat al door de Egyptenaren werd gebruikt en dat volgens de overlevering de toekomst kan voorspellen.

In de presentatie van zijn werk op (Tat)orte is een aantal van die foto`s van Weegee opgenomen. Het moment waarop een politiemedewerker probeert een dode man op de stoep te identificeren bijvoorbeeld (1941). Of het moment waarop de gearresteerde psychopathische copkiller Anthony Esposito, hevig in elkaar geslagen door agenten, zijn hand heft, zodat men zijn vingerafdrukken kan nemen (1939).

Bij deze rauwe beelden is het duidelijk: misschien tonen ze niet de exacte plek van het misdrijf of het misdrijf zelf, maar doordat de fotograaf stond waar hij stond en dáár een foto van de betrokken personen maakte, is die plek voor altijd besmet geraakt. Hoe je het ook wendt of keert: hier is iets gebeurd, er spreekt spanning uit de foto. Die spanning kan natuurlijk ook worden bereikt op foto`s van plekken waarop in principe niets te zien is, zoals gebeurt in de naargeestige interieurs van de Zuid-Afrikaanse fotograaf Roger Ballen. Hoewel er geen bewijs is, wijst alles op akeligheden.

Maar in (Tat)orte wordt Walter Benjamins uitspraak dat elke plek een potentiële criminele plek is een beetje te ver doorgevoerd, voornamelijk in het geval van Weegee. Want ook de foto`s die hij maakte van gewone New Yorkse straattaferelen worden hier tot plekken van misdrijf gerekend. Dat ze geen bloed, geen wapens en geen politieagenten tonen is tot daar aan toe - ook de unheimische spanning ontbreekt vaak. De foto`s staan enkel en alleen in de context van zijn andere werk.

De schaduwrijke ruimte onder een metrobrug in de New Yorkse wijk The Bowery, die door Weegee werd vastgelegd, terwijl de zon vlekken maakt op het trottoir - natuurlijk zou zich daar zo een misdrijf kunnen afspelen, misschien is er ooit wel iets gebeurd. Maar op de foto zelf is daar niets van terug te zien, geen onheilstekens, geen forensische sporen. De blik richt zich onmiddellijk op het patroon dat de zon achterlaat op de straat en dat de zwart-wit foto een grafische kwaliteit geeft. Geen ellende te zien.

De foto hangt in de buurt van een andere opname, waarop een duur geklede man met zijn ogen dicht tegen een muur in de zon leunt. Twee andere mannen met hoeden staan een eindje verderop naar hem te gluren. Dit tafereel bevat, voor wie dat er per se in wil zien, al iets meer spanning - en omdat bijna iedereen een ramptoerist is, veranderen de twee mannen al bij de eerste blik in koelbloedige monsters, die het perfecte moment afwachten om de zonnebadende man om te leggen. Vanwege zijn geld natuurlijk. En gezien in dit licht, krijgt het donkere stuk stad onder de metrobrug eveneens een lugubere lading.

Die immer uitdijende betekenis van de misdrijffoto maakt de tentoonstelling in Düsseldorf onnodig ingewikkeld. Terwijl het in eerste instantie toch zo`n simpele presentatie leek.

De twee andere delen van (Tat)orte laten wat dat betreft veel minder aan de op hol slaande menselijke verbeelding over. De foto`s van de Mexicaanse Enrique Metinides (1934) en die uit het archief van de LAPD laten de gruwelijkheid van de plaats waar een misdrijf zich heeft afgespeeld niet weg, zoals Arnold Oderblatt dat deed. Ze doen ook niet aan suspense, zoals Weegee - of in elk geval: zoals men over Weegee`s werk pleegt te zeggen. Ze doen weer iets heel anders. Ook al tonen deze foto`s wél slachtoffers en bloed en verschroeid vlees, ze zijn adembenemend om naar te kijken. Vooral Metinides` foto`s bewijzen, net als de beelden van de met stof bedekte New Yorkers na de ineenstorting van het WTC, en zoals de schilderkunst al eeuwenlang aantoont, dat schoonheid en gruwelijkheid vaak hand in hand gaan.

Een van de bekendste kleurenfoto`s van de Mexicaan, die al als twaalfjarige auto-ongelukken fotografeerde, is die van Adela Legarreta Rivas, uit 1979. De blonde vrouw ligt met glanzend open ogen in een innige, bijna passievolle omhelzing met een lantaarnpaal, een straaltje bloed loopt over haar verder gave gezicht. Ze is uit een auto geslingerd, en ligt nu, prachtig dood, te wachten tot een ambulancemedewerker haar lichaam bedekt met een jasje.

Dit is een scène uit een film, zo lijkt het. Maar het blijkt echt, evenals het beeld van een flatgebouw tegen een straalblauwe lucht, waar op een hoge verdieping een vrouw vanaf dreigt te springen. Hoewel Metinides haar vanaf de grond fotografeerde, is ze goed zichtbaar door de felrode kleding die ze draagt. Alsof de fotograaf het van tevoren zo regisseerde.

En hetzelfde geldt voor de foto`s uit het LAPD-archief. Prachtig grafische en haarscherpe zwart-wit beelden zijn het, die werden gebruikt als bewijsmateriaal voor moorden, over- en ongevallen. En die een onmiskenbare film noir kwaliteit hebben, omdat de fotografen die ze maakten dikwijls ook in de filmindustrie werkzaam waren. Twee doodgeschoten mannen in een café, een maffiabaas doodgeschoten op de stoep voor zijn waanzinnige playboyhuis, een bizarre opname van een slachtoffer, staand weggeborgen in een klerenkast - alles ademt de sfeer van Hollywood.

Niettemin zijn deze archiefbeelden de meest oorspronkelijke crime scene investigation foto`s die je je kunt indenken, bol van bewijs, overlopend van pas gebeurde gruwelijkheden. Ze doen geen valse beloften, laten zich niet als voorspellers van onheil lezen. Ze doen precies datgene waarvoor de politie de fotografie destijds is gaan gebruiken: vanwege haar betrouwbare realiteitsgehalte, waardoor het mogelijk is een misdrijf werkelijk op te lossen.

Door kogels doorboorde ramen, een handtas, briefjes met het handschrift van overvallers voor de postbeambten achter hun loket: `Stick up, don`t move, smile` - dit zijn keiharde bewijzen, en daardoor onmiskenbaar plaatsen van misdrijf. Dat de foto`s er aardig uitzien, is mooi meegenomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden