Ultiem tactiel

Beeldhouwer Henry Moore veranderde de publieke ruimte voorgoed. Het Rijksmuseum in Amsterdam toont in de vernieuwde tuin zijn werk. Zonder scherpe tandjes. Kindvriendelijk.

Aanraken mag. Ondeugend knikt de gids van The Henry Moore Foundation vooruit. Daar staat Three Piece Sculpture: Vertebrae (1968), een beeld dat in zijn uitgebeende hoekigheid inderdaad nog het meest lijkt op een drietal reusachtige rugwervels. Aaibare wervels, dus. Handen strijken gretig over het zon beschenen brons... om direct weer terug te trekken. Heet!


Het is een typerend moment. Van alle grote 20ste-eeuwse beeldhouwers was Henry Moore (1898-1986) de toegankelijkste. Ga maar na: met zijn beelden ontdeed hij de beeldhouwkunst van haar hooggestemde, 19de-eeuwse karakteristieken: classicisme, narratief, pathos - dat laatste vooral - en voegde ingrediënten toe die we inmiddels als een gegeven beschouwen: abstractie, etnografica, humor. En schaal, natuurlijk. Moore's werk is gróót. Hij maakte het soort beelden dat stadsbesturen graag binnenhalen als prestigeobject. En waarmee je als kunstenaar makkelijk naam maakt.


Hoe makkelijk merk je pas wanneer je de lijst met Moore's opdrachten in de publieke ruimte bekijkt - die is schier eindeloos. Na een moeizame start - relletjes, gedoe met buurtbewoners - veranderde Henry Moore in Henry Moore ©, een expansieve franchise, leverend aan steden wereldwijd. Van Washington tot Münster en van Toronto tot Rotterdam - allemaal kregen ze hun eigen Moore. En krijgen. Want sinds Moore's dood in 1986 ijvert The Henry Moore Foundation unverfroren om diens beelden aan de man te brengen. Met de beste bedoelingen, dat spreekt. Maar deed het Moore's werk ook goed?


Het was geen uitgemaakte zaak. Er bestaat zoiets als teveel van het goede. En met Moore's werk leek dat punt bereikt. Zijn werk voelde niet zelden als de driedimensionale variant op een Sol LeWitt muurschildering: een decoratief intermezzo; je zag het, maar bekeek het zelden. Maar zie: wat overbekend wordt verondersteld, wordt na verloop van tijd vanzelf weer vreemd. Inmiddels lijkt een kentering gaande. Tate Britain deed een paar jaar terug al een - redelijk geslaagde - poging om Moore te revitaliseren door de aandacht te vestigen op de meer duistere kant van zijn oeuvre en nu toont het Rijksmuseum, Amsterdam, een kleine tentoonstelling in zijn museumtuin.


Ter verkenning zijn we afgereisd naar The Henry Moore Foundation, een museum met beeldentuin in de hamlet Perry Green in het graafschap Hertfordshire een kilometer of 20 boven London. Het is een lommerrijke plek. Glooiende velden. Schapen. In de beeldentuin klinken uitgelaten stemmen van kinderen in schooluniform; we zijn tenslotte in Engeland.


Deze plek was belangrijk voor Moore. Hier vestigde hij zich in 1941, nadat een granaatscherf zijn huis in Hampstead had verwoest, en hier bleef hij werken en wonen tot zijn dood in 1988. Hier ontving hij zijn belangrijkste kopers als Sophia Loren en Julie Andrews. Hij leidde tal van succesvolle leerlingen op: Anthony Caro, Phillip King, Isaac Witkin et cetera. Hier ook leidde Moore zijn beeldenfabriek en bleef hij eindeloos variëren op zijn populaire archetypen, de moeder met kind en de achterover leunende figuur als de bekendste.


Wie een tijdje over het landgoed - inmiddels uitgegroeid tot 25 hectares - wandelt, kan zich een goede voorstelling maken van hun ontstaansproces. Dat begon in het noorden, in de Maquette Studio, een schuurtje gebouwd in 1970, waar Moore zijn gips- en klei-maquettes modelleerde, sommige niet veel groter dan een mobieltje. Vandaar ging het naar het oosten, naar de Carving Studio, waar de mallen werden gemaakt. In de Top Studio aan de zuidkant van het landgoed werden de beelden tenslotte gepatineerd en opgeslagen.


De vrucht van deze inspanningen zie je even verderop, in de door hagen omzoomde tuinen. Mysterieuze androïden. Totems van een buitenwereldse beschaving. Sculpturen zo glimmend en gepolijst dat het lijkt alsof ze in hun perfecte vorm zijn gezogen. Deze beelden werken associatief. Bekijk Moore, en je ziet de gematerialiseerde versies van de benige vrouwenfiguren uit Picasso's surrealistische periode, zonder de seksuele hysterie; lavalampen, de vloeistof dikker geworden, nog dikker, en uiteindelijk gestold; de demonen op Francis Bacons drieluik Three Studies for Figures at the Base of a Crucifixion - minus de scherpe tandjes. Minus de scherpe wat-dan-ook, eigenlijk. Moore leverde gedomesticeerd surrealisme. Kindvriendelijk en tandeloos.


Daar ging wel het een en ander aan vooraf. Zoon van een mijnwerker uit Leeds en opgeleid als leraar, doorliep hij tot zijn 30ste zo'n beetje iedere denkbare stijl. Hij begon als romantische beeldhouwer, werkte een tijdje in de taille directe-techniek, waarbij imperfecties van het materiaal - butsen, barsten - deel uitmaakten van het uiteindelijke kunstwerk, tot hij in het Louvre een Mayabeeld zag , een achterover leunende vrouw, Chac Mool, offerend. Een openbaring! Het opende Moore's ogen voor kunst uit andere culturen, Oceanië, Mexico, Egypte en leerde hem dat een beeld niet altijd hoeft te lijken op een koningsdrama in het laatste bedrijf tijdens de climax. Dat fel-realisme niet zaligmakend is; dat massief, plomp, semi-abstract soms ook voldoen.


Deze evolutie zie je nog het best in de Reclining Figure-beelden. Moore maakte deze werken sinds de jaren twintig en sindsdien ondergingen ze een evolutie waarop zo'n beetje ieder predicaat toepasbaar is: klassiek, romantisch, Afrikaans, geraffineerd, lomp. Die metamorfose is boeiend. Zij demonstreert een oude beeldhouwers-wet: hoe ronder, hoe grappiger, maar, in dit geval, ook: hoe futuristischer. Want vooral Moore's latere werken ogen soms als buitenaardse wezens die uit een intergalactisch moederschip op hun sokkels zijn neergedaald. Invasion of the Giant Mutant Art Blobs. 3-D bril niet nodig.


De leukste Reclining Figure op het landgoed is Large Reclining Figure (een kunststof kopie staat nu in de linker voortuin van het Rijks). Om het te bekijken, moet je een beetje moeite doen. Door de beeldentuin, over een metalen hek, over een met schapenstront bedekt grasveld, een kleine heuvel op. Nu sta je aan de noordkant van Perry Green. Daar, languissant, op een verhoging, uitkijkend over het weiland, ligt Large Reclining Figure.


Het is een fijn ding. Bij zo'n beeld kun je van alles en nog wat verzinnen - het spel tussen ruimte en restruimte, de vereenvoudiging van de menselijke figuur, psychoanalyse, Jung - maar het plezier ervan zit in eenvoudiger zaken: in de soepele vormen, in het gemak waarmee je blik wordt geleid, dat het prettig aanvoelt. Het is ultiem tactiel. Het maakt de Jan Wolkers in je wakker.


Zulke kwaliteiten zie je extra scherp, wanneer je elders op het landgoed door de tentoonstelling Moore Rodin wandelt. Deze expositie toont 27 werken, twintig van de Brit, Reclining Figure:Bunched, Three Piece Sculpture Vertebrae, Sheep Piece, zeven van de Fransman: Cybele, Adam, Eva, Les Bourgeois de Calais.


Het is een typische specialistenexpositie: bescheiden, overladen met voetnoten: maquettes van het werk, Afrikaanse beeldjes - verzamelen dát konden de heren; de kern echter bestaat uit beeldenkoppels. Die niet willekeurig gekozen zijn, ze zouden iets gemeen hebben.


Zouden, inderdaad, want de verschillen zijn hier veel interessanter dan de overeenkomsten. Rodin was de 19de eeuw: een beest van een beeldhouwer, een man van de klassiekers, fanatiek eurocentrisch, Michelangelo-bewonderaar, een erotomaan bovenal, je zou je kleine zusje er niet mee alleen laten. Dan Moore. Een meer eclectische kerel, organisch, decoratief, socialistisch, gewoon een sympathieke gast eigenlijk. Een braverik? Jawel, zeker. Maar ook invloedrijk en onontkoombaar. Immers: zonder Moore geen gestroomlijnde oren in het landschap, geen reuze-kauwgom-sculpturen in parken, geen Anthony Caro en geen Thomas Schütte, en misschien, waarschijnlijk, ook niet Tom Claassens stenen olifanten bij knooppunt Almere. Onze publieke ruimte zou een heel andere zijn. Onze rotondes niet dezelfde.


War artist


Henry Moore is door de geschiedenis beïnvloed, zowel goedschiks als kwaadschiks. In de Eerste Wereldoorlog raakte hij door een gasaanval in de Slag bij Cambrai gewond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij op voorspraak van Kenneth Clark, eminent kunsthistoricus, Groot-Brittannië's officiële war artist (een traditie die daar sterker leeft dan hier) en maakte hij zijn beroemde serie tekeningen van schuilende Britten in de Londense metro tijdens de Blitz. Het leverde Moore waardering op; zijn reputatie als Engelands officiële stem van de beeldhouwkunst was daarna gevestigd.


Henry Moore in de Rijksmuseumtuinen t/m 28/9. rijksmuseum.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden