Uitvoering AWBZ eist pragmatisme

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de AWBZ berust bij vier verschillende instanties en de uitvoering laat te wensen over....

GUUS SCHRIJVERS

DRIE weken geleden eisten vijf mensen, die al maanden op de wachtlijst staan voor thuiszorg, dat de overheid hun claims zou inwilligen. Zij deden dat in een kort geding, maar de rechter wees hun eis af. Hij vond dat ze bij hun regionale zorgkantoor voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektenkosten (AWBZ) hadden moeten aankloppen.

De verantwoordelijkheid voor de AWBZ berust thans bij vier instanties. Regering en parlement beslissen als eersten over premiehoogte, het totale budget en over het pakket dat verzekerd is. Zij worden hierover geadviseerd door de Ziekenfondsraad. De provinciebesturen beslissen ten tweede over de lange termijn van het aanbod van AWBZ-voorzieningen zoals verpleeghuizen, verzorgingshuizen, instituten voor mensen met een verstandelijke beperking en woonvormen voor mensen met een lichamelijke beperking. Die besturen beslissen over nieuwbouw en stimuleren samenhang door het uitbrengen van zogeheten regiovisies.

De gemeenten zijn als derden verantwoordelijk voor de toegang tot de AWBZ: zij indiceren, zoals dat heet, of iemand wel of niet in aanmerking komt voor bijvoorbeeld thuiszorg. Ten vierde zijn er sinds kort 31 regionale zorgkantoren die het AWBZ-budget beheren voor de inwoners in hun regio.

Logisch zou zijn om de inning, planning, besteding en controle van AWBZ-middelen bij een bestuursorgaan onder te brengen. Dat lost de schaarste aan plaatsen in instellingen, van thuiszorg en van hulpmiddelen niet op, maar burgers weten dan wel waar ze aan toe zijn. Ze hoeven dan niet naar allerlei instanties te bellen. Verder kunnen dan de kosten omlaag en meer hulpverleners worden aangesteld.

In Nederland is de verantwoordelijkheid voor de AWBZ-voorzieningen dus gespreid. Zolang dat zo blijft, kan een rechter alleen maar het hoogste bestuursorgaan, te weten de regering, aanspreken op haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de AWBZ. Te meer omdat deze die verantwoordelijkheidstoedeling naar provincies, gemeenten en zorgkantoren zelf zo heeft gewild. Het kabinet heeft die wens onder andere geformuleerd in het regeerakkoord en in meerjarenafspraken tussen haar en de gezondheidszorg.

Als de regering in de komende maanden zou kiezen voor hetzij gemeenten, hetzij provincies, hetzij zorgkantoren als enige uitvoerders van de AWBZ, dan kiest zij voor logica en komt zij toch in een moeras terecht. Ik licht dat toe.

Voor de gemeenten als AWBZ-uitvoerder pleit dat zij al veel doen voor mensen met beperkingen zoals het aanbieden van huisvesting, recreatie, speciaal onderwijs, werkvoorzieningen, woningaanpassing, buitenvervoer en hulpmiddelen. Tegen deze overheden pleit dat de meeste te klein zijn om de AWBZ uit te voeren en zelden goed met elkaar samenwerken.

De provincies hebben een goede staat van dienst bij het plannen van de gezondheidszorg. Zij leverden en leveren uitstekende zorgbestuurders op. De provinciale aansturing leidde tot een aanzienlijke beddenreductie van de ziekenhuizen en tot vernieuwing en schaalverkleining van AWBZ-voorzieningen. Deze prestaties pleiten ervoor de verantwoordelijkheid voor de AWBZ bij de provincies te leggen. Daartegen pleit dat ze niet zo dicht bij de bevolking staan als de gemeenten. Verder zijn de provinciebesturen de afgelopen jaren de financiering voor de ouderenzorg kwijtgeraakt aan de zorgverzekeraars.

De regionale zorgkantoren gaan over de centen van de AWBZ-voorzieningen. Dat is voldoende argument om ze ook de lange termijnplannning en de toegang tot de AWBZ te laten regelen. Immers: wie uiteindelijk betaalt, bepaalt uiteindelijk alles. Het nadeel is dat de zorgkantoren nog niet goed van de grond zijn gekomen. Nog onduidelijk is wie er in de besturen komen en hoe openbaar zij hun begrotingen gaan vaststellen en hun middelen verdelen over de diverse AWBZ-voorzieningen.

Als Els Borst en Margo Vliegenthart kiezen uit een van de drie opties, zijn zij even logisch als hun voorgangers. Zo kozen Els Veder-Smit en Van der Reijden begin jaren tachtig voor de lagere overheden. Dees en Simons, die daarna kwamen, kozen voor de zorgverzekeraars als leidende organisaties in de gezondheidszorg. Hun beslissingen leverden in en buiten het parlement veel strijd op tussen aanhangers van de genoemde partijen. Ook andere partijen die invloed wilden, roerden zich: de instellingen zelf en de patiënten-/cliëntenverenigingen. Lange jaren van discussies in de gezondheidszorg waren het gevolg: over de Wet Voorzieningen Gezondheidszorg (1980), het rapport van de commissie-Dekker (1987) en het plan Simons (1993). De regering kwam in een moeras terecht.

De afgelopen jaren hielden Borst en Terpstra gemeenten, provincies en zorgverzekeraars te vriend door ze alle enige verantwoordelijklheid voor de AWBZ te gunnen. Met het gevolg dat nu niemand, zelfs de regering niet, zich verantwoordelijk acht voor het totaal. Het beste is, als de regering in de komende maanden een pragmatische AWBZ-koers uitstippelt. Dat kan door provincies, gemeenten en zorgkantoren te stimuleren om hun AWBZ-verantwoordelijkheden gezamenlijk uit te oefenen.

Ik besef dat dat niet eenvoudig is. Wellicht is het makkelijker om in de gezondheidszorg een koe en een paard te kruisen dan gemeenten, provincie en zorgkantoor in één regionale stuurgroep te krijgen, die verantwoordelijk is voor planning, toegang en financiering van de AWBZ-voorzieningen in de regio. Er zijn wel enkele voorbeelden van goede samenwerking tussen zorgverzekeraar, gemeenten en provincie zoals in Utrecht en Amsterdam.

Als de regering navolging daarvan stimuleert, vermijdt zij een uitzichtsloos principieel debat over AWBZ-verantwoordelijkheden en kunnen de drie genoemde instanties elk hun sterke kanten blijven inbrengen. Dan is er in ieder geval duidelijkheid voor mensen met een hulpvraag, ook al die niet wordt gehonoreerd. Als er dan ook nog meer geld komt voor mensen met een chronische beperking kan het poldermodel in de gezondheidszorg weer een aantal jaren mee.

Guus Schrijvers is hoogleraar Algemene Gezondheidszorg aan de Universiteit van Utrecht.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden