Uitgerangeerd, niet uitgewerkt

Klaar met werken of niet, ook hoogleraren moeten op 65-jarige leeftijd met pensioen. Sommigen geven zich er morrend aan over....

Het afgelopen voorjaar verbleef ze zes weken lang in Triëst, waar ze de nalatenschap van dichter Hans Favery (1933-1990) ordende en er ongepubliceerd maar wel voltooid werk vergaarde voor een bundel die binnenkort postuum verschijnt.

Zoiets, zegt emeritus-hoogleraar literatuurwetenschap Marita Mathijsen (1944) van de Universiteit van Amsterdam, was vóór haar pensionering in alle eerlijkheid nooit mogelijk geweest. Maar tegelijk blijft ze er bitter over dat ze een jaar geleden aan de vooravond van haar 65ste verjaardag pardoes werd gepensioneerd. De deur uitgezet, noemt ze het.

Een stuk van haar daarover , in een column in NRC Handelsblad, maakte op de universiteiten de tongen los. Moest de oude garde niet inderdaad eens plaatsmaken voor jongere academici? Of was er sprake van een kolossale vernietiging van intellectueel kapitaal?

Mathijsen: ‘Je krijgt dan van de universiteit opeens de vraag hoe je je afscheid wilt inrichten. Hóe. Niet óf. Daar valt niet over te praten.’

Mathijsen leeft sindsdien van haar pensioen, maar geeft nog gewoon college en begeleidt promovendi. Als wetenschapper en docent, zegt ze ook nu nog, was ze namelijk nog helemaal niet klaar. ‘Al was het maar omdat ik relatief laat hoogleraar ben geworden, zoals veel vrouwen van mijn generatie. Ik durf te zeggen dat ik nu beter college geeft dan twintig jaar geleden.’

De wet is evenwel onverbiddelijk. De cao Nederlandse Universiteiten van de VSNU is over universiteitspersoneel, of het nu kantinepersoneel betreft of hoogleraren, volstrekt helder: ‘Het dienstverband eindigt in ieder geval met ingang van de dag waarop de werknemer de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.’

Op zich, zegt Mathijsen, is er inderdaad veel te zeggen voor pensionering van hoogleraren met 65. Jong talent aan de universiteit moet de ruimte krijgen, vindt ze, en juist haar generatie, de zogeheten grijze prop van de babyboomers, zit daarbij danig in de weg.

‘Je moet niet in de weg lopen. Maar er moet ook continuïteit zijn. Wie geeft mijn college’s als ik het niet doe? Ik heb wel een opvolger, maar die heeft toch andere specialismen. Zodra dat geregeld is, stap ik achteruit.’

Het zou allemaal zoveel eleganter kunnen, vindt Mathijsen. ‘Van een stratenmaker of wijkverpleegster kan ik het me voorstellen, maar veel academici zijn niet opeens uitgewerkt op hun 65ste. Waardeer dat dan ook, door het per geval te regelen. De universiteit vaart er namelijk wel bij, met een ton per afgeleverde promovendus en je publicaties die gewoon meetellen voor de productiviteit. Kwieke hoogleraren kunnen tot 75 mee, is mijn ervaring.’

In feite, zegt de dit voorjaar gepensioneerde Amsterdamse theoretisch fysicus Sander Bais, komt het helemaal aan op flexibiliteit van de universitaire bestuurders. ‘De cao laat absoluut ruimte voor maatwerk. De grens van 65 jaar is hard, en voorkomt dat je stokoude hoogleraren letterlijk van hun stoel moet dragen. Ik heb nu een contract met een nulaanstelling, zodat ik studenten en promovendi kan blijven begeleiden, en van alle faciliteiten gebruik kan maken. Onbetaald, ik heb immers een pensioen, maar ik kan eigenlijk gewoon door, en in feite met veel meer vrijheid dan voorheen. Een klassieke win-winsituatie.’

Maar flexibiliteit heeft ook iets onbestendigs, zegt Mathijsen. Dat ze nog een werkkamer in het PC Hooftgebouw aan de Spuistraat in Amsterdam heeft, inclusief het bordje ‘prof.dr. M. Mathijsen’ op de deur, is pure vriendelijkheid van de decaan. ‘Als er ruimte nodig is, sta ik dezelfde dag nog buiten.’

MAARTEN VAN ROSSEM (1943) HISTORICUS EX-UU (sinds 2009)
‘Ik gaf de laatste twee jaar gratis hoorcollege, omdat ik nu eenmaal iets wilde afmaken. Liefdewerk oud papier. Plus duizend euro per jaar als bijzonder hoogleraar vanwege het Universiteitsfonds, bestemd om glimmende zwarte schoenen van te kopen voor onder de toga.

Ik was in Utrecht geen gewoon hoogleraar, maar hoofddocent, toen ik 65 werd en eruit moest. Persoonlijk heb ik er helemaal niet mee gezeten, en sindsdien vermaak ik me minstens zoveel als ervoor. Maar ik heb er natuurlijk wel enorme stennis over gemaakt, omdat ik het absurde van de situatie aan de kaak wilde stellen. Dat ontslag als rijksambtenaar op 65 begon zo rond mijn 60ste, toen ik brieven begon te krijgen dat ze toch zulke mooie regelingen hadden om te vertrekken. Alles zei: ga nou toch asjeblieft eens weg.

Dat is vooral een krankzinnig situatie, als de overheid tegelijk op alle mogelijke manieren beweert dat we als burgers maar moeten wennen aan het feit dat we pas op 67 of nog later weg mogen. Dat is hypocriet.

Een merkwaardig gegeven is ook dat je als onbezoldigd hoogleraar promovendi aflevert die een ton opbrengen voor de universiteit. In mijn geval kost ze dat niks. Ik werk doorgaans thuis, en mijn mail gebruik ik al sinds de tijd van Fortuyn niet meer, toen ik voornamelijk beledigingen van vreemden begon te ontvangen – de universiteit liet mijn adres op de site staan.

Wat mij overigens altijd het meest heeft verbaasd, is dat zoveel academici het helemaal niet erg vinden om te stoppen. Ook al omdat de praktijk uitwijst dat het niet gezond is. Ik zou het aantal mensen dat kort na hun pensioen dood neerviel, niet graag tellen. Ikzelf neem een voorbeeld aan een Blokker, die daags ervoor nog een stukje schreef. Heengaan midden in een lezing in Klazienaveen, dat lijkt mij ideaal.’

FIK MEIJER (1942)ARCHEOLOOG EX-UVA (sinds 2007)
‘Het enige wat ik werkelijk mis, zijn de studenten en hun onbevangenheid. De onverwachte vragen tijdens colleges, die je op dingen brengen waar je zelf nog nooit aan had gedacht. Ik geef wel college bij het HOVO (Hoger Onderwijs Voor Ouderen, red.), maar dat is toch anders: dat publiek is bepaald bedachtzamer en minder wild in wat het weten wil en denkt.

Na 42 jaar in het onderwijs was het wat mij betreft wel genoeg geweest aan de universiteit. Ik keek totaal niet op tegen mijn afscheid, misschien ook omdat de universiteit nooit helemaal mijn leven was geworden. Ik kwam op mijn 36ste in dienst en ben vooral een man van schrijven gebleven, van boeken en artikelen.

Eigenlijk is het enige verschil met mijn hoogleraarschap dat ik nu geen vaste uren meer college geef. Een werkkamer heb ik thuis, voor de vakliteratuur fiets ik van Oegstgeest naar Leiden, waar alles voorhanden is.

Ik schrijf en geef veel lezingen, en een van de alleraardigste dingen die ik tegenwoordig doe, is reizen leiden. Een week of acht, negen per jaar leiden mijn vrouw en ik groepen door de antieke wereld. Dat is heel prettig, en trouwens ook gewoon een behoorlijke bijverdienste. Al met al heb ik het momenteel drukker dan vóór mijn pensioen.

Ik vind overigens de ophef over gedwongen gepensioneerde hoogleraren overdreven. Professoren zijn niets bijzonders, en er is aan universiteiten bepaald geen gebrek aan goeie mensen.

Toen wij begonnen was dat anders. De huidige oude generatie heeft indertijd gewoon enorm veel geluk gehad met aanstellingen. Maar tegenwoordig staat er echt heel veel talent aan de kant, dat nauwelijks kansen krijgt door de grijze prop. Dat lijkt me eerlijk gezegd een stuk inhumaner dan oude professoren laten vertrekken op een tijdstip dat elders volkomen normaal is.’

ARNOLD HEERTJE (1934) ECONOOM/JURIST EX-UVA (sinds 1994)
‘Ik denk eerlijk gezegd dat ik momenteel voor de samenleving waardevoller ben dan toen ik nog een aanstelling als hoogleraar had aan de universiteit.

Zeker in een crisis als de huidige is er behoefte aan mensen die ongebonden zijn, die alles al eens hebben meegemaakt, aan generalisten met overzicht en het vermogen om te relativeren en helder uit te leggen, ook aan een breed publiek.

Voorwaarde is natuurlijk dat je wel je vakgebied na je vertrek bijhoudt, maar dat is voor mij altijd vanzelfsprekend geweest. Veel economen zijn te gierig om een boek te kopen, ik heb altijd alles zelf willen hebben. Mijn huis staat al mijn gehele carrière vol boeken en tijdschriften. Voor mij is mijn vertrek destijds dus geen trendbreuk geweest. Het enige wat ik mis is een secretaresse.

Maar de formalistische manier waarop de universiteiten met hun mensen omspringen, noem ik wel ronduit dehumaan.

Mensen worden met de wet in de hand en zonder aanzien des persoons de deur uitgezet. Dat is zeker voor actieve academici psychisch een klap die je maar moet zien te verwerken.

Ik heb mensen echt zien verschrompelen. Die brachten hun boeken naar De Slegte en gingen lekker op reis. Even is dat leuk, maar daarna was er het zwarte gat.

Maar belangrijker is dat het een enorme kapitaalvernietiging betekent: kennis en ervaring worden weggegooid. Het hele idee dat de vergrijzing per definitie geld kost, is flauwekul.

Als je dertig jaar stenen hebt gesjouwd in de bouw, snap ik dat het wel op is met 65. Maar er zijn heel veel ouderen die nog buitengewoon nuttig werk kunnen en willen verrichten, maar dat nu gewoon niet mogen. Wat een domheid. Ik mag me daar graag aan ergeren.’

JAN VAN HOOFF (1936) ETHOLOOG EN PRIMATOLOOG EX-UU (sinds 2001)
‘Ik stond vorige week, in de zeventig, dus nog gewoon op de Lowlands University in Biddinghuizen, en het voelde geweldig.

Ik was ten tijde van mijn vertrek eerlijk gezegd blij dat het over was bij de universiteit in Utrecht, ook al omdat mijn opvattingen over het vak uiteindelijk niet helemaal lekker meer lagen in Utrecht.

Daar komt natuurlijk bij dat universiteiten ook heel veel red tape en rompslomp zijn geworden, wat een aanslag doet op je tijd en je concentratie als wetenschappelijk onderzoeker en leraar. Dat was over, en ik heb het nooit als een gemis ervaren.

De inhoudelijke passie om het vak te volgen en mensen ervoor te enthousiasmeren is gewoon gebleven. Vooral ook het grote publiek. Dat laatste ben ik meer dan ooit gaan doen.

Tegenwoordig heet ik een zzp’er. Ik geeft de laatste jaren gewoon les aan de Rijksuniversiteit Groningen, aan de UvA en de VU, en niet te vergeten het HOVO, het Hoger Onderwijs Voor Ouderen. Heerlijk, dat laatste. Allemaal erudiete mensen uit heel andere disciplines, waarmee je vaak heel interessante discussies krijgt. Zeker als je, zoals ik, graag de verbanden zoekt tussen de wetten van de natuur en het menselijk gedrag en de samenleving.

Het verhaal dat wetenschappers die met 65 echt stoppen, niet de beste wetenschappers waren, zou ik eerlijk gezegd liever omdraaien. Mensen die doorgaan, zijn de werkelijk gepassioneerden.

En het mooie van het vrije bestaan is dat je heel direct ervaart of er nog behoefte is aan je bijdragen. Mensen vragen je om op te komen draven, en dat is prettig. Er zal wel een moment komen dat dat ophoudt. Maar ik teken daarbij nadrukkelijk aan dat ik nog niet het gevoel heb nu al op mijn einde te lopen.’

PIET BORST (1934) KLINISCH BIOCHEMICUS NOG STEEDS NKI/AVL (sinds 1999)
‘Ik ben zeker niet meer zo goed als twintig jaar geleden. Maar ik heb wel heel veel ervaring, en het geluk in een omgeving met briljante mensen te verkeren. Ik werk nog steeds fulltime in het lab met een onderzoeksgroep van twaalf mensen. Sterker: we hebben momenteel zulke prachtige resultaten, dat ik waanzinnig hard bezig ben. Een en ander overigens met goedvinden van mevrouw Borst – dat vind ik wel essentieel. Kinderen en kleinkinderen zijn gezond, anders was het een ander verhaal.

Ik heb de regels die toestaan dat ik nog steeds actief onderzoek doe, destijds als directeur van ons instituut zelf ontworpen. Uitgangspunt daarbij is kwaliteit. We zijn meritocratisch. Als iemand van 45 niet voldoende levert, moet hij vertrekken. Als je voorbij de 65 wel levert, ben je welkom. Alleen word je dan vanuit je pensioen betaald en moet je geld voor projecten binnenhalen.

Lichtelijk gestoorde types zoals ik, die bezeten zijn van hun onderzoek, krijgen daarmee hun kans. Tot het niet meer lukt, of ze niet meer willen. Als ik op een dag in mijn tuin zit en geen zin heb om naar het lab te gaan, stop ik ermee. Wetenschap is tegen de stroom in roeien en ondanks alles vooruit willen. Dat is zwaar en moet je kunnen opbrengen.

Mensen per definitie met 65 naar huis sturen vind ik principieel onjuist. Het is maatschappelijk verspillend om mensen pardoes in de vuilnisbak te doen omdat ze een bepaalde leeftijd bereiken. Omgekeerd is weggaan met 65 ook geen afgang. Zoiets moet toch eleganter kunnen, zou ik denken. Onder strikte regels moeten mensen die door willen, ook door kunnen. Mits ze presteren. Ik heb in de VS ook wel hoogleraren gezien die ze op hoge leeftijd letterlijk van hun leerstoel moesten sleuren. Dat was geen fraai gezicht.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden