Uitgelachen

John Lanting stopt na veertig jaar toneel. Vanavond gaat zijn laatste klucht in premiere. De bittere ernst van de verguisde en verafgode regisseur annex acteur van Theater van de Lach....

DE GORDIJNEN van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag sluiten zich voor de tweede maal, maar het applaus blijft klateren. Totdat de ster van de avond tussen de gordijnen door schiet, en de toeschouwers tot stilte maant. 'Ik zei wel dat dit de allerlaatste tournee van het Theater van de Lach is, maar ik beloof niet dat ik nooit meer in het theater te zien zal zijn. Misschien kom ik nog terug als Hamlet . . . of de zoon van Hamlet.'

Het applaus zwelt opnieuw aan. John Lanting mag dan als zichzelf op het voortoneel staan, zijn fans zien hem ook na de staande ovatie als Bram Bunning, de schlemiel met sokophouders die twee uur lang de lachspieren teisterde met zijn pogingen om voor zijn baas, een bekend politicus, een geheim liefdesnestje in te richten.

Na veertig jaar toneel te hebben gespeeld, waarvan de laatste 25 jaar bij Theater van de Lach, zijn eigen gezelschap waarmee hij ruim twee miljoen toeschouwers trok, stopt John Lanting ermee. Vanavond gaat de laatste produktie van Theater van de Lach, Jubileumhotel, in Gouda in première. Daarna volgt een 127 voorstellingen tellende tournee door het land met als eindbestemming Stadsschouwburg Eindhoven, in april 1996. Dan valt het doek definitief. Exit het gezelschap waarvan de naam zo bekend is dat het een eigen plaats kreeg in het Nederlands taalgebruik.

'Bewust heb ik al twee jaar geleden aangegeven dat ik uit het vak zou stappen', zegt Lanting (65). 'Ik hoopte dat een opvolger zich zou aandienen, maar ik moet nu concluderen dat met het Theater van de Lach ook het genre klucht dreigt te verdwijnen.'

Natuurlijk, Lanting weet het ook, momenteel is bij wat hij ironisch 'het grote toneel' noemt, de gesubsidieerde sector, een hang naar toegankelijk toneel zichtbaar. Toneelgroep Amsterdam speelt blijspelen van de Britse toneelschrijver Alan Ayckbourn, bij het RO Theater regisseert Koos Terpstra dit seizoen drie kluchten. 'Het taboe is doorbroken, de Nederlander is gaan inzien dat de lach bij het leven hoort, sterker nog: dat de lach een voorwaarde is om te kunnen leven.'

Zowel Toneelgroep Amsterdam als het RO Theater polsten hem al voor een gastregie. 'Nee, een antwoord op die vraag heb ik nog niet . . . er zijn ook zo weinig goede kluchten. Niet voor niets importeer ik al jarenlang kluchten uit Engeland, van voornamelijk één schrijver: Ray Cooney. Hij kan het zich permitteren een jaar lang aan een stuk te werken, een plot tijdens speciaal daarvoor ingelaste voorstellingen uit te proberen, om daarna verder te schaven totdat het van topkwaliteit is. Voordat een klucht van Cooney naar West End gaat, heeft hij al één miljoen pond geïnvesteerd - dat risico kan hij nemen, want zijn topstukken brengen 25 miljoen pond op.'

Voorkennis bij het publiek is het belangrijkste ingrediënt van de klucht, blijkt ook bij Jubileumhotel. Al tijdens het exposé, waarin alle wetenswaardigheden uit de doeken worden gedaan, groeit een leugentje om bestwil uit tot een kluwen van spraakverwarringen en persoonsverwisselingen. Zo kan het gebeuren dat binnen de kortste keren in kamer 317 van het Jubileumhotel minister Weusink met een secretaresse tussen de lakens kruipt, terwijl in de badkamer van suite 315 mevrouw Weusink de rug van secretaris Bram schrobt.

Bram heeft alle sympathie van het publiek. Want als enig personage kent de minkukel samen met de toeschouwers de ins en outs van de buitenechtelijke escapades. Daardoor is het mogelijk dat hij ook hun paniekreactie deelt als mevrouw A een kamer in wil lopen waar meneer A zich juist tegen mevrouw B aanschuurt. Daar komt nog bij dat Bram een typische underdog is - een trouwe sul die redderend optreedt maar zelf nog het meest verstrikt raakt in het buitenechtelijke web van zijn superieur.

Lanting: 'De klucht gaat over gewone mensen in ongeloofwaardige, uitvergrote omstandigheden. In blijspelen is de situatie geloofwaardig, maar zijn de karakters overdreven witty, te spitsvondig. Daar houd ik niet van, en dat pikt het publiek trouwens niet.'

John Lanting praat defensief - een houding die lijkt te zijn ontsproten aan de talrijke negatieve recensies waarop de regisseur, acteur, vertaler annex bewerker gedurende zijn loopbaan werd getracteerd. 'Ach, ik weet het niet, als die recensies al onder mijn ogen kwamen, struikelde ik altijd over het onbenul van de critici. Zeuren dat het plot voorspelbaar is . . . dat is nou net een kenmerk van de klucht. De enige criticus die ik serieus neem, is het publiek.'

De relatie tussen Lanting en zijn publiek is innig. Waar Theater van de Lach ook geprogrammeerd staat, of het nu de vierde try-out in De Voorveghter te Hardenberg betreft of de 126e voorstelling in Het Kruispunt te Zwijndrecht, de zaal zit barstensvol. Ruim een half uur voordat de zaal open gaat, zijn Lanting's volgelingen al binnen, oud en jong. 'Ja, ook intellectuelen van naam, nee, ik zeg niet wie, dat neigt naar koketteren.' Ze drinken een kopje koffie en haasten zich, een kwartier voordat de voorstelling begint, naar de vaste plek, alsof theaterstoelen de gewoonte hebben tien minuten voor aanvang dicht te klappen.

Op zijn beurt is Lanting goed voor zijn publiek. Voordat het spektakel begint, klinkt in de zaal de herkenningsmelodie van Theater van de Lach, en tijdens de voorstelling zweert hij samen met de toeschouwers door zo nu en dan (volledig ingestudeerd) uit zijn rol te stappen en ze aan te spreken. 'Dat vonden jullie leuk hè? Vraagt hij aan de zaal na een scène waarin echtgenotes, minnaressen en hitsige heren allerlei deuren in en uit lopen en elkaar zodoende net mislopen. 'Net als bij een aria in de opera; we doen het nog een keer.' En prompt volgt een kopie van de scène, compleet met dezelfde bulderende lach in de zaal.

'Mocht iemand mij toch willen opvolgen, dan heb ik één gouden tip: vergeet nooit dat het publiek je medespeler is. Als je de toeschouwers buitensluit, ben je weg.' Zo repeteert Lanting vijf weken de voorstelling met zijn acteurs. De eerste veertien dagen lezen zij het stuk, 'vragen we ons constant af waarom de personages iets zeggen'. Vervolgens wordt het stuk in het decor gerepeteerd, in een speelstijl die gebaseerd is op inleving van de acteur in zijn rol. 'Mijn grootste geheim is dat ik een klucht tijdens de repetities als drama laat spelen. Pas als het publiek erbij komt, belichten de spelers maar één kant van de personages - dat onder het sjabloon een karakter schuil gaat, voelen de toeschouwers dondersgoed aan.'

Tijdens de tournee neemt Lanting de voorstelling regelmatig op met een videocamera, om de dag erna een analyse te maken. 'Soms las ik dan een repetitie in, om de details opnieuw te omlijnen. Bovendien verandert de voorstelling de eerste weken nogal, want gaandeweg, door naar de zaal te luisteren, treedt de verfijning in.' En: 'Elke voorstelling vraagt grote concentratie van de spelers. Daarom eis ik bij een te ontspannen sfeer in de kleedkamer de laatste minuten op. Stilte wil ik dan, want als de voorstelling op 98 procent begint, gaan de acteurs compenseren. Het eindresultaat is dan over the top.'

Nee schat, nu niet ('Het eigenlijke begin.'), Kus van een Rus ('Had niets met sex te maken, ging over de balletdanser Noerejev.'), Een scheve schaats ('Veroorzaakte een psychose, is 346 maal gespeeld.'), Een japon over het balkon ('Bij gebrek aan goed materiaal drie keer uitgebracht.'). Noem een titel en Lanting kleurt de geschiedenis van Theater van de Lach in. 'Waarom wij zo succesvol zijn? Ik denk dat de Nederlander, als hij in zijn huisje op zijn slofjes nog eens door zijn spaarplannen bladert, diep in zijn hart jaloers is op hen die risico's durven te nemen.'

Aan het begin van zijn loopbaan, twee jaar nadat hij in 1956 van de Amsterdamse Toneelschool kwam, was Lanting acteur bij het Rotterdams Toneel, een gesubsidieerd gezelschap dat regelmatig licht werk speelde. Niettemin voelde Lanting zich er niet thuis. Hij vertrok, maakte kort daarop met regisseur Erik Vos de eenakter De aap naar Franz Kafka, een toneelhit waarmee Lanting door Europa trok en ook Colombia, Japan en het Caribisch gebied mee aandeed. In 1966 werkte hij een jaar bij cabaretgroep Lurelei.

De jaren voorafgaand aan de toneelschool reisde Lanting door Europa. Hij waste borden in Saint Tropez, was duvelstoejager bij een theater in Parijs, kluste en genoot in zijn geliefde Madrid. Op de vlucht was hij toen, voor z'n vader die een loopbaan in theater niet zag zitten, voor pestende klasgenoten op het Haarlemse Kennemer Lyceum. 'In de hongerwinter liep ik van alles op: dysenterie, hongeroedeem, geelzucht. Kort na de oorlog werd ik opnieuw ziek.' De Koning van de Klucht weifelt - vraagt of deze informatie ertoe doet. 'Ik kreeg wat toen hersenkramp heette, een vorm van Alzheimer. Doordat ik jong was, is het hersteld, al heb ik er altijd last van gehouden. Bij vermoeidheid ga ik stotteren, en regelmatig eindig ik een zin waarvan ik weet dat de gedachte oorspronkelijk langer was. Die ziekte heeft van mij een solist gemaakt, een nogal overgevoelig type dat zijn leven baseerde op kijken naar het gedrag van andere mensen. Ik durf bij mijn afscheid best te stellen dat een minderwaardigheidscomplex de bron van mijn carrière was.'

Jubileumhotel door John Lanting's Theater van de Lach naar Two into one van Ray Cooney. Tournee t/m april 1996. Informatie en kaartverkoop: Nationale Theaterkassa 06-9203.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden