Uitgebluste eenzaat

IN klassieke en romantische poëzie wordt doorgaans de fictie gehandhaafd dat de spreker een man of vrouw uit één stuk is, die van de eerste tot en met de laatste regel de regie in handen heeft....

Of je nu Horatius leest of J.C. Bloem, Willem Bilderdijk of Remco Campert, bij de - soms niet expliciet genoemde - ik stel je je de dichter zelf voor, terwijl hij aan zijn schrijftafel, in het café of aan de oever van een vlietend beekje spreekt tot de lezer die voor slechts enkele minuten zijn vriend en vertrouweling is geworden.

Natuurlijk is dat een vorm van fictie, want in werkelijkheid zijn genoemde dichters misschien buitengewoon onuitstaanbare mensen met wie je nog niet eens een borreltje zou willen drinken.

Toch bestaat er ook al lang een vorm van poëzie waarin de identiteit van de spreker bewust ongewis wordt gehouden, of zelfs voortdurend als de god Proteus van gedaante verandert. In het werk van Catullus spreken de verschillende ikken van de dichter elkaar geregeld tegen, bij Nachoem Wijnberg treffen we complete dialogen aan en Ezra Pound overstelpt ons met een stortvloed van citaten uit de wereldliteratuur.

Een aparte plaats wordt ingenomen door volksliedjes en popsongs, waarin het heel normaal is dat een bepaalde situatie onaangekondigd vanuit verschillende gezichtshoeken en door verschillende sprekers belicht wordt. Zo kan een refrein, als het koorlied in een tragedie, commentaar leveren op een als autobiografisch voorgesteld verhaal dat in de verschillende coupletten wordt verteld.

In dat licht moeten we eens naar het gedicht van Leopold kijken, de eenzame, dove classicus die zijn leven lang over de liefde heeft gedicht, vermoedelijk zonder haar werkelijk gekend te hebben. De eerste regel heeft al een woordvolgorde die aan middeleeuwse balladen herinnert, welke associatie wordt bevestigd door de in iedere strofe herhaalde refreinregel. Het blijft een raadsel wie die woorden uitspreekt, het volkse karakter wordt versterkt doordat ze geen complete volzin vormen.

De matte a-klanken in de eerste strofe worden enigszins verlicht door de e-klanken die erop volgen, maar de eentonigheid blijft toch overheersen. Het is herfst in Om mijn oud woonhuis peppels staan. Het vallen komt, misschien niet alleen dat van de bladeren.

In het door populieren omzoomde huis, dat voor de zekerheid 'woonhuis' wordt genoemd omdat niemand er zou willen wonen, zit een niet nader genoemde ik te treuren om het spoorloos verdwijnen van zijn lief. Of verwijst het 'mijn' uit de eerste regel naar een ander dan het 'mijn' in het refrein? De spreker heeft alleen het dakgebinte om mee te praten, hoewel het pand ruim genoeg is om een groot gezin te huisvesten.

In de laatste strofe is het perspectief veranderd. Niet langer is de eenzaat zelf aan het woord, nu staan we buiten en kijken we door het raam naar binnen, waar we een gebroken mens aan tafel zien zitten. Uitgeblust staart hij voor zich uit, niet in staat om wat dan ook te ondernemen.

Dat is wat liefdesverdriet kan uitrichten. Vanaf een afstand zie je jezelf zitten in dat huis en je herkent jezelf niet. Je hoort iemand een uit een oude ballade opgepikte formule fluisteren. Deze stem komt je slechts vaag bekend voor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden