Uiteindelijk bepaalt de arts wat menswaardig is

De KNMG sluit eenzijdig uit dat een doodswens bij dementie nog steeds van kracht kan zijn.

Euthanasie voor dementerenden is een delicate kwestie, zeker wanneer een cliënt zelf niet meer in staat is om zijn doodswens te uiten. Maar de artsenvakbond, de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), laat hem daarbij in de kou staan. Dat de cliënt een week geleden zijn doodswens nog wel kon communiceren, doet er niet toe. De toen herbevestigde stapel ondertekende wilsverklaringen is waardelozer geworden dan Russische spoorwegaandelen uit 1915. Wat moet iemand dan ondernemen die wil sterven voor hij het stadium van dementie bereikt? Het zou toch inhumaan zijn dat een mens dan maar 'preventief' een eind aan zijn leven moet (laten) maken? Terwijl er nog zoveel mooie dingen zijn die hij kan beleven, voor het zover is?


Daarom zijn er ook artsen die de wens van hun cliënten wel respecteren en hen binnen de kaders van de wet helpen op de gevreesde drempel naar de dementie. Zij negeren dus de benauwde wetsinterpretatie van de KNMG. Want in dit dossier gaat het in eerste instantie om een juridische kwestie. Wanneer een oude, zieke cliënt compos mentis vaststelt dat de kwaliteit van zijn leven te laag wordt en zijn intimi deze beslissing volkomen respecteren, om welke medische redenen zou een arts kunnen weigeren aan deze wens te voldoen?


Over de kwaliteit van het leven, en over de definitie van 'ondraaglijk lijden', vallen immers geen empirische uitspraken te doen, de bepaling daarvan hangt af van onze individuele levensbeschouwing. Helaas kan een arts vanuit zijn levensbeschouwing altijd een stervenswens negeren omdat hij de enige instantie is die volgens de wet een cliënt mag doden. De enige ook die de procedure daartoe in werking kan zetten door de scen-arts in te schakelen.


Om te maskeren dat euthanasie vooral een kwestie van levensbeschouwing is, worden door weigerartsen en hun medestanders vaak pseudomedische argumenten gehanteerd. Patiënten zouden te weinig weten van pijnbestrijding, palliatieve zorg en onvoldoende medische kennis over dementie bezitten. Weigerartsen en medestanders idealiseren daarbij het demente bestaan alsof iemand verandert in een poes, die spinnend voor de open haard aan zijn brokjes knabbelt. Maar velen willen niet reïncarneren als poes, en zeker niet tijdens dit leven.


Een ander dooddoener is die van de gedumpte puber die uit liefdesverdriet zijn leven wil beëindigen of dat van een yup die vastlegt dat bij impotentie zijn leven geen zin meer heeft. Iets minder onserieus is het gegeven dat wie in een vroeger stadium van zijn leven een stellige overtuiging over zijn levenseinde huldigt, daarvan later geheel of gedeeltelijk kan terugkomen. Inderdaad blijken gelovige protestanten en katholieken die in de kracht van hun leven euthanasie categorisch en geharnast afwezen, steeds vaker hun oordeel te nuanceren wanneer het ultieme moment nadert. Maar dit type voortschrijdend inzicht is uiteraard niet wat weigerartsen bedoelen.


Erg geliefd bij pausen, hun kudden en die van anderen is het onmedische argument van de onnodige 'angst' bij de betreffende patiënten voor het naderende lijden. Die angsten zouden ze zich bovendien door hun toekomstige nabestaanden laten aanpraten. Kinderen die te lui en te egoïstisch zijn om aan hun mantelzorgplicht te voldoen en zich al rijk rekenen met de erfenis. Terwijl uit onderzoek blijkt dat het juist vaak de kinderen (en kleinkinderen) zijn, die emotioneel problemen hebben met een doodswens die ze op zich respecteren. Zo wordt ook vaak geschermd met 'hoe confronterend het is voor een arts om een mens te doden'. Gemakkelijk is anders, maar nooit hoor je een weigerarts reppen van al die artsen die als mens en professional menen een ondraaglijk lijdende patiënt te moeten helpen, maar die dat van de wetgever niet mogen omdat de patiënt geen verlangen tot euthanasie heeft vastgelegd.


Ook het discours over euthanasie van dementerenden kent zijn Godwins. Zeker wanneer crypto-gelovige columnisten zich erin mengen, krijgen we mathematisch voorspelbaar al snel het woord 'moord' voorgeschoteld. Delicaat is anders.


Er is dus sprake van levensbeschouwelijke meningsverschillen over de kwaliteit van het leven. 'Geen poes worden' versus 'poes heeft een mooi en zinvol bestaan'. Tegenstanders van euthanasie voor dementen mogen van mij gerust een poes worden die niet meer weet dat er een kattenbak bestaat. Maar waarom laten zij niet andere burgers soeverein beslissen over de eindigheid van het eigen leven? Omdat de KNMG een koudwatervrezige interpretatie van de wet hanteert en die met een paternalistische attitude tegenover de patiënten uitdraagt. Als een vermoeide ouder die wacht tot de kinderen zich weer gedragen.


Des te navranter is dit paternalisme in de discussie over euthanasie bij dementerenden omdat vooral vakbondsleider Rutger Jan van der Gaag in opiniestukken op een denigrerende toon schrijft over een gebrek aan kennis in deze kwestie onder niet-medici. Terwijl het, als gezegd, niet om medische kennis gaat, maar om juridische. Geen enkele jurist, zelfs niet een ijdeltuit als Bram Moszkowicz, zou het durven zijn niet-juridische opponenten op zo'n paternalistische toon terecht te wijzen.


Een merkwaardige houding, dat medisch paternalisme van de KNMG, want nooit waren er - zowel absoluut als relatief - zoveel hoogopgeleide Nederlanders als nu. Die kunnen door hun onderzoeksvaardigheden medische zaken op het internet en elders vinden en over sommige een redelijk betrouwbaar oordeel vellen. Veel academici moeten bovendien over diagnostische vaardigheden beschikken. Voorts moeten ze (ethisch) kunnen reflecteren op hun beroepsmatig handelen en uiteraard de vigerende juridische regels kennen die met hun beroepsomgeving te maken hebben. Last but not least, op de universiteit gaan ze om met medicijnenstudenten en later ontmoeten ze artsen in de sfeer van familie en kennissen. Kortom, de oude status van 'heilige heelmeester' die alles beter weet dan zijn patiënt, behoort, zeker voor hoger opgeleiden, tot de geschiedenis. De tijd van sjees en dokterstas.


Gelukkig zijn er steeds meer artsen die als vanzelfsprekend (hoger opgeleide) cliënten op basis van gelijkheid bejegenen, zonder daarbij de eigen deskundigheid geweld aan te doen.


De macht van medici en hun vakbond, die hun werd verleend door de wet, wordt in de praktijk door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport telkens opnieuw gelegitimeerd en bevestigd. Zoals op 16 mei, toen minister Schippers sprak met de KNMG, waarop zij besloot een gezamenlijke werkgroep in te stellen van de vakbond en het ministerie.


Dat in het persbericht van VWS bijvoorbeeld het Nederlands Kenniscentrum Ouderenpsychiatrie, de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie en de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde ontbreken, geeft al weinig vertrouwen in de werkgroep. Maar het ontbreken van de Algemene Vereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden is werkelijk een gotspe. De leden daarvan hebben nota bene vaak een dagelijks contact met de cliënt. De AVVV had bij het gesprek met Schippers aanwezig moeten zijn.


De werkgroep zal dus nooit een advies uitbrengen dat de macht van artsen ook maar enigszins beperkt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden