Uit de wurgende vertedering

Een overzicht van zijn werk, aangevuld met dat van kunstenaars die door hem werden beïnvloed, zoals Picasso, Kandinsky, Matisse en Léger, bezint zich op de rol van de douanier Rousseau in de geschiedenis van de moderne schilderkunst....

WAAR STAAT Henri Rousseau? Hoe hoog op de kunsthistorische ladder, hoe dicht bij ons of hoe ver van ons af? Zulke vragen roept elke tentoonstelling op waarin weer eens een meester uit de klassieke moderne kunst naar voren wordt gehaald, maar in het geval van Rousseau le Douanier zijn ze allerminst retorisch. Want hoe is deze aartsvader van de naïeve kunst eigenlijk aan zijn grote naam gekomen en wat waarderen we precies als we zeggen hem te waarderen?

Rousseaus schilderkunst is niet los te zien van de geschiedenis van zijn reputatie. Dat hebben de organisatoren van de tentoonstelling Henri Rousseau. Der Zöllner - Grenzgänger zur Moderne in de Kunsthalle van de Zuidduitse stad Tübingen goed begrepen. Ze brachten niet alleen een overzicht van zo'n zestig schilderijen van Rousseau bij elkaar maar voegden er ook een kleine twintig aan toe van Picasso, Matisse, Léger, Marc, Dix, Beckmann en anderen die de doorwerking van zijn kunst in de twintigste eeuw aanschouwelijk moeten maken. Daarmee wordt de woordspelige titel van de tentoonstelling duidelijk. Rousseau moge een brave Parijse tolbeambte zijn geweest die nooit de Franse grenzen heeft overschreden (dat hij Mexico bezocht zou hebben is een mythe), hij is wel een sleutelfiguur op de grensovergang naar de moderne kunst.

De tentoonstelling in Tübingen is er een in een reeks. In de afgelopen twintig jaar werden regelmatig overzichten getoond van andere grootheden uit de late negentiende en de vroege twintigste eeuw zoals Cézanne, Degas, Toulouse-Lautrec en Picasso. Gesponsord door de industrie, dat wel, maar het is toch telkens weer een prestatie van zo'n kleine Kunsthalle die bij gebrek aan een eigen collectie niets terug kan doen tegenover de bruikleengevers. Blijkbaar heeft Götz Adriani, die voor de hele reeks tekent, bij musea en particuliere verzamelaars veel krediet opgebouwd door de zorgvuldige keuzes die hij maakt en de doorwrochte catalogi die hij publiceert.

Dat geldt ook nu. De catalogus is voortreffelijk (en spotgoedkoop voor zo'n dik gebonden boek), de tentoonstelling goed gedoseerd, zowel wat de omvang als de selectie betreft. Enkele belangrijke grote schilderijen van Rousseau worden weliswaar node gemist (bijvoorbeeld het Zelfportret uit Praag, De slapende zigeunerin en De droom uit New York, De slangenbezweerster uit Parijs), er staan genoeg topwerken tegenover, van vroege zoals Boswandeling en Ontmoeting in het bos tot de grote oerwoudstukken uit zijn laatste jaren. Interessant is bovendien de aanwezigheid van schilderijen die in bezit zijn geweest van kunstenaars die Rousseau bewonderden. Kandinsky bezat er twee, Picasso vier; ze hangen alle zes in Tübingen, aangevuld met foto's en andere documenten over de vroege verspreiding van zijn werk.

En dan zijn er zoals gezegd de schilderijen van die bewonderaars zelf, al had de keuze daarvan misschien nog wat scherper kunnen zijn. Picasso's eerste kubistische landschappen en stillevens hebben veel meer aan Rousseau te danken dan het hier getoonde portret van Fernande en ook in zijn latere classicistische werk, dat ontbreekt, is hij hem nog lang niet vergeten. Van Kandinsky's nogal cerebrale heimwee naar het naïeve en primitieve zijn betere voorbeelden te vinden dan Spoorweg bij Murnau, kennelijk alleen gekozen om de thematische overeenkomst met een landschap met telegraafpalen van Rousseau. Derain is afwezig, het surrealisme is slechts vertegenwoordigd door één enkel werk van Max Ernst. Het blijft in de tentoonstelling dus bij enkele aanduidingen, maar voldoende om de stelling te onderbouwen dat zelfs de grootsten van de moderne kunst schatplichtig zijn geweest aan die kleine Douanier.

Rousseau, geboren in 1844, behoorde tot de generatie van de impressionisten. Monet, Renoir en Cézanne waren slechts enkele jaren ouder, Gauguin, Van Gogh en Seurat, die later post-impressionisten genoemd zouden worden, waren een stuk jonger. In 1874, het jaar dat de impressionisten hun eerste groepstentoonstelling hielden en hun geuzennaam opdeden, was Rousseau nog maar net begonnen met schilderen. Hij trad pas naar buiten met de instelling van de Salon des Indépendants, waar zonder de gehate jurering van de officiële Salon plaats was voor iedereen die een paar francs inschrijfgeld betaalde, kunstenaars rijp en groen, amateurs en beroeps, traditionalisten en avant-gardisten. In 1886 was Rousseau er voor het eerst bij; hij zou tot aan zijn dood in 1910 bijna jaarlijks bij de Indépendants exposeren. Aan zijn verbondenheid met het democratische kunstenaarsinitiatief gaf hij in 1905/1906 uitdrukking in het schilderij De Vrijheid nodigt de kunstenaars uit om aan de 22ste tentoonstelling van de Onafhankelijken deel te nemen, waarop een onafzienbare stoet schilders en schilderessen met doeken onder de arm of op karren geladen optrekt naar het feestelijk bevlagde tentoonstellingspaviljoen.

Een carnavalsavond (evenals het vorige schilderij in Tübingen aanwezig) vormde in 1886 letterlijk en figuurlijk zijn droomdebuut. Met die witgeklede harlekijn en colombine, als droomverschijningen in het maanlicht afstekend tegen het kantwerk van kale bomen en de nachtelijke hemel, heeft het al helemaal de kwaliteiten die Rousseaus beste werk tot zo'n belevenis maken. Of dat ook bij die eerste tentoonstelling werd opgemerkt, waar het schilderij moest opboksen tegen duizenden andere, is de vraag. Seurats monumentale Zondag op het eiland van La Grande Jatte trok alle aandacht naar zich toe en vormde het onderwerp van verhitte discussies, maar volgens de overlevering sprak de impressionist Pissarro zich zeer lovend uit over het werk van de debutant Rousseau. In de daaropvolgende jaren kreeg hij ook respons van Gauguin, Redon en Signac.

Tegelijk bleef de afstand groot; van onderling contact en beïnvloeding was nauwelijks sprake, daarvoor waren zijn werk en zijn levenshouding te afwijkend. De avant-gardeschilders hadden hun eigen codes waar Rousseau niet goed in paste. Zij waren bohémiens - de meesten althans), hij een petit bourgeois. Gauguin reisde de wereld over, op zoek naar de zuiverheid van het niet door de westerse cultuur geïnfecteerde primitieve bestaan, en pretendeerde dat gevonden te hebben op Martinique en Tahiti.

Rousseau vond het verloren paradijs praktisch om de hoek in de Jardin des Plantes en in zijn eigen fantasie. De avant-garde zocht de stilering en vlakheid van vóór de renaissance en van archaïsche culturen, het frisse en onbevangene van amateurkunst, maar het kostte hun in de praktijk veel moeite om los te komen uit het keurslijf van de academische training. De amateur Rousseau bereikte die artistieke doelen schijnbaar moeiteloos, al spiegelde hij zich merkwaardigerwijs juist aan het voorbeeld van academisten zoals Cabanel en Gérome.

Tussen zijn generatiegenoten stond hij geïsoleerd maar hij hoefde voor niemand onder te doen, getuige bijvoorbeeld het schilderij De oorlog uit 1894, dat op de tentoonstelling terecht een ereplaats heeft gekregen. Het is misschien wel het meest indrukwekkende en oorspronkelijke werk dat het laatste decennium van de negentiende eeuw heeft opgeleverd.

Rousseaus tijd kwam pas ruim een decennium later, gedurende de laatste jaren van zijn leven. Te midden van de vernieuwingen die de jonge Parijse schilders vanaf ongeveer 1905 doorvoerden, leek zijn werk plotseling op zijn plaats te vallen en kreeg het een voorbeeldfunctie toegemeten. Helemaal ondubbelzinnig overigens was de waardering aanvankelijk nog niet. Het beroemde banket dat Picasso en Fernande Olivier in 1908 te zijner ere in hun atelierwoning aanrichtten, waar hij op een troon werd gezet, gelauwerd en toegesproken en -gezongen door een gezelschap waarin zich Apollinaire, Braque en Gertrude Stein bevonden, was volgens latere getuigenissen half hommage, half farce.

Niettemin was het in deze kringen dat Rousseaus ster begon te stijgen. De moeder van Delaunay (die een oprechte bewonderaar was) ging zijn werk verzamelen en gaf in 1907 opdracht voor De grote slangenbezweerster. Picasso kocht in 1908 zijn eerste Rousseau, een levensgroot vrouwenportret. Een cruciale rol speelde de in Parijs wonende Duitse kunsthandelaar en verzamelaar Wilhelm Uhde, die in 1911 de eerste monografie van de kort tevoren gestorven schilder publiceerde en veel heeft gedaan voor de verspreiding van diens werk in Duitsland. In hetzelfde jaar al was een schilderij van Rousseau uit het bezit van Kandinsky te zien op de eerste tentoonstelling van Der Blaue Reiter in München, twee jaar later werd een ruim overzicht van zijn werk getoond op de Herbstsalon in Berlijn.

Ook buiten de as Frankrijk-Duitsland groeide de belangstelling voor zijn werk. In Nederland was de schilder-criticus Kasper Niehaus er vroeg bij: hij publiceerde in 1913 een mooi artikel over Rousseau in Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift en gaf een jaar later in zijn schilderij Het kind van de zee een verrassende Hollandse parafrase op diens Zelfportret. Niehaus bleef zich in geschrifte inzetten voor Rousseaus werk, maar het verscheen vrijwel nooit op tentoonstellingen in Nederland en er is helaas niets van beland in Nederlandse particuliere verzamelingen en musea. Belangrijke stukken gingen bij de na de Eerste Wereldoorlog snel stijgende prijzen vooral naar de Verenigde Staten. In de jaren twintig en dertig tenslotte kwam Rousseau vrijwel op één lijn te staan met Cézanne, Gauguin, Van Gogh en Seurat. Gezamenlijk vormden zij de vijf zuilen van het modernistische pantheon.

In die spectaculaire opwaardering hebben kunstenaars een belangrijk aandeel gehad, waarbij het opvallend is dat telkens nieuwe aspecten in zijn werk naar voren werden gehaald en als vertek- of referentiepunt gebruikt. Voor de jonge generatie die hem tussen 1905 en 1910 ontdekte, was het vooral het feit dat Rousseau een radicaal alternatief bood voor de vluchtige natuurweergave van het impressionisme, dat de werkelijkheid als het ware had laten verdampen. Geïnspireerd door zijn schilderijen ontwikkelden Picasso en korte tijd later Léger kubistische methoden om de soliditeit van vormen in de ruimte op een geheel nieuwe wijze op het doek gestalte te geven, zonder perspectief en traditionele licht-donkerverdeling.

Voor Kandinsky's meer naar het filosofische en mystieke neigende geest was Rousseau bij uitstek de kunstenaar die met zijn geniale kinderlijke intuïtie tot de innerlijke klank van de dingen was doorgedrongen, en die zo langs de weg van de 'grosse Realistik' in feite hetzelfde had bereikt als wat hij zelf langs de weg van de 'grosse Abstraktion' nastreefde. Met de opkomst van realistische stromingen tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, onder de vlaggen van het retour à l'ordre en het surrealisme in Frankrijk, de Neue Sachlichkeit in Duitsland, het magisch realisme in Italië en Nederland en de vele lokale varianten die zich in heel Europa voordeden, kreeg Rousseau weer een nieuwe actualiteit. De surrealisten bijvoorbeeld herkenden in hem een visionaire voorloper, wiens stadsgezichten en oerwoudscènes De Chirico en Ernst tot lichtend voorbeeld waren geweest.

De eerste helft van de twintigste eeuw was Rousseau zo levend als een dode kunstenaar maar zijn kan. In de tweede helft van de eeuw lijkt hij definitief te zijn afgelegd en opgebaard. Er is een onoverbrugbare afstand ontstaan tussen de nieuwe ontwikkelingen die zich sindsdien hebben voorgedaan, vaak met een sterk conceptuele inslag, en het werk van de Douanier. Duchamp is het historisch referentiepunt, niet Rousseau. De publieke belangstelling voor zijn werk is onverminderd groot, getuige ook de stromen bezoekers in Tübingen, maar ze heeft een hoog sentimentaliteitsgehalte, wat nu eenmaal het noodlot is van naïeve kunst.

Al valt de geschiedenis niet te keren, de tentoonstelling in Tübingen doet in elk geval een serieuze poging om Rousseau los te maken uit de wurgende vertedering waarmee hij tegenwoordig vaak wordt bejegend; ze doet hem recht als een figuur die van historische betekenis is geweest voor de moderne kunst en als een groot schilder. Want dat was hij, niet alleen vanwege zijn bijzondere voorstellingswereld maar ook vanwege de revolutionaire formele kwaliteiten van zijn werk. Zoals Rousseau met kleur omging, bijvoorbeeld in de weergave van vegetatie, waar hij een naar het rood neigend groen of een naar het groen neigend rood kon neerzetten zonder het drabbig te maken: dat kon geen Monet hem verbeteren. Hoe hij zijn grote stukken componeerde en het ritme van de vormen bepaalde: daarin is hij de evenknie van Cézanne en Seurat. En als het nodig was kon Rousseau ook een meesterlijk regisseur zijn, zoals in De oorlog, waar de ongekende heftigheid van de voorstelling een perfecte uitdrukking vindt in de contouren en de botsende richtingen van de vormen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden