Uit de kunst

Het gezicht van de Gouden Eeuw wordt bepaald door de kunst uit die periode, die nog altijd wereldwijd wordt geroemd. Kunstcriticus Wieteke van Zeil kijkt naar de rol van de kunst in de serie De Gouden Eeuw. Wat zegt het over toen, en over nu?

Gewone burgers met grote ondernemingsdrang. Gewone huisvrouwen die hun straatje vegen. Gewone kinderen die bellenblazen en met de kat spelen. Gewone huizen en gewone, sobere kerken. Gewoon als in: Hollands. In de loop van de geschiedenis is het gewoon geworden de Gouden Eeuw als een voorbeeld voor het nu te zien. Zoals Florence zich altijd zal moeten verhouden tot z'n 15de eeuw, en Parijs tot z'n 18de eeuw, zo gaat Holland nooit echt loskomen van z'n welvarende, succesvolle 17de eeuw. Als een dominante vader die je in je spiegelbeeld terugziet, met z'n goede en z'n kwaaie trekken, en als jij het niet ziet, dan zeggen de mensen om je heen het wel tegen je. Zie het er maar mee te doen.


Dat gezicht van de Hollandse 17de eeuw wordt bepaald door duizenden kunstwerken, voornamelijk schilderijen. Die schilderijen geven iets prijs van het karakter van die eeuw, en het leven van toen. Dat was uniek: voor het eerst in de geschiedenis drongen het alledaagse leven en de alledaagse mens, tot de armsten aan toe, door in de beeldende kunst. En dan is het héél verleidelijk om in die beelden tezamen één groot beeldverslag van de meest succesvolle eeuw voor Holland te zien.


In de serie De Gouden Eeuw zit één aflevering die apart gaat over de kunst. Maar ook in de rest van de uitzendingen is er geen gebrek aan kunst - juist door die geroemde 'beschrijvende' waarde van de schilderijen, is het ideaal materiaal. Zo dicht als je maar kunt komen bij een live reportage van het 17de-eeuwse leven.


Toch is er één klein euvel: met de kunst van de Gouden Eeuw kun je alle kanten op. Zo eenduidig als het lijkt, zo glad en vormeloos het blijkt als je het gaat proberen te interpreteren.


Neem een fenomeen dat uniek is voor Holland in die tijd: het groepsportret. Toen in 1902 de Duitse denker Aloïs Riegl De Staalmeesters (1662) van Rembrandt voor zich zag, zag hij een momentopname van een vergadering. Een typische verbeelding van een corporatieve samenleving; Rembrandt had de mentaliteit van de regenten gevangen in hun uiterlijke verschijning. Riegl schreef toen de fotografie net opkwam en er, jawel, een corporatieve samenleving ontstond.


Toen de Nederlandse kunsthistoricus Henri van de Waal vlak na de Tweede Wereldoorlog De Staalmeesters voor zich zag, zag hij vooral een vormoplossing. Een briljante, dat wel; Rembrandt kon als geen ander vlakken en kleuren indelen, en tot formele oplossingen komen met het onderwerp dat hij voor zich had. Niet vreemd; Van de Waal was opgegroeid met Cézanne en Mondriaan. Veel formeler krijg je het niet.


Dan Bob Haak, de innemende kunsthistoricus en directeur van het Amsterdams Historisch Museum rond 1970. Toen hij de verschillende regentengroepen van de wees- en armenhuizen uit zijn collectie zag, zag hij naast de schilderkundige oplossingen juist voornamelijk de sociale ongelijkheid en maatschappelijke omgang met de armen. Herkent iemand hier de geest van de jaren zeventig? Van de 20ste eeuw, bedoel ik.


Simon Schama ten slotte, de barokke Britse kunst- en geschiedenisverteller, noemt in Overvloed en onbehagen (1987) een groepsportret van de Regentessen van het Burgerweeshuis in Amsterdam 'een onbeschaamd stuk filantropische eigendunk'. Nederlander zijn betekent nog steeds, volgens Schama, 'leren leven met de morele dubbelzinnigheden van het materialisme'. En de plicht tot liefdadigheid. Is die dubbelzinnigheid, de embarrassment of riches zogezegd, typisch 17de-eeuws Hollands, of zegt het meer over de eind 20ste-eeuwse welvaart in de Angelsaksische wereld?


Je ziet wat je bezighoudt. En de werkelijkheid van nu is niet zo heel makkelijk van je af te schudden als je naar de kunst van toen kijkt. Elke tijd heeft bovendien zijn smaak, die een stempel drukt op de waardering van de kunst van de Gouden Eeuw. In de 18de eeuw vond kunstkenner Arnold Houbraken Rembrandts weinig idealiserende benadering van de werkelijkheid maar niks, in zijn Grote Schouwburg (1718). Rembrandt schilderde zelfs een dode aap op een groepsportret, omdat die aap tijdens het schilderen stierf. Tot groot ongenoegen van de edele familie die werd afgebeeld - volgens Houbraken dan. De schilder had wel wat selectiever mogen zijn, en de lelijke dingen achterwege moeten laten in zijn kunst.


Die mening hield tot diep in de 19de eeuw stand. Pas aan het eind van die eeuw had men er weer belang bij zijn 'compromisloze realisme' te waarderen, ingegeven door het realisme in de kunst en literatuur van het fin de siècle. Wat Houbraken betreft, was Jan Steen trouwens net zo'n dronkelap als de mannen die hij in zijn schilderijen schilderde, en Adriaen van Ostade net zo'n onbehouwen boer: je bent wat je schildert. Maar ook daar blijkt niet zo heel veel bewijs voor te zijn.


En wij, nu, denken altijd maar dat het die portretten zijn die de schilders destijds roem bezorgden. Zou het iets met een mens-centraal denken in de 20ste eeuw te maken hebben? Individualisme? Hoe dan ook, het wás niet de topkunst in die tijd, slechts bijvangst, grotendeels. Wat een reclamecommercial is voor een serieus regisseur; om z'n brood mee te verdienen en daarmee het echte werk mogelijk te maken. Dat creatieve werk, dat was niet het portret, niet het landschap en zelfs niet eens het stilleven. Dat was een historiestuk: een schilderij met een afbeelding van de bijbelse of mythologische geschiedenis, liefst met een in de 17de eeuw 'actuele blik'.


De Gouden Eeuw-serie laat ons wat dat betreft in de waan. Het is interessant te zien wat de rol is die kunst hierin krijgt toebedeeld, en de betekenis. Je kunt er immers veilig van uitgaan dat dat evenveel zegt over onze tijd als over toen. In aflevering 9, over kunst, dringen de makers door tot de handel en spreken daarbij spelers met ieder een eigen historisch gegroeide waarde, zoals Jan Six X, nazaat van Jan I, voor wie Rembrandt een 'vriendenportret' maakte. En Pieter Dreesmann, van Vroom zeg maar, die met zijn vrouw Olga een indrukwekkende Gouden Eeuw-collectie had, maar deze afgelopen zomer veilde - een van de stukken, een stil zeegezicht van Willem van de Velde II hangt nu in het Rijksmuseum. De NTR was bij de veiling.


Het reflecteert niet alleen de smaak van nu, maar voor een deel ook de wetenschappelijke aandacht die de Gouden Eeuw in de afgelopen jaren heeft gekregen: die voor de handel en de kunstmarkt. Hoe ging de schilder om met zijn waar en wie kocht het? De kennis van de 17de-eeuwse kunstmarkt is nu veel groter dan vijftien jaar geleden, en verklaart veel van de kunst van de Gouden Eeuw. De opkomst van een vrije markt bijvoorbeeld zorgde ervoor dat schilders werk 'in serie' gingen maken, in plaats van wachten op de wensen van een opdrachtgever. Vandaar de vele landschappen en stillevens, onder meer. Ook ontstond toen de kunsthandelaar zelf, zoals Rembrandts oom van zijn vrouw Hendrick van Uylenburgh.


Toch is die economische benadering ook opnieuw een beperking. We denken over kunst in termen van geld, steeds meer. Rembrandt staat voor miljoenen, het veilingwezen bloeit tegen de klippen van de crisis op en op vergelijkbare manier als in de Gouden Eeuw halen de superrijken van vandaag de duurste kunst binnen om zichzelf status aan te meten.


Nog niet zo heel lang geleden, een jaar of veertig, was leerzaamheid en deugdzaamheid het bepalende frame waarbinnen we de 17de-eeuwse kunst waardeerden: alledaagse taferelen hadden allerlei dubbele betekenissen en morele waarschuwingen tegen een al te ijdel en lichtzinnig leven. Aan dat lichtzinnige leven is nu overgegeven, zo lijkt het, niet alleen in de serie maar voor een groot deel in de algemene smaak van het publiek.


Toch zijn er aan de randen al interessante dingen waar te nemen. Zoals een herwaardering voor de kunst die toen als allerbeste gold: de historiekunst. In de filmindustrie is het historische en mythologische heldenverhaal een succes, al was het maar om de stoere vechtscènes. In verschillende tentoonstellingen is herwaardering van de historiestukken te zien, zoals nu in Rewind in Rijksmuseum Twente.


De kunstenaars van de Gouden Eeuw mochten dan de geschiedenis gebruiken om de actuele onderwerpen te verbeelden; wij gebruiken voorlopig nog de Gouden Eeuw om onze tolerantie, zelfverwezenlijking en ondernemingszin te duiden. Om weer te kunnen zeggen: kijk, ze deden toen net als nu. Tot de bouwfraude aan toe. Het wachten is op een nieuw keerpunt.


VERDER LEZEN

Simon Schama, Overvloed en Onbehagen, 1987. Contact.


Bob Haak, Hollandse schilders in de Gouden Eeuw, 1975. W Books.


Frans Grijzenhout (red.), De Gouden Eeuw in perspectief, 1992. SUN.


Jeroen Boomgaard, De verloren zoon, Rembrandt en de Nederlandse kunstgeschiedschrijving, Babylon-de Geus, 1995.


Thijs Weststeijn, The Visible World, Samuel Van Hoogstraten's Art Theory And The Legitimation Of Painting In The Dutch Golden Age. 2008. Amsterdam University Press.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden