Opinie

Twintigers verwijten hun ouders te goed voor zichzelf te hebben gezorgd

De kleinburgerlijke benepenheid, die we in de jaren zestig hadden verjaagd, is weer helemaal terug.

IJf Blokker als Barend Servet in de gelijknamige tv-show van de VPRO uit 1973.Beeld anp

Van Diederik Samsom moeten kinderen met 3 jaar naar school; van Mark Rutte mogen we pas op ons 67ste met pensioen, áls de demografische ontwikkeling niet tot nog langer doorwerken verplicht. Er moet van alles, er mag niks.

Het is een totale omkering met de tijd waarin ik (geboortejaar 1957) ben opgegroeid. In de jaren zeventig dachten we dat we steeds korter zouden gaan werken. Het gold als burgerlijk om carrière te maken, wie toen aan de oude dag dacht was dood. Maar tegenwoordig maken twintigers die over de wereld reizen zich zorgen of er nog wat over is als zij aan de beurt zijn. Hun ouders krijgen de schuld te goed voor zichzelf te hebben gezorgd. De geest van het klootjesvolk, een narrigheid die maar niet wil overgaan, heeft gewonnen en is nu een stuk klotiger dan in de jaren zestig.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Gelukkig is er het Babyboomboek van de historicus Ronald Havenaar, die het begin van een uitleg biedt. 'Wat ze lazen, wat hen vormde, hoe ze dachten', luidt de ondertitel. Hij constateert dat de boomers met velen waren, dat velen voor het eerst konden studeren en er dus ook meer werd gelezen. Havenaar (1950) selecteerde 36 boeken waaruit de denkwereld van de babyboomers wordt gedestilleerd. De historicus ontwaart een 'gespleten' wereldbeeld bij een generatie die hij als stuurloos omschrijft.

Dat is hem niet in dank afgenomen. Geen enkel zichzelf respecterend individu laat zich graag tot meeloper van een generatie reduceren, zeker niet degenen die zichzelf als voorhoede zien. Niemand laat zich het beeld van zijn geliefde (of gehate) jaren zestig afpakken, het tijdperk waarmee de boomers voor eeuwig zijn verbonden. Alsof alles wat daarna kwam slechts naspel was en er op de echte babyboomers (1945-1955) geen nieuwe generaties meer volgden die minstens zo jong en trendsettend waren.

Dan valt op dat de literaire helden van de babyboomers eigenlijk al oude lullen waren. Willem Frederik Hermans was een cynicus die elk verzet als onbetekenend voorstelde; Gerard Reve een reactionaire homoseksueel die zich openlijk tot de katholieke kerk bekeerde; Harry Mulisch een saloncommunist die liet optekenen dat hij met z'n foute Oostenrijks-Hongaarse vader en Duits-Joodse moeder de Tweede Wereldoorlog zelf was. Geen van de drie was politiek correct, niet naar de maatstaven van nu, niet naar de maatstaven van toen.

Daar sta je dan met je antifascisme. Te laat geboren voor het echte werk, voor altijd een baby die door de geschiedenis in de watten is gelegd. Historisch gezien waren de boomers al softies voordat de sociale academie bestond. Zij speelden de oorlog, zij speelden de verzetsman, zij speelden de revolutie, en konden niet anders dan de wereld in een speeltuin veranderen. Waarmee zij vanzelf de spot opriepen van volwassen geesten als Jan Blokker, die zich afvroeg of hij wel links genoeg was.

Beeld ANP

Ik denk dat de meeste rebellen zelf ook wel inzagen dat het niet zo serieus was. Elke actie was ludiek; er werden krenten uitgedeeld aan de politie om het gezag te ontwapenen. Natuurlijk, je had verbeten tantes als Anja Meulenbelt die de schaamte voorbij was, maar humor was nooit de sterkste kant in het vrouwenkamp.

De grappigste feministe was Annie M.G. Schmidt, die licht subversieve kinderverhalen schreef en toen al een stuk ouder en wijzer was. Het meest ontregelend was Wim T. Schippers, die met zijn Barend Servet Shows het verschil tussen hoge en lage cultuur doorbrak.

Maar uitgerekend zijn pindakaasvloer (1962) ligt onder vuur van nationale notenkrakers, omdat er door een museum in Rotterdam te veel subsidie voor is uitgekeerd. Terwijl er niks Hollandser is dan pindakaas. Karel van het Reve ging eind jaren zestig al met twee potten pindakaas naar Moskou, waar hij het geloof der kameraden fileerde dat toen in de mode was. Nu zetten nieuwe volksdemocraten zich af tegen 'de hobby's van een uitvretende klasse van pseudo-kunstenaars en intellectuelen'. De eigen benepenheid wordt demonstratief als verzetsdaad geëtaleerd.

Je kunt je afvragen of dit in de geest is van Pim Fortuyn, babyboomer (1948), en Theo van Gogh, een nakomertje (1957) die als echte provo tegen het linkse establishment inging. Ik denk dat de babyboomers hun ergste dwalingen zelf al hebben gecorrigeerd. Niks verbeelding aan de macht. Nu heerst er alleen nog een rationele geest, waarin alles dat geen direct nut heeft (zoals letterenstudies) wordt gestroomlijnd. Allemaal in het kader van de zelfredzaamheid, waarbij jong en oud voor altijd met hun positie op de arbeidsmarkt bezig zijn.

Mij lijkt het een revanche op de revolutionairen van gisteren. Elke revolutie eet haar eigen kinderen op. Daar deden de babyboomers niet aan, zij wilden nooit de strenge opvoeders zijn die hun ouders waren. Maar het moment van afrekening nadert snel. In naam van de kinderen, die met véél minder zijn, eindeloos gepamperd worden, en vandaag al hun aandeel voor later opeisen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden