Tweedehandsautoverkoper is symbool van onbetrouwbaarheid

Wat hebben Mark Rutte, Erdogan en de Ombudsman met elkaar gemeen? Het zijn allemaal tweedehandsautoverkopers. Niet mijn woorden. Het zijn beweringen van hun collega's, opiniemakers en twitteraars. Een vergelijking die je, als je er eenmaal op let - en dat doe ik - best vaak tegenkomt in de media. Wordt ergens iets recht geluld wat krom is? Komt een politicus zijn beloftes niet na? Denk je dat iemand staat te liegen? Stempel 'tweedehandsautoverkoper' erop en het publiek weet exáct waar je het over hebt.

Autoverkoper Jan Wals: 'Nee, in mijn bedrijf heb ik nooit een kilometerteller teruggedraaid.' Beeld Jiri Buller

Eerder dit jaar behandelen Marianne Zwagerman en Rick Nieman in het Mediaforum op Radio 1 het Nieuwsuur-interview met Ombudsman Reinier van Zutphen van de avond ervoor. Zwagerman zegt: 'Ik weet dat je mensen nooit op hun uiterlijk mag veroordelen, maar ik had het gevoel dat ik naar een heel slechte tweedehandsautoverkoper zat te kijken. Die toch om de vraag heen draait of de teller teruggedraaid is.' Nieman nuanceert: 'Hij heeft zijn haar naar achteren met gel, moet-ie niet doen. Maar dan kun je heel veel mensen gaan afschrijven.'

Richard Nixon, met toevallig hetzelfde kapsel als de Ombudsman, overkwam al iets soortgelijks in 1960. Het campagneteam van de Democraten verspreidde tijdens de presidentsverkiezingen posters met daarop een foto van Nixon die een schietbeweging met zijn hand maakt en de slogan: 'Would YOU buy a used car from this man?'.

Altijd die eeuwige tweedehandsautoverkoper. Een positieve connotatie bij dit beroep is vrijwel uitgesloten. Terwijl betrouwbare exemplaren nu ook weer niet zo exotisch zijn. Maar het is een scheldwoord. De belichaming van oplichterij, corruptie en leugens.

Ach, kun je dan denken, het is maar beeldspraak. En dat zou ik ook precíes hebben gedacht.

Als mijn vader er geen was.

Mijn moeder, broertje en ik zaten al aan tafel voor het avondeten toen mijn vader binnenkwam met gespreide armen. 'Dag mijn liefsten. Ik heb vandaag drie auto's verkocht.' Hij hing zijn blauwe stofjas aan de kapstok en stapte uit zijn werkschoenen. Hij waste zijn handen - zonder zichtbaar resultaat, want de smeerolie was onder zijn nagels gefossiliseerd - en ging handenwrijvend achter zijn zuurkoolstamppot zitten.

'Je bent laat', zei mijn moeder. 'Drie auto's?', herhaalde ik, diep onder de indruk. 'Voor hoeveel?' Elk getal boven de honderd gulden was astronomisch. 'Je mag niet alles weten, wel alles eten', was het antwoord. Ik rolde met mijn ogen.

De volgende dag op het schoolplein zei een jongen uit mijn klas trots dat zijn vader een nieuwe auto had gekocht, voor z'n moeder. Nu hadden ze er maar liefst twee zei hij, en hij maakte met zijn vingers het peaceteken en zwaaide ze heen en weer. 'Mijn vader heeft er twintig', zei ik nonchalant. Ik liet beide handpalmen zien en duwde ze twee keer richting zijn gezicht.

Schroot

Ik was 9 en mijn vaders werk was het belangrijkste werk op aarde. Hij had nogal wat functies: automonteur, garagehouder, verhuurder van opslagboxen, bevelvoerder van de vrijwillige brandweer en ik zag hem af en toe in een geel busje met schroot rondrijden. En hij verkocht dus auto's. Dit gebeurde allemaal vanuit een scheve schuur in het dorpscentrum. Zelf gebruikte mijn vader een overkoepelende term: president-directeur-generaal van zijn autogaragebedrijf. Waarin mijn moeder zijn trouwe partner was voor de debiteuren en crediteuren. Mijn moeders werk vond ik aardig hoor. Ze had een typemachine waarop ik na schooltijd mocht rammen en ik kon papier door de shredder halen. Maar wat mijn vader deed, was pas echt interessant. Hij verdween op zijn rug onder een auto, verrichtte een paar magische handelingen met een waterpomptang, rolde eronder vandaan en de motor liep weer als een zonnetje.

Ruim twintig jaar later heeft mijn vader nog steeds zijn garage en verkoopt hij nog steeds tweedehandsauto's. Maar hij is weg uit de schuur en draagt geen stofjas meer. Hij heeft een bureau in de showroom, naast glimmende occasions. Zijn nagels zijn schoon.

En ik schep niet meer op over hoeveel auto's hij heeft. Maar ik ben nog altijd even trots op hem. En als in de Volkskrant staat 'Ankara gedraagt zich als een tweedehandsautoverkoper en Europa slikt het voor zoete koek' (12 mei 2016), dan steekt het.

Primaire reactie: 'Ja hallo, je hebt het wel over mijn vader!'

Stereotypen

Mijn vader zelf voelt zich he-le-maal niet aangesproken. Zegt-ie. 'Want ik ben geen autohandelaar.' 'Maar je verkoopt toch tweedehandsauto's?', vraag ik. Hij: 'Ik heb een universeel autobedrijf en verkoop daarnaast ook tweedehands- en nieuwe auto's met Bovaggarantie.' Ik: 'Wat is het verschil?' Mijn vader: 'Die autohandelaren zijn vaak geen lid van de Bovag en worden dus niet aangepakt als ze troep verkopen. Ze kunnen doen wat ze willen. Ze verkopen voor 'meeneemprijzen' aan mensen die het toch al niet zo breed hebben en te naïef denken bij zo'n aankoop. De auto's zijn niet altijd in de technische staat waarin ze zouden moeten verkeren. Als-ie maar van het pad af komt. Dat soort gasten zijn een schande voor mijn mooie vak. Als je tien keer genaaid bent door een autobedrijf, dan heb je geen vertrouwen meer in ze. Weet je hoe je ze herkent? Ik heb mijn naam op mijn bedrijf staan, en mijn naam is me heilig. Zij hebben de straatnaam op het pand gezet.'

Stereotypen bestaan natuurlijk over elk beroep. Neem een makelaar, een bankier. Maar taalkundige Nicoline van der Sijs weet ook even geen ander beroep waarvan het beeld zo negatief is, én dat zo vaak wordt gebruikt om iemands wantrouwen mee te benadrukken. Hoe komt dit? Van der Sijs: 'Auto's zijn duur, maar de prijs staat niet vast. Hoe beter je praat, hoe meer auto's je verkoopt. Zo ging en gaat het vooral in de Verenigde Staten, waar de autohandel veel groter is. Bovendien werken verkopers vaak per commissie. Zo trekt de tweedehandsautohandel ook louche types aan, die gladde praatjes hebben en liegen over de ouderdom en de technische staat van de auto.'

Vanaf de jaren tachtig zijn we politici of anderen die we niet vertrouwen gaan vergelijken met tweedehandsautoverkopers, zegt Van der Sijs. Daarvoor werd in Nederlandse kranten ook wel gesproken over malafide praktijken van een tweedehandsautoverkoper, maar dan ging het over een specifiek geval.

Het beeld van de louche verkoper werd versterkt door films als Used Cars (1980) en Matilda (1996). In de laatste laat de vader (Danny DeVito) van het hoogbegaafde meisje Matilda zijn met vlaggetjes versierde car lot zien. Daar repareert hij bumpers met lijm, stopt hij zaagsel in de motor en draait met een boormachine de kilometerteller terug. Als Matilda hem daarop aanspreekt - 'Pap, dit is bedrog' - wordt ze afgeblaft: 'Natuurlijk is dit bedrog, niemand is ooit rijk geworden met eerlijk zijn.'

Tekst gaat verder onder de video.

Voetstuk

Deze film was de eerste kras op de heiligverklaring van mijn vaders professie. Je kon auto's niet alleen in ere herstellen, je kon ze ook alleen oplappen en verkopen voor veel te veel geld. Langzaamaan werd in mijn puberteit het voetstuk onder mijn vaders voeten vandaan geschoven, en het kreeg een laatste duw toen ik ging studeren. 'Hij heeft een garage', zei ik als het ter sprake kwam. Dan liep ik tegen zo min mogelijk scepsis aan, was mijn ervaring. Niet dat over 'garagehouder' of 'automonteur' standaard de loftrompet werd gestoken.

Ik bleek net zo vast te zitten in het negatieve stereotype als mijn vader. Maar hij had er op een andere manier last van dan ik. Mijn vader moest vooral vechten voor het vertrouwen van zijn klanten. Ik leerde een sociale orde kennen en werd me bewust van mijn plaats daarin. De maatschappelijke status van 'wat mijn vader deed' begon ik te voelen en die had ook effect op hoe ik naar hem ging kijken. Het werd heel duidelijk wat ik wilde worden: géén autohandelaar.

Eigenlijk snap ik nu pas waarom ik me aangesproken voel als ik in een artikel over geldbeluste ziekenhuizen in China lees: 'En pas op voor de persoonlijke assistent die met de tactiek van een tweedehandsautoverkoper een zieke door het medische circus gidst.' (11 mei 2016) Het is elke keer een herinnering aan wie ik ben. Hoe hard ik ook gestudeerd heb, hoe veel artikelen ik ook zal schrijven, ik ben en blijf de dochter van een tweedehandsautoverkoper.

Used Cars (1980) zag ik jaren later. Daarin zet Kurt Russell een gesjeesde autoverkoper met politieke ambities neer die werkelijk alle clichés bevestigt. Hij lult elke klant om z'n duim en voordat ze het doorhebben, tekenen ze het koopcontract op de billen van een van de strippers die op de gammele auto's dansen. Door de diepe kuil bij de uitrit is elke nieuwe autobezitter meteen zijn bumper kwijt. Zijn campagneslogan: 'Trust Me!'. Toch ben je snel vergeten dat de aankopers al hun spaargeld in een stuk schroot hebben gestopt, want hoe hij dat voor elkaar kreeg, was indrukwekkend. Hoe deed hij dat?

Ironisch genoeg heb ik een beroep gekozen dat ook weleens met een tweedehandsautoverkoper wordt vergeleken. Journalisten scoren slecht in het vertrouwensonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2015. Alleen kerken blijven achter. Banken, de Europese Unie, de Tweede Kamer, de politie: ze genieten allemaal meer vertrouwen. Volgens Rob Wijnberg is een van de oorzaken dat de journalistiek in de praktijk een aandachtseconomie is. Wijnberg schrijft naar aanleiding van het CBS-onderzoek in De Correspondent: 'Er moeten marktaandelen worden veroverd, advertenties worden verkocht, winsten worden geboekt. (...) En dat betekent dat sensationaliseren, simplificeren, bang maken, aandikken en dramatiseren in het businessmodel zit ingebakken.'

Praatjes

Ook journalisten hebben gladde praatjes dus. Sterker nog, toen ik stage kwam lopen op de redactie werd gezegd: 'Je moet de lezer het verhaal intrekken als een tweedehandsautoverkoper.' Maar intern werd dat niet per se negatief bedoeld. Blijkbaar zat er een hele kunst in het gebruik van woorden. En gladde praatjes blijven niet kleven, ook niet in een journalistieke tekst. Een klant komt niet terug als hij zich bedrogen voelt, een lezer ook niet.

'Ik zou mijn ogen uit mijn kop schamen als een klant binnen drie maanden terugkomt en de remblokken liggen ijzer op ijzer', zegt mijn vader. 'Als je het op het dorp fout doet, doe je het nooit meer goed. Mijn naam ligt meteen op de punt van de bar', antwoordt hij op de vraag of hij een auto ooit mooier heeft verkocht dan hij was. Of hij ooit een kilometerteller heeft teruggedraaid? 'Nooit in mijn bedrijf.' Zijn ogen glinsteren. 'Pap?' 'Ik zweer het, nooit in mijn bedrijf. Maar toen ik 18 was, heb ik wel in opdracht van mijn baas zijn auto van een half miljoen op twee ton gezet. En dat doe je niet met een boormachine, kan ik je vertellen, dat is voor particulieren.'

Ik vraag me af of ik voor de krant een verhaal wel eens mooier heb gemaakt dan het was, zoals mijn 20 jaar jongere versie op het schoolplein zo gemakkelijk deed. Misschien, maar in dit verhaal in elk geval zeker niet. Trust me.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.