Voedselpaketten worden uitgedeeld in de hoofdstad van Jemen, Sana'a.

Nieuws Noodhulp

Twee miljard voor hulp in Jemen, maar waar blijft de vrede?

Voedselpaketten worden uitgedeeld in de hoofdstad van Jemen, Sana'a. Foto EPA

Met de ene hand hulp geven en met de andere burgers bombarderen en uithongeren: in Jemen gebeurt het. En niet alleen daar. Heeft de humanitaire interventie haar langste tijd gehad?

Saoedi-Arabië maakt zich op voor de definitieve aanval op de Jemenitische havenstad Hodeida om de door Iran gesteunde Houthi-rebellen te verdrijven. Internationale hulporganisaties waarschuwen de Saoediërs en gelieerde troepen die de stad op dertien ­kilometer zijn genaderd dat bombardementen op de belangrijkste toevoerhaven in Jemen rampzalig zullen uitpakken. De Verenigde Naties zeiden woensdag ‘extreem bezorgd’ te zijn over de humanitaire situatie in ­Hodeida.

De haven van Hodeida is de laatste ­levenslijn voor de bevolking van ­Jemen, waar na het uitbreken van de oorlog in 2015 de ergste humanitaire crisis ter wereld is uitgebroken. Driekwart van de bevolking heeft noodhulp nodig, meer dan drie miljoen mensen zijn van huis en haard verdreven en miljoenen worden bedreigd door hongersdood en cholera. Sinds de strijd om Hodeida in maart losbarstte, zijn al 100 duizend burgers de stad uit gevlucht, maar ‘het ergste moet nog ­komen’, zo zei hulporganisatie Amnesty International tegen persbureau AP.

De door het Westen gesteunde en bewapende Saoedische coalitie mengde zich in 2015 in de burgeroorlog in Jemen om de sjiitische Houthi’s uit de hoofdstad Sanaa te verdrijven en de internationaal erkende Jemenitische regering weer in het zadel te helpen. De Saoedische bombardementen, die al meer dan tienduizend burgerslachtoffers hebben gemaakt, stuiten op steeds meer kritiek. Martin Griffiths, de nieuwe speciale VN-gezant voor Jemen, waarschuwde in april dat verder militair ingrijpen ‘de vrede in de weg staat’ en alleen een diplomatieke uitweg mogelijk is.

Maar vredesbesprekingen met Iran en Saoedi-Arabië zitten muurvast, wél werd vorige maand een recordbedrag van 2 miljard dollar (1,7 miljard euro) beschikbaar gesteld voor humanitaire hulp aan Jemen. Opvallend genoeg kwam de gulste bijdrage van Saoedi-Arabië (515 miljoen euro) die zelf verantwoordelijk is voor de humanitaire catastrofe. Die discrepantie roept de vraag op: heeft noodhulp nog wel zin als landen ongestoord doorgaan met het bombarderen of uithongeren van hun burgers?

Rode loper

De situatie in Jemen toont precies de spagaat waarin de internationale gemeenschap tegenwoordig verkeert, zegt Joost Herman, hoogleraar mondialisering en humanitaire actie in Groningen. ‘Enerzijds is er de breed gedragen behoefte om menselijke nood te ledigen, anderzijds het politieke onvermogen om een eind te maken aan de conflicten die het leed veroorzaken.’

Jemenitische vrouwen en kinderen wachten tijdens een voedseldistributie in de havenstad Hodeida. Foto AFP

Want, zegt Herman, hoe cynisch is het dat Saoedi-Arabië met de ene hand Jemen terug het stenen tijdperk in bombardeert en met de andere hand gul geeft? ‘Het enige effectieve antwoord zou zijn om Saoedi-Arabië internationaal te boycotten en te veroordelen om zijn oorlogsmisdaden. Maar nee, in Londen werd eerder dit jaar nog de rode loper uitgerold voor de Saoedische kroonprins Mohammed bin Salman. Eigen belangen prevaleren altijd.’

Met het voortduren van de uitzichtloze oorlogen in Jemen, Zuid-Soedan, en Syrië lijkt de animo voor humanitaire interventie steeds verder weg te smelten. Na de genocide in Rwanda, het einde van de Koude Oorlog en de daarop volgende Balkanoorlogen leek er even een moment dat de Verenigde Naties wilden gaan inzetten op vrede en bescherming van burgers. Deze intenties werden in 2005 bekroond met de ondertekening van het principe van ‘Responsibility to Protect’ (R2P) – de afspraak om militair in te grijpen als overheden mensenrechten schenden en om genocide, oorlogsmisdaden en etnische zuiveringen te voorkomen.

Maar na een serie van mislukte interventies in Libië, Irak, Afghanistan en de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR) lijkt er van die goede wil niets meer over. De Syrische president Assad gaat ongestoord door met het bombarderen van burgers met steun van Rusland, dat het principe van soevereiniteit hoger acht dan R2P – de verantwoordelijkheid burgers te beschermen. Van dat laatste principe komt dus in praktijk niets meer terecht. In Genève zitten de onderhandelingstafels voor vrede in Syrië, Zuid-Soedan of Jemen muurvast, ter plaatse zien VN-vredesmissies in Mali of de Democratische Republiek Congo  met lede ogen aan hoe het geweld weer oplaait. 

Een vrouw en kind passeren een VN-vredesmacht in Bria in de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR). Foto AFP

Complexe conflicten

Volgens Rob de Wijk, directeur van de denktank The Hague Centre for Strategic Studies, zijn veel van de huidige conflicten te complex geworden. ‘Hoe groter de omvang, hoe minder de bereidheid om te interveniëren. Neem Irak of Afghanistan: de doelstellingen zijn gewoon niet in overeenstemming te brengen met de beschikbare middelen. Om de problemen in Afghanistan op te lossen, hadden we een half miljoen militairen moeten sturen in plaats van 50 duizend. Keer op keer wordt bewezen dat interventies niet succesvol zijn. Het Westen trekt zich daarom steeds verder terug. Tegelijkertijd is de wereldorde ingrijpend veranderd. Politieke interventies kwamen vroeger hoofd­zakelijk vanuit het Westen, nu begeven landen als Rusland, China, Turkije en Saoedi-Arabië zich op het toneel.’

Regeringen zoals die in Syrië hebben het volgens De Wijk nu voor het kiezen. ‘Ze hebben het Westen niet meer nodig en kiezen voor steun van landen die een heel andere kijk hebben op zaken als soevereiniteit, mensenrechten, democratie en rechtsorde. Van het principe van Responsibility to Protect komt niets meer terecht, de VN-Veiligheidsraad is vleugellam. Er worden geen mandaten meer gegeven voor collectieve bescherming van burgers. Landen als Rusland en China vinden soevereiniteit veel belangrijker. ’

Honger als wapen – hoe hulporganisaties worden bespeeld in Zuid-Soedan

Vrijwel niemand hoeft meer dood te gaan van honger, de vorig jaar uitgeroepen hongersnoden in Zuid-Soedan, Jemen of rond het meer van Tsjaad, waar de islamitische terreurgroep Boko Haram huishoudt, waren allen ‘man made’. In Zuid-Soedan hanteerden de strijdende partijen de tactiek van de verschroeide aarde om poten­tiële steun voor de vijand onder de bevolking te ondermijnen en tegenstanders te intimideren. Niemand durfde zich nog op het land te wagen om voedsel te verbouwen, miljoenen burgers werden verjaagd en lokale voedselmarkten stortten volledig in.

Ook probeerde de regering voordeel te halen uit de georganiseerde voedselhulp. Buitenlandse hulpverleners mochten alleen binnenkomen als ze fors betaalden voor visa en vergunningen. In Zuid-Soedan maar ook elders in de wereld worden voedseltransporten zelf ook weer ingezet als ‘wapen’ in de strijd. Strijdende partijen houden hulp tegen om burgers uit te hongeren, om belasting te heffen – zoals de islamitische terreurorganisatie Al Shabaab in Somalië doet. Of ze confisqueren het voedsel voor hun eigen troepen of om door te verkopen op lokale markten. Zowel honger als voedsel wordt zo ingezet als wapen in de strijd.

Dilemma’s voor hulp

Terwijl diplomatieke en militaire successen in deze uitzichtloze conflicten uitblijven, gaat humanitaire hulpverlening wel gewoon door. Dit stelt non-gouvernementele hulporganisaties voor duivelse dilemma’s, zegt hoog­leraar Herman: ‘Ze worden gedwongen in omstandigheden te werken waarin ze vuile handen moeten maken en waardoor ze soms ongewild het conflict in stand houden.’ 

Katrien Coppens, adjunct-directeur van Artsen zonder Grenzen (AzG), beaamt dat hulpverlening steeds meer diplomatieke kunsten vergt. ‘De ­VN-Veiligheidsraad krijgt niets meer ­gedaan omdat de polarisatie helemaal terug is. Net zoals tijdens de Koude Oorlog. Wij moeten steeds onderhandelen om iets gedaan te krijgen, ook met partijen met bloed aan hun handen die ons weer proberen te bespelen. Ze ontzeggen ons de toegang zoals in Libië of proberen via ons mensen op de been te krijgen.’

Zo wilde Jordanië op een gegeven moment geen Syrische vluchtelingen meer binnenlaten en eiste het dat AzG een kliniek zou openen in een soort niemandsland aan de grens in Syrië. ‘We zijn ons voortdurend bewust van de vraag in hoeverre we medeplichtig worden of als instrumentarium worden ingezet in een conflict.’

Toch is niets doen geen optie, vindt  Coppens. ‘Moeten we dan 50 duizend Syriërs aan de grens laten zitten omdat we alle schijn van medeplichtigheid willen vermijden? Hulp in dit soort conflicten is misschien dweilen met de kraan open, maar als we besluiten dat het geen zin meer heeft, zijn we nog verder van huis. Dan laat je mensen zoals jij en ik die proberen te overleven met hun gezinnen ondanks het geweld in hun land, dus barsten.’

Een lokale vrijwilliger vervoert een zak zaad in Thonyor in Zuid-Soedan, beschikbaar gesteld door het Rode Kruis. Foto AFP

Hoopvolle toekomst?

‘Het is een illusie om te denken dat ­humanitaire hulpverlening neutraal kan zijn’, zegt conflictsocioloog Lotje de Vries van de Universiteit Wageningen. ‘Hulp is altijd politiek.’ De Verenigde Naties, onder welke vlag zowel noodhulp als vredesmissies worden gecoördineerd, zouden zich daar meer bewust van moeten zijn, vindt De Vries. ‘Rebellen en andere gewapende groepen zijn niet gek. Ze weten dat Europa de wapens levert waarmee Saoedi-Arabië burgerdoelen in Jemen bestookt. Ze weten ook dat Europa middelen verstrekt aan ondemocratische leiders in Libië, Soedan en Tsjaad om migranten tegen te houden. En ze weten dat een plek aan een onderhandelingstafel ­legitimiteit verschaft.’

De Groningse hoogleraar Herman noemt multilaterale diplomatie en de VN wel degelijk ‘geslaagde vehikels’ om rampen en conflicten gemeenschappelijk te adresseren. ‘Zonder dat waren we waarschijnlijk allang in een derde of vierde wereldoorlog beland.’ Maar de politieke wil is volgens hem weg. ‘Je ziet dit aan de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking, de diplomatieke posten en de internationale positionering van Nederland. ’

Doodzonde vindt hij dat. ‘Waar is onze steun voor het maatschappelijk middenveld gebleven? Waar houden ambassades zich nog actief bezig om potentiële migranten te waarschuwen dat illegale migratie geen zin heeft? Als je wilt dat landen zich houden aan de internationale rechtsorde, moet je constant druk blijven uitoefenen.’

‘We zijn ons er niet genoeg van bewust dat dit voor onze eigen veiligheid van levensbelang is’, waarschuwt Herman. ‘Als we de grondoorzaken van conflicten, klimaatveranderingen en economische migratie niet aanpakken, staan er straks 100 miljoen mensen klaar om de Middellandse Zee over te steken. Onder druk van het populisme klinkt er alleen maar spierballentaal over opvang in eigen regio; een eufemisme voor het probleem over de schutting gooien.’

Humanitaire interventie ‘verergeren’ soms een conflict – hoe in de Centraal-Afrikaanse Republiek steeds meer rebellen zich in de strijd mengen

Het conflict in de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR) wordt steeds complexer en dat is volgens conflict­socioloog Lotje de Vries mede het gevolg van westerse interventie. ‘Om een plek aan de onderhandelingstafel te bemachtigen verzinnen rebellengroepen een geloofwaardige naam en afkorting en schuift men graag een welbespraakte leider naar voren. Zo hopen ze toegang te krijgen tot ontwapenings- en reïntegratieprogramma’s. Zo ontstaan er steeds nieuwe rebellengroepen en verdiept het probleem zich alleen maar.’

Een ander probleem van buitenlandse interventies is dat conflicten worden versimpeld om ze behapbaar te houden. ‘Diplomatie en vredesonderhandelingen richten zich op de grote spelers. Hierdoor is er geen oog voor de lokale frustraties die het conflict voeden’, zegt De Vries. ‘Dit mechanisme verschafte bijvoorbeeld de Zuid-Soedanese leider Salva Kiir en zijn rivaal Machar hun legitimiteit, terwijl de grieven onder de bevolking over zijn repressieve regime ongehoord bleven. Inmiddels gaat het allang niet meer alleen om de machtsstrijd tussen die twee.’

Ook in de CAR pakte de buitenlandse bemoeienis averechts uit. ‘Het conflict werd ten onrechte gesimplificeerd langs religieuze scheidslijnen; de islamitische Séléka en de christelijke Anti-balaka. Maar het conflict is veel complexer. Het draait om toegang tot grondstoffen en om groeperingen die zich jaren achtergesteld en gemarginaliseerd hebben gevoeld door de regering.’

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.