Twee broers

Als weinig anderen kan Lahiri met beelden en details duidelijk maken hoe haar personages zich voelen

Het begint met een kalme beschrijving, stadsnatuur in de wijk Tollygunge in het Indiase Calcutta. Een wirwar van middenklassehuisjes, twee vijvers, een laag veld erachter dat na de moessonregens onder water verdwijnt en dan met groene waterhyacinten wordt bedekt, eenvoudige hutten, roerloze zilverreigers, bedorven lucht en modder.

Pas dan vangt Jhumpa Lahiri (1967) aan met haar verhaal over twee broers in Calcutta, die in de woelige jaren zestig ieder een andere kant uit gaan. De avontuurlijke Undayan sluit zich aan bij de verboden revolutionaire Naxalitische beweging, die desnoods gewapenderhand het communistische gelijkheidsideaal wil bewerkstelligen. De voorzichtige Subhash kan als scheikundige naar Rhode Island in Amerika, uitgerekend Amerika, en gaat daar in zijn eentje heen om onderzoek te doen. Er bestaat dan nog wel een band tussen de broers, maar er is ook een duidelijke verwijdering, en niet alleen in geografische zin.

In Twee broers, haar vierde boek (en tweede roman) doet Lahiri, specialiste in de ervaringen van Indiase migranten en hun nakomelingen, niet iets volkomen anders dan we van haar verwachten, maar het is wel voor het eerst dat ze het kustlandschap van haar eigen jeugd beschrijft: na twee jaar Londen, waar ze werd geboren, verhuisden haar Indiase ouders naar de kleine Amerikaanse staat Rhode Island, en daar is ze opgegroeid.

Ze kent het zelf, het gevoel van ruimte dat Subhash overvalt als hij langs de kust rijdt, en misschien heeft ze haar ouders horen praten over de wereld van verschil met het immer lawaaiige Calcutta. Als weinig anderen kan Lahiri met een precies beeld of teder detail het gevoel opwekken dat ze haar vaak ingetogen personages niet met zo veel woorden hoeft te laten opmerken.

Subhash bijvoorbeeld rijdt naar een pier, de zon staat laag, hij stopt bij een zoutwatermeertje: 'Er stond een reiger, amper zichtbaar in het gras, zo dichtbij dat Subhash zijn oranje kraalogen kon zien en zijn leikleurige verenkleed, warm getint door het late middaglicht. De hals was tot een S gevouwen; de lange scherpe snavel leek op de koperen briefopener die hij bij zijn vertrek uit India van zijn ouders had gekregen.' En natuurlijk vergelijkt hij de vogel met de zilverreigers in Tollygunge die door het modderige water waadden tijdens het jagen: die waren 'magerder, armoediger, lang niet zo statig als deze'.

In de dagen erna komt hij naar die plek terug om naar de reiger te kijken. Lahiri hoeft er niet met de aanwijsstok naast te gaan staan: de heimwee is voelbaar, de schoonheid, een onbestemd besef van stilstand en ook van onbereikbaarheid - de vogel vliegt er vandoor als je hem te dicht nadert.

Groot en zwaar zijn de thema's, schaars zijn de dialogen, en het is alsof de auteur behoedzaam te werk moest gaan om te voorkomen dat haar personages instorten. Undayan wordt in 1971 doodgeschoten door de politie, vergeefs had hij zich tussen de waterhyacintbladeren achter het huis verstopt. Zijn ouders en zijn zwangere jonge vrouw Gauri zijn ooggetuigen van de laffe moord. Subhash komt naar Calcutta en besluit de plaats van zijn broer in te nemen: hij trouwt met Gauri en neemt haar mee naar Rhode Island. Daar wordt Bela geboren, het dochtertje dat niet beter weet dan dat hij de vader is.

En voor wie hij ook een goede vader kan zijn. Méér dan dat Gauri een moeder voor Bela is. Want Gauri mist haar man en is niet verliefd op diens broer. Zij trekt zich terug in haar studie filosofie, tot ze op een dag het huis heeft verlaten, zonder gedag te zeggen. Tientallen jaren zal ze niets van zich laten horen.

In deze vertelling snikt en broeit er van alles onder het oppervlak. Lahiri is een schrijfster die nuchter opereert, opdat kolkende emoties haar verhaal niet komen bederven. Wat niet wil zeggen dat ze het gebied van de grote gevoelens links laat liggen. Maar als Bela haar moeder mist, staat dat er niet.

Er staat dat Bela in haar

kamer in Rhode Island een schaduw op de muur ziet, kortstondig, die haar aan Gauri's profiel herinnert: 'In die schaduw zag ze de vorm van haar moeders voorhoofd, de glooiing van haar neus, haar mond en haar kin. Elke dag verdween het beeld als de zon zijn boog om het huis beschreef; elke ochtend keerde het terug op de plaats die haar moeder was ontvlucht.'

Het is moeilijk je een lezer voor te stellen die onder dit dagelijkse verschijnen van een moeder aan haar dochter, steevast gevolgd door haar dagelijkse verdwijning, onbewogen blijft. Zonder dat er een traan of een zakdoek aan te pas komt, gedempt, plaatst Lahiri haar voltreffers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden