Tv-oorlog zonder beelden

De willekeur van de Servische politie en de censuur van tv-beelden - correspondenten in Joegoslavië verhalen over hun eerste oorlogsweek....

TIEN dagen al ligt het verhaal van Net5-verslaggeefster Nynke La Porte in een huurauto in de buurt van het Servische Novi Sad. Haar credit card, camera en satelliettelefoon verwacht ze niet meer terug te zien, maar dat verhaal over de angst van de Hongaarse minderheid in Joegoslavië zou ze nog wel willen ophalen. Of nóg eens filmen. 'Maar ik denk niet dat het er nog van komt.'

Met haar Hongaarse cameraman Zoltan Olah komt La Porte, een televisie-journaliste die eerder voor RTL Nieuws en het Amerikaanse persbureau WTN werkte, de woensdagochtend van de eerste NAVO-aanval aan in de buurt van Novi Sad. Van bombardementen merken ze niet veel. La Porte interviewt een journalist, maakt shots op straat, en rijdt dan naar de plek waar twee bommen zijn ingeslagen. Dat had ze beter niet kunnen doen. Politiemensen houden haar aan. Op het bureau krijgt ze te horen dat 'de regels veranderd zijn'. Ze moet naar Belgrado of het land uit.

La Porte rijdt in de richting van de grens, omdat haar cameraman vanuit Hongarije haar reportage kan versturen. Maar eerst wil zij nog haar 'stand-upper' doen, commentaar inspreken. Ook dat had ze beter niet kunnen doen. Tien kilometer buiten Novi Sad wordt ze ontdekt door militairen. Die halen tierend haar auto leeg, slaan Olah, en brengen La Porte terug naar de stad waar ze dertien uur op een brits in een koude, naar pis stinkende cel zit. ''s Nachts ging het luchtalarm af. Ik dacht: niemand weet dat ik hier zit.'

De volgende ochtend krijgt La Porte koffie en sigaretten voordat ze wordt beschuldigd van spionage. Shot voor shot moet ze vertellen wat ze gefilmd heeft. Totdat het bericht komt dat Milosevic heeft bepaald dat de Nederlandse journaliste kan gaan en staan waar ze wil. 'Geen idee waarom. Misschien omdat de hele wereld over hem heen was gevallen.'

La Porte vertrekt toch. Cameraman Olah wil per se weg. Zelf heeft ze niet meer dan paspoort en zonnebril. 'Achteraf heb ik geweldig spijt dat ik niet gebleven ben.' Deadlines missen is één ding, een oorlog missen iets anders.

In zijn eerste week is Kosovo een televisie-oorlog zonder beelden. Wie nog opnamen wil maken, zoals NOS Journaal-verslaggever Gerri Eickhof, weet zijn bewegingsvrijheid beperkt tot nauwelijks meer dan het Hyatt Hotel in Belgrado. Daar is nog roomservice, maar benzine is amper te krijgen; Servische controle is nooit ver weg, en de zender (het feedpoint) van de European Broadcast Union is gesloten. Reportages moeten langs de censor het land uit.

Eickhof is gebleven, omdat niemand hem uit zijn kamer haalt. Kort na het begin van de NAVO-aanval overkomt dat Peter Finn van The Washington Post wel. De politie houdt hem elf uur vast, neemt namen en telefoonnummers uit zijn adressenboekje over, en brengt Finn naar de Kroatische grens. Daar krijgt hij een lift van de eveneens uitgezette Radio 1-verslaggever Harald Doornbos.

James Kliphuis (Wereldomroep en Radio 1), was in het Hyatt toen Doorn- bos werd 'weggesleurd' door agenten: 'Mij overkwam dat niet. Ik kon de afweging maken: blijven of gaan. En ben gegaan. Wat je dan doet? Eindeloos bellen. Maar de telefoon werkt gebrekkig. En je vrienden kun je niet raadplegen, of je brengt ze in moeilijkheden als je het te opzichtig doet.'

Terwijl de trams in Belgrado 'gewoon' blijven rijden, beginnen uit Kosovo verhalen te komen over martelingen, executies, dode lichamen op straat - maar géén beelden. Adjunct-hoofdredacteur Hans Laroes van het NOS Journaal: 'Wij konden niet naar Kosovo. Je werkt met aannames en woordvoerders. Wij zouden het liefst checken waar de bommen vallen, hoeveel burgerslachtoffers er zijn, waar de etnische zuiveringen zich afspelen.'

De Servische president Milosevic, zeggen commentatoren, heeft gedaan wat elke dictator met een talent voor public relations zou doen. Een televisie-oorlog valt alleen te winnen als je zelf de regie in handen hebt. Dat is de les van Vietnam, een oorlog die te smerig was voor tv. En van de Golfoorlog, die met zijn klinische smart bombs nog het meest leek op een videogame.

Kosovo is smerig.

Nog niet de dinsdag vóór de bombardementen. Baton Haxhiu, hoofdredacteur van de Albanese krant Koha Ditore in Pristina, rekent erop dat de Servische autoriteiten zijn krant zullen sluiten, maar buitenlandse journalisten kunnen in de hoofdstad van Kosovo nog vrij zorgeloos over straat. Ze praten met Kosovaren, en lopen bij een koffiebar binnen totdat daar agenten met mitrailleurs opduiken. Ervaren correspondenten als Brent Sadler van CNN of Paul Watson van The Los Angeles Times weten wanneer ze kalm moeten blijven. Niemand tegenspreken, in welke taal dan ook.

Nadat eerder op de dag een groep journalisten in een vlaag van paniek is vertrokken, zijn Sadler en Watson met een stuk of dertig collega's gebleven. In het Grand Hotel, een muf en somber jaren-zestig-communistisch gebouw aan de hoofdstraat van Pristina. CNN - die 'leugenfabriek', zegt Belgrado - heeft er een hele etage, de zevende.

Als 's nachts de eerste bommen inslaan, weet Sadler per satelliettelefoon schimmig-groene beelden naar CNN te sturen. Kort daarna, rond drie uur, doorzoeken paramilitairen het hotel. Arkan Tigers, gewapende quarterback-types in burger, huurlingen van de criminele nationalist Arkan. Ze bonken op deuren. Als ze Sadler vinden, vernielen ze diens apparatuur en nemen paspoorten af. Boven het hoofd van een Griekse cameraman, die het filmt vanaf een balkon, slaat een kogel in. 'Ze hadden het idee dat wij bij de aanvallers hoorden', zegt Sadler later.

De enige ándere beelden die CNN kan uitzenden, komen van de Servische staatstelevisie. En pas twee uur later. Dat is geweldig lang voor Amerikaanse networks die toch al moeite hebben om uit te leggen waar Kosovo ligt, laat staan waar die hele oorlog om draait. Zonder live action, schrijft de New York Times cynisch, is dat al he-lemaal niet te doen.

Donderdagochtend werken telefoons in Pristina nauwelijks. Stroom is er niet, de straat op kan niet. 's Middags dragen de Servische autoriteiten per fax alle journalisten uit NAVO-landen op te verdwijnen. Twintig Arkan Tigers - crew cut, automatische geweren - kijken toe. Een Turkse journaliste besluit niettemin te blijven, met een Chinese, een Japanner en een Colombiaanse student die vast van plan is zijn eindexamenfilm hier af te maken: 'If it's a good movie, I will be famous.'

Volkskrant-journalist Michel Maas ('Voor het eerst heb ik het gevoel dat het zín heeft om te schrijven') heeft zijn bagage al gepakt als hij voor het Grand Hotel wordt aangehouden. Watson van de LA Times staat achter hem, stapt uit zijn auto, en vraagt wat er aan de hand is. Maas moet zijn Duitse marken en gsm-telefoon afgeven. 'Die heb je niet meer nodig', zegt een agent, 'want je komt hier toch niet levend vandaan.' Watson raakt zijn gehuurde Daewoo kwijt. Vertaler Birol, een in Kosovo opgegroeide Turk, krijgt een klap.

Met Birol vertrekt Maas naar het huis van de New York Times, waarvandaan de groep in drie auto's naar de grens met Macedonië rijdt, tachtig kilometer verderop. Een dag later gaat Watson terug. Met zijn Canadese paspoort voelt hij zich veiliger. Ook om een andere reden reageren de Serven minder geagiteerd op hem: Watson mist een hand. In Pristina rijden nu vier 'kleerkast-types' rond in zijn Daewoo. Werken kan Watson niet. Hij mag geen Engels spreken, kan niet praten met Kosovaren. Wie iets tegen hem zegt, tekent zijn eigen doodvonnis.

Sindsdien is Kosovo een zwart gat, waaruit slechts verhalen van vluchtelingen komen. Dat hoofdredacteur Haxhiu vermoord is - wat later wordt tegengesproken. Andere berichten komen via Internet. Of van 'iemand die je vertrouwt' en in Pristina nog de telefoon opneemt. Verhalen over deportaties per trein. 'Dat is extra navrant', zegt Kliphuis van Radio 1, 'Serven zeggen wat ze van plan zijn. En doen dat dan ook. Maar de mensen kunnen zich dat niet voorstellen.' Tegelijk trekken commentatoren als John Simpson (BBC) de zin van de NAVO-aanval in twijfel: 'Misschien slaat de stemming nog om, maar voorlopig versterkt elke bom en elke kruisraket de positie van Milosevic.'

Uit verhalen van verslaggevers die in Pristina verbleven, en naar het Macedonische Skopje zijn gegaan, spreekt machteloze frustratie. 'Je kunt het alleen maar zo goed mogelijk opschrijven.' Het voelt alsof ze de Kosovaren in de steek hebben gelaten. Sommigen willen terug, via Albanië of Montenegro, desnoods met een geweer. Alléén bombarderen, vinden alle journalisten, is inderdaad een heel slecht idee. Voor het sturen van grondtroepen, is 'elke dag later er twee te veel'.

Milosevic, zeggen ze in Skopje, gebruikt de NAVO-aanvallen als excuus om te doen wat hij altijd heeft willen doen. Kosovo 'zuiveren' terwijl niemand toekijkt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden