Tussen terrorist en staatsman

Yasser Arafat was een overlever, die nederlagen als overwinningen wist te verkopen. Maar zijn droom, een onafhankelijke Palestijnse staat, heeft hij nooit kunnen verwezenlijken.

Met de dood van Yasser Arafat is de verpersoonlijking van de Palestijnse zaak heengegaan. Arafat, die zich de laatste tijd steeds meer als de Nelson Mandela van Palestina zag, heeft een zelfstandige Palestijnse staat niet meer mogen meemaken. Het symbool bij uitstek van deze staat-in-wording, bracht sinds december 2001 zijn laatste regeringsperiode noodgedwongen door in zijn belegerde hoofdkwartier in Ramallah. De door hem beoogde staat was verworden tot een met kogelgaten doorzeefd hoofdkwartier.

De man die voor alles een elder statesman wilde zijn, werd door de VS en Israël zoveel mogelijk tot quantité négligeable gemaakt, een te vermijden figuur. Voor Israëls premier Sharon was Arafat de Bin Laden voor de joodse staat, voor de VS was hij een terrorist met wie geen enkele Amerikaanse leider zaken kon doen.

Europese landen zagen hem als een gekozen leider, wellicht corrupt en autoritair, maar desalniettemin legitiem. Voor de meeste Palestijnen wás Arafat de Palestijnse staat of minstens het symbool van de hoop daarop. Nu hij dood is, mag hij van Sharon niet in Jeruzalem worden begraven, beoogd hoofdstad van Arafats Palestina. Zelfs dood ontsnapt de heilige stad hem, waar hij zei geboren te zijn.

Wie Arafat precies was, weet geen enkele biograaf. Hoeveel interviews hij ook gaf, duidelijkheid over wat hij echt dacht en wilde kreeg niemand. In de Arabische wereld gaat het gezegde dat je niet moest zeggen dat Arafat evenveel levens had als een kat, maar dat een kat evenveel levens heeft als Arafat. Vóór alles was hij een overlever.

Tekenend voor de overlever Arafat was hoe hij in september 2002, na een uitputtende belegering van tien dagen van zijn hoofdkwartier door het Israëlische leger, naar buiten kwam. Hij had het er maar net levend afgebracht. Het Israëlische leger wist dat het doden van Arafat voor de VS onaanvaardbaar was, maar dat wist de leider zelf niet.

Arafat verliet zijn hoofdkwartier, bleekjes maar lachend. Hij maakte met beide handen een V voor victory en wierp kushandjes naar de menigte, alsof hij zojuist een enorme overwinning had behaald. Hij sprak op jubelende toon, terwijl hij voor het oog van de wereld door het stof was gegaan.

Arafat, voluit Mohammed Abdel Raouf Arafat al-Qudwa al-Husseini, wordt in 1929 in Caïro geboren nadat zijn vader, een handelaar uit Jeruzalem, zich daar had gevestigd. Hoewel de documenten dat hij in Caïro is geboren overduidelijk zijn, heeft Arafat - die de voornaam Yasser aannam, die zoveel betekent als 'de gemakkelijke' - altijd volgehouden dat hij in Jeruzalem was geboren.

In Caïro studeert Arafat in 1952 voor ingenieur, na de jaren daarvoor te hebben deelgenomen aan gevechten tussen Arabieren en joden. Deze braken uit na het vertrek in 1948 van de Engelsen uit hun mandaatgebied Palestina.

Arafat komt aan het hoofd te staan van de Palestijnse studentenvereniging maar had een probleem: zijn gebrek aan charisma. Arafat was klein, lomp en geen groot acteur. Hij ontwikkelt persoonlijke symbolen om deze gebreken te verhullen: zijn stoppelbaard, zijn militaire uniform en vooral zijn kaffiya.

Tijdens een studentencongres in Praag in 1956 trekt hij voor het eerst de aandacht voor de Palestijnse delegatie met de hoofddoek die zijn handelsmerk zou worden. Twee jaar later zit Arafat in Koeweit, waar hij de eerste cel van de Fatah-beweging sticht, die met geweld Palestijns gebied wil bevrijden.

Algerije erkent in 1963 als eerste staat de organisatie als politieke beweging, waarop deze onderdak krijgt in Algiers. Een jaar later wordt in Egypte de PLO opgericht, de Palestijnse Bevrijdings Organisatie, waarvan Arafat, die Fatah aan de PLO toevoegt, voorzitter wordt.

De Arabische wereld kijkt met terughoudendheid naar Arafat en is niet bereid de PLO te helpen. Hierop gaat Arafat zelf aanvallen op Israël, kapingen en andere terreuracties op touw zetten.

De jaren daarop wordt de beweging vooral bekend door de guerrillero's van de Zwarte September. In 1972 doden zij negen Israëlische atleten tijdens de Olympische Spelen in München. De naam is ontleend aan september 1970, 'zwart' omdat Arabieren die maand tegen Arabieren vochten. De Jordaanse koning wilde af van de PLO, die bezig was het land te destabiliseren. Bij de gevechten vielen duizenden doden en de PLO moest Jordanië uit. Maar Arafat wist de terugtocht als overwinning voor te stellen, evenals zijn nederlagen tijdens acties tegen Israël.

H alverwege de jaren zeventig komt Arafats doorbraak. In 1974 verklaren Arabieren de PLO tot enige legitieme vertegenwoordiger van de Palestijnen en Arafat komt naar de Verenigde Naties. Daar deelt hij mee 'een olijftak en het geweer van een vechter voor vrijheid te dragen', terwijl hij de wereld waarschuwt dat de olijftak niet uit zijn hand moet vallen.

Maar het succes is van korte duur. Begin jaren tachtig wordt Arafat weer verdreven, deze keer uit Libanon. Israël wil een einde maken aan guerrilla-acties aan de noordgrens en stoot door naar Beiroet, terwijl Arafat met een opstand in de leiding te kampen heeft. De PLO verdwijnt uit Libanon en neemt haar intrek in Tunis.

Terwijl Arafat in Tunesië zit, breekt in 1987 de eerste intifada uit, een opstand van vooral jonge Palestijnen op de Westoever en in de Gazastrook tegen de Israëlische bezetting. De intifada leidt tot de oprichting en bloei van Hamas, de islamistische tegenstrever van Arafats Fatah in de bezette gebieden. Maar de Palestijnse leider is niet van plan zijn visioen van een Palestijnse staat onder zijn leiding op te geven. Tegenover groeiend islamisme stelt hij hernieuwd nationalisme.

I n 1988 roept Arafat in Algiers de onafhankelijkheid uit van Palestina tijdens een bijeenkomst van het Palestijnse parlement, de Palestijnse Nationale Raad. Tegelijkertijd kondigt hij aan dat de PLO 'alle vormen van terrorisme' verwerpt - voorwaarde voor gesprekken met de VS - en erkent hij het bestaansrecht van Israël. Daarmee verwerft de Palestijnse leider internationaal aanzien en erkenning. Voor de verdreven Palestijnse leider is dit een diplomatieke overwinning van de eerste orde.

Maar Arafat doet veel van die diplomatieke winst zelf teniet als hij tijdens de eerste Golfoorlog van 1991 de kant van Saddam Hussein kiest en niet die van de Arabische landen die onder leiding van de VS de Iraakse aanval op Koeweit willen keren. Arafat raakt daarmee niet alleen veel prestige kwijt maar ook geld van gulle Arabische gevers voor de Palestijnse zaak. De PLO mag ook niet meedoen aan de vredesonderhandelingen die de VS in 1991 in Madrid beginnen. Tot overmaat van ramp raakt Arafat betrokken bij een vliegtuigongeluk in Libië tijdens een zandstorm.

Maar dan keren zijn kansen en breekt zijn finest hour aan. Onder het motto 'land voor vrede' wordt na geheime onderhandelingen in 1993 in Oslo een vredesakkoord getekend. Op het Witte Huis schudt hij de hand van de Israëlische premier Yitzak Rabin. De voormalig terroristenleider is een internationaal erkend staatsman geworden en voor zijn rol in de vredesonderhandelingen krijgt Arafat de Nobelprijs voor de Vrede die hij moet delen met Rabin en minister van Buitenlandse Zaken Shimon Peres. In datzelfde jaar, 1994, keert hij terug naar Gaza als hoofd van de Palestijnse Autoriteit, opgezet volgens de vredesonderhandelingen van Oslo, om het bestuur in Gaza te regelen.

Arafat mocht de voornaam Yasser hebben aangenomen, 'de gemakkelijke', maar naam en karakter kwamen geenszins overeen. Vanaf het begin regeerde Arafat met ijzeren hand over zijn organisatie. Hij beschikte over de financiële middelen en, zoals een ex-Fatah-lid vertelde, hij gaf zelf toestemming voor de aankoop van knopen voor militaire uniformen. Niets zou hem ontgaan.

Arafat blijft echter leider van de Palestijnen, ondanks zijn brute optreden en beschuldigingen van corruptie. Dat wordt nog eens bevestigd door zijn klinkende overwinning bij verkiezingen in januari 1996 voor de Palestijnse Wetgevende Raad.

Hij wordt de eerste president, de man die niet langer als terrorist optreedt maar als staatsman die de Palestijnen naar een eigen staat zal leiden. Maar met de komst van Benjamin Netanyahu als nieuwe, rechtse premier - een joodse extremist heeft Rabin in 1995 vermoord, waarna Peres hem opvolgt tot de verkiezingen - loopt het vredesproces vast. Arafat zegt een aantal keren eenzijdig de staat Palestina uit te roepen, maar ziet daar uiteindelijk vanaf.

De laatste kans op een Palestijnse staat vervliegt als de vredesonderhandelingen met de latere Israëlische premier Barak onder leiding van president Clinton in Camp David in 2000 spaak lopen. De vraag wie daarvoor verantwoordelijk is, heeft tot hevige debatten geleid. Clinton geeft Arafat de schuld van de mislukking en vanaf dat moment staat Arafat te boek als een staatsman die zich op het cruciale moment geen staatsman betoonde omdat hij álles wilde, terwijl hij veel kon krijgen.

Wat voor staat Arafat wilde, is niet echt duidelijk. Recent riep hij nog op tot meer democratie en ingrijpende hervormingen in de bezette gebieden, maar over het hoe geen woord. Ook werden zijn diepste intenties gewantrouwd. Hij zei Israël te erkennen maar de vraag was of hij dat meende. Tijdens een prijsuitreiking in Stockholm in 1996 zei hij tot zijn Arabische publiek: 'We maken plannen de staat Israël te elimineren en een puur Palestijnse staat te vestigen. We zullen het leven van joden ondragelijk maken, door psychologische oorlogsvoering en een bevolkingsexplosie. Wij Palestijnen zullen alles overnemen, inclusief heel Jeruzalem.'

Intussen was de Palestijnse staat nog steeds niet in zicht. Eind september 2000 wil Arafat opnieuw die staat uitroepen, als de tweede intifada uitbreekt na een omstreden bezoek van Sharon aan de Tempelberg. Sharon is een paar maanden later premier. Vanaf dat moment lijkt alle kans op vrede en de verwezenlijking van Arafats droom verkeken. Er is weliswaar nog steeds sprake van een vredesplan waaraan de VS, de VN, Rusland en Europa werken, maar voor de Palestijnse leider is daarin geen plaats meer.

Arafat had wel wat van een Mozes die zijn volk door de woestijn naar het beloofde land leidde. Zijn tragiek is echter dat zijn volk zo'n veertig jaar door de woestijn is getrokken, maar dat hun leider het hun beloofde land nooit heeft kunnen of willen verwezenlijken.

]]>

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.