Tussen strafkolonie en luchtkasteel

De strafkolonie Veenhuizen - ruim twee eeuwen het Hollandse Siberië - moet een normaal en leefbaar dorp worden. Kosten noch moeite worden gespaard....

'MAALLUST', staat in sierlijke letters op de voorgevel. Dat kan vroeger het huis van de molenaar zijn geweest. Of misschien wel de ambtswoning van de chef-kok. Gedurende een groot aantal jaren aan het begin van deze eeuw hield de man met militaire precisie vast aan een weekmenu van aardappelen met groenten op zondag, dinsdag en donderdag, gortsoep op woensdag en zaterdag, groene erwtensoep op maandag en stijve gort met stroop op vrijdag. Was het een wonder dat de straat langs het Tweede Gesticht de bijnaam Gortsoepstraat droeg?

Nee, een vetpot was het niet voor de 'manlijke verpleegden die op rechterlijk bevel werden geplaatst' in wat het Tweede-Kamerlid Van Houten 'een hofje voor een klasse van lieden zonder eergevoel' noemde. Het was de tijd waarin een andere parlementariër, Roodhuyzen, na een bezoek schreef dat de Rijkswerkinrichting te Veenhuizen een voorbeeld was van Hollandse zindelijkheid, zuinigheid en ordelijkheid, maar tevens van grote harteloosheid.

'Men heeft daar op een soort zindelijke, zuinige manier de ergste misdeelden onzer maatschappij opgeborgen in een achterafhoek van Drenthe, in de zalige overtuiging dat op die plaats niet veel bezoekers zouden komen, en dat verborgen kon blijven dit groote euvel, waaraan wij allen schuldig staan, dat wij ons in ons land bitter weinig om de schipbreukelingen der maatschappij bekommeren.'

Johannes van den Bosch moet zich op dat moment, in 1906, hebben omgedraaid in zijn graf. Want als stichter van de Maatschappij van Weldadigheid had deze latere gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië en minister van Koloniën toch de 'boerschap Venehuisen' aangekocht uit idealistische overwegingen. 'Laat mij maar luchtkastelen bouwen', schreef hij aan een vriend. 'Want terwijl men ze bouwt is men toch gelukkig.'

Veenhuizen als utopie.

Dat was aan het begin van de negentiende eeuw, Zeitalter des Pauperismus. In het post-napoleontische tijdperk was Nederland weliswaar vrij maar tegelijkertijd straatarm. Het land verkeerde in een diepe economische crisis. Na Spanje en Engeland was in Nederland de werkloosheid het grootst. Naar verhouding kende Nederland het grootste aantal bedelaars. In de grote steden was de helft van de bevolking tot de bedelstaf veroordeeld. En een 'verderfelijker, doodelijker en besmettelijker kanker dan de bedelarij', bestond niet.

In die Dickensiaanse samenleving hoopte de Maatschappij van Weldadigheid verandering te brengen. De toestand der armen en lagere volksklassen moest worden verbeterd door ze arbeid, onderhoud en onderwijs te verschaffen. Want de paupers moesten 'uit dien toestand van verbastering worden opgebeurd en tot eene hoogere beschaving, verlichting en werkdadigheid worden opgeleid'.

'Geen gratuite liefdadigheid zou beoefend gaan worden; een tegenprestatie in de vorm van nuttige arbeid zou de essentie van dit sociale experiment op nationale schaal vormen', schrijft de Groningse historicus dr A.H. Huussen in Veenhuizen, Een Erfenis voor de Toekomst (Regio-Projekt Groningen, 1994). 'De initiatiefnemers dachten door passende werkverschaffing een sociaal en moreel probleem op te lossen: de fysiek verzwakte armen zouden opgeleid en gemotiveerd worden tot maatschappelijk productieve arbeid. De bedelaars zou het alibi voor luiheid worden ontnomen. Een hoopvol toekomstperspectief zou deze moedeloze lieden geopend worden.'

Zo ontstonden in het noorden de vrije kolonies, zelfvoorzienende eenheden voor gezinnen, met namen als Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord om de koninklijke protectie van dit fenomeen aan te geven. Weeskinderen, vagebonden, bedelaars en landlopers werden aanvankelijk ondergebracht in de dwangkolonie Ommerschans en later in Veenhuizen, waar vanaf 1823 op drieduizend hectare woeste heidegrond drie grote woon- en werkgestichten werden gebouwd. Deze carré-vormige gebouwen, 'etablissementen' genoemd, leken meer op kazernes dan op armenhuizen. Generaal (genie) Van den Bosch achtte de militaire discipline voorbeeldig voor de lieden met wie hij te doen had.

De Maatschappij legde de basis voor een unieke landelijke (rechthoekige) en verzorgende infrastructuur met boerderijen, een bakkerij, een washuis, kerken, scholen, ambtenarenwoningen, een korenmolen en een stoomspinnerij. Veenhuizen werd een 'wereld op zich', maar geen Utopia. Zelfs bijdragen uit eigen middelen van koning Willem I en prins Frederik konden de Maatschappij van Weldadigheid niet van de financiële ondergang redden.

Huussen: 'Het bestuur van de Maatschappij en de overheid hebben een ongelijke strijd gevoerd. Voor het verwerkelijken van de idealen - het opheffen van de armoede en het wegnemen van de bedelarij - bleek geen praktische oplossing vindbaar. Zelfs met de actieve intellectuele en materiële steun van het particulier initiatief, kon de overheid de doelstellingen niet verwezenlijken. De vrije kolonisten ontpopten zich over het algemeen niet als de oppassende burgers die de idealisten zich ervan hadden voorgesteld. Opvoeden en bestraffen, opleiden en opbergen werden steeds meer aparte, onverenigbare sporen. De gestichten werden een duidelijker onderdeel van het strafsysteem. Preventie was op de achtergrond geraakt doordat men bedelarij en landloperij sterker als vormen van criminaliteit ging benadrukken.'

In 1859 werden de bedelaarsgestichten overgenomen door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Vanaf 1875 viel Veenhuizen onder het ministerie van Justitie. De gestichten werden rijks-werkinstellingen (RWI's) voor de schipbreukelingen van de maatschappij, zoals Roodhuyzen het noemde. Wat Australië was voor Groot-Brittannië, was Drenthe voor Nederland: een strafkolonie. Ook al werd nog lang niet gesproken van 'veroordeelden', maar van 'verpleegden'.

Na de Eerste Wereldoorlog, toen de behoefte aan RWI's was verminderd, verschafte Veenhuizen vooral reserve-capaciteit in bijzondere omstandigheden. Zo verbleven er Belgische gedetineerden en vluchtelingen (vanaf 1915), grote aantallen smokkelaars en veroordeelden in de tijd van de Eerste Wereldoorlog, dienstweigeraars in het interbellum, joodse vluchtelingen uit Duitsland (1938), Nederlandse en Duitse oorlogsdelinquenten (onder wie de latere Drie van Breda), Indië-deserteurs en overtreders van de Wegenverkeerswet (vanaf 1963). Ook werd er lange tijd geëxperimenteerd met de 'openluchtgevangenis'. Gemeenschapsregime en humanisering van detentie hebben in Veenhuizen altijd de boventoon gevoerd.

'In ruim een eeuw tijd is Veenhuizen van een verzameling RWI's geworden tot een complex van gevangenissen', schrijft mr. S. Faber, hoogleraar Nederlandse rechtsgeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Veenhuizen, Een Erfenis voor de Toekomst. 'Meer en meer als onderdeel van het Nederlandse gevangeniswezen heeft het bovendien de ontwikkeling meegemaakt naar een stelsel met diverse graden en soorten van vrijheidsbeneming en regime: ''zelf-melders'', ''half-open'' inrichtingen, kort- en lang gestraften en jeugdwerkinrichtingen, de zogenoemde Lubbers-kampementen.'

Veenhuizen ondergaat sinds kort een heel andere metamorfose, die van justitieel naar gewoon dorp in de gemeente Norg en per 1 januari 1998 - wanneer de Drentse herindeling een feit wordt - in de gemeente Noordenveld (het huidige Roden, Norg en Peize). Op 1 januari van dit jaar droeg het rijk de infrastructuur over aan de gemeente Norg, vergezeld van een bruidsschat van vier miljoen gulden. Defensie behoudt er de grootste munitie-opslagplaats van Europa. En Justitie de drie grote gevangenissen - Esserheem, Norgerhaven en Groot-Bankenbosch - en drie kleinere inrichtingen, waar tien procent van de veroordeelden in Nederland zijn straf uitzit. Maar voor de rest moet het dorp van de 'koloniekak' genormaliseerd worden.

Tot 1983 was Veenhuizen behalve voor de ambtenaren en de gedetineerden verboden terrein. Een mini-staatje in de staat, dat de bijnaam 'Hollands Siberië' alle eer aandeed. Zelfs de burgemeester van Norg had er niets te zoeken. Nu woont de tijdelijk burgemeester, oud-Tweede Kamerlid J. Lonink (PvdA), in Veenhuizen, in de oude ambtswoning van de huisarts, aan de Hoofdweg langs het Veenhuizerkanaal. Als symbool van veranderde tijden.

De staat rolt de grenzen van zijn bemoeienissen steeds verder terug. Het beheren van een dorp behoort niet langer tot de kerntaken van de rijksoverheid. In Veenhuizen rezen de onderhoudskosten van zo'n 150 rijksmonumenten de pan uit. En steeds meer ambtenaren bij de penitentiaire inrichtingen weigerden te wonen in huizen waaraan van oudsher status en plaats in de justitiële hiërarchie viel af te lezen. Op oudejaarsavond 1996 markeerde het weghalen van de borden met de tekst 'Dit is Justitieterrein' de officieuze overdracht van Den Haag aan de gemeente Norg. Op 15 mei vindt de officiële overdracht plaats, waarschijnlijk in het bijzijn van minister Sorgdrager van Justitie.

De ontwikkeling van Veenhuizen naar een 'normaal' en leefbaar dorp is een even unieke als moeizame operatie. De sfeer van landlopers die in gelid op klompen langs de Kolonievaart marcheren en van Aus der Fünten op de fiets door het dorp, is nog altijd tastbaar. Veenhuizen is verstild, de spanning, de mystiek, is voelbaar. De begrippen die de 'schipbreukelingen' van weleer moesten aansporen hun leven te beteren, sieren nog altijd de statige huizen: Arbeid is Zegen, Kennis is Macht, Leering door Voorbeeld, Zorg en Vlijt, Werken is Leven en Rust Roest.

Hoe veel Nederlanders zijn niet veertien dagen 'met vakantie' naar Veenhuizen geweest? Omdat ze te diep in het glaasje hadden gekeken en zich niet hadden laten rijden. 'Op tijd je nat en droogje, beter nog haast dan in huis', ging het liedje. Er zijn tijden geweest dat het in Bankenbosch elke avond feest was en dat er meer artiesten optraden dan in Carré.

Voor dat Veenhuizen is nu een bestemmingsplan in voorbereiding, waarin het behoud van de cultuurhistorische waarden voorop staat. De bevolking, onderling saamhorig maar naar buiten stug en besloten, heeft deze week een beeld-kwaliteitsplan, 'De Trots van Veenhuizen', in de bus gekregen. Het moet de angst voor een toekomst van het dorp als openluchtmuseum, met even knellende banden als in het verleden, wegnemen.

Lonink: 'Er zit een spanning tussen enerzijds het behoud van dit voor Europa unieke gebied en anderzijds het streven naar een dynamisch dorp met nieuwe ontwikkelingen, die zich verhouden met wat de bevolking wil. Waar men hier heel bang voor is is het 'Orvelte-syndroom', genoemd naar het Drentse toeristendorp waar niets meer mag en waar de autochtone bevolking zich opgesloten voelt. Tegen de eventuele aanwijzing als beschermd dorpsgezicht door de Rijksdienst Monumentenzorg is hier veel verzet gerezen. Maar we moeten ook voorkomen dat het dorp in handen komt van puur commerciële ondernemers als Van der Valk en Van der Most. En we moeten het open karakter met kenmerkende zichtstructuren en lanen bewaren. Veenhuizen mag niet volgebouwd worden.'

Lonink heeft vergaande plannen voor een Ontwikkelingsmaatschappij voor Veenhuizen, waarvan Justitie en cultuur- en natuurtoerisme (Fochteloërveen, bossen en koloniale 'wijken') de pijlers zijn. Met Haagse en Brusselse gelden moet onder meer een bezoekerscentrum, een opleidingscentrum van Justitie met horeca- en hotelgelegenheid en een Instituut voor Rechtsvraagstukken, naar het model van het Wassenaarse Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael, worden opgezet. Voor de vele karakteristieke panden als de elektriciteitscentrale, de graansilo en de synagoge, moet een passende functie of bestemming worden gevonden.

Pièce de résistance wordt het Nationaal Gevangenismuseum, dat zal verrijzen op de plek van het oude hospitaal of op het terrein van een van de oude gestichten. Onderzoek toont aan dat zo'n attractie jaarlijks zestigduizend cultuurtoeristen naar Veenhuizen zal trekken. Dr. A. van der Woud, hoogleraar voor de geschiedenis der bouwkunst aan de Vrije Universiteit, wil verder gaan. Waarom naast het Rijksmuseum in Amsterdam, de tempel der Muzen, niet een Museum voor Sociale Geschiedenis in Veenhuizen? Tenslotte is dit de plaats 'waar de Nederlandse samenleving bijna 200 jaar op steeds andere manieren de onwilligen en onbekwamen, de armen en onaangepasten probeerde te disciplineren en te socialiseren'.

Van Maatschappij van Weldadigheid naar Ontwikkelingsmaatschappij. De cirkel is gesloten. De toekomst van Veenhuizen ligt in zijn verleden. Er moeten in Drenthe weer luchtkastelen worden gebouwd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden