Tussen kunst & kitsch

Uitgerekend de stroming die het vluchtige tot kunst had verheven blijkt een groot aantal klassiekers te hebben voortgebracht, ontdekt Rutger Pontzen tot zijn schrik.

Ik had het niet van tevoren kunnen bedenken. De vooroordelen over wat het postmodernisme was, zijn nu eenmaal altijd hardnekkig geweest. Van pure kolder tot vrolijke onbezonnenheid. Van modieus gepruttel tot nietszeggende feestontwerpen die nooit voor de eeuwigheid waren bedoeld. Postmodernisten rotzooiden maar wat an. Met schilderijen die zich niet met echte kunst konden meten, bouwwerken die enkel een leuke vondst waren en design dat de tand des tijds nooit zou overleven. Want dat is toch het algemene beeld van wat het postmodernisme aan het einde van de vorige eeuw heeft voortgebracht.


Maar wat blijkt op de grootschalige overzichtstentoonstelling van het postmodernisme in het Londense Victoria and Albert Museum, die vorige week werd geopend? Veel van wat daar te zien is, zou je met goed fatsoen 'klassiekers' kunnen noemen. Een bezoek aan de expositie is niets minder dan een aha-erlebnis van weliswaar buitenissige, extravagante iconen, die toch tot de canon van onze cultuurgeschiedenis behoren. Beelden die in je geheugen staan gegrift, met meer eeuwigheidswaarde dan vermoed. Zoals de weelderige Proust-leunstoel die Alessandro Mendini zo uitbundig met impressionistische verftoetsen heeft bestippeld. De afbraakarchitectuur die James Wines voor de showrooms van de BEST Products Company ontwierp. Het roestvrijstalen theeservies van Michael Graves dat hij voorzag van Mickey Mouse-oren. Of het gebouw van AT&T in New York, van Philip Johnson, dat getroffen lijkt door een kanonskogel.


Hoewel het misschien heiligschennis is, maken deze ontwerpen net zo'n indruk als een schilderij van Piet Mondriaan, een gebouw van Le Corbusier of een stoel van Marcel Breuer. Wat op zijn minst vreemd is. Want zette het postmodernisme zich niet juist tegen hen af? Mondriaan, Le Corbusier en Breuer waren de hardcore meesters van het modernisme. De grote roergangers die na lang wikken en wegen een uitgebalanceerde vormentaal hadden ontwikkeld. Stijlvast, duidelijk omlijnd, krachtig door hun eenvoud. Unieke, hoge kunst die zocht naar de essentie. Universeel werk dat buiten de geschiedenis stond en tijdloos was. Terwijl het postmodernisme de chaos omarmde, kunst in oplage toestond, de commercie niet verketterde, en eerder de eeuwigheid uit de weg ging.


Want dat is waar het postmodernisme in oorsprong voor stond. Vanaf 1970 begonnen architecten oude bouwstijlen te mengen met hightechconstructies. Modeontwerpers breiden traditionele materialen aan new-wave-vormgeving. Vormgevers combineerden nieuwe materialen met herkenbare silhouetten, overgenomen uit striptekeningen. Cineasten verbonden apocalyptische scenario's met sciencefiction-achtige filmbeelden. Platenhoezen kregen even veel aandacht als een Mona Lisa. Muziek klonk het beste als het was gesampled.


In die zin lijkt wat er in Londen is te zien inderdaad nergens op. Of beter, het lijkt overal op. De tentoonstelling Postmodernism. Style and Subversion, 1970-1990 laat zien dat in die twintig jaar de hele kunstgeschiedenis overhoop werd gehaald. Dat alles mogelijk was. Je kon het zo gek niet verzinnen. Elk voorwerp, kunstwerk, bouwontwerp was een hybride mix van alles wat ooit eerder was gemaakt. Waarbij hoge en lage cultuur op een bonte manier door elkaar werden gehusseld.


Het moet destijds een vreemde inbreuk zijn geweest. De kunstwereld stond op zijn kop. Zoveel smakeloosheid was nooit eerder te zien geweest. Smaak was sowieso geen leidend beginsel. De ongebreidelde experimenteerlust ging tegen elke esthetiek in. Esthetiek die tot dan toe het domein van het modernisme was geweest. Van de erfenis die Mondriaan, Le Corbusier en Breuer hadden nagelaten. Maar die voor velen te star was geworden, te steriel. Conceptuele kunst die steeds onbegrijpelijker werd; uiterst functionele stoelen waarin je je rug brak; superstrakke gebouwen waarin de kilte je tegemoet waaide - weinigen konden nog enig enthousiasme voor het modernisme opbrengen. Het was ten dode opgeschreven, liep op zijn laatste benen, zoals veel rond de jaren tachtig, ook maatschappelijk gezien.


Waren de jaren zestig de periode van vernieuwing en het zetten van nieuwe bakens; twintig jaar later kwam de reactie op het uitblijven van al die vernieuwingsbeloften. De economie stortte in, huizenprijzen rezen de pan uit, de werkloosheid nam toe. Flowerpower maakte plaats voor punk, studenten werden opgevolgd door krakers, een plooibare overheid werd overgenomen door krachtdadige politici en pelotons ME'ers met traangas en de wapenstok. 'No future' werd een begrip, net als later 'the end of history', de essaytitel waarmee de Amerikaanse historicus Francis Fukuyama in 1989 de tragische ondergang van het denken in vooruitgang en progressie samenvatte.


En precies dat - het afzetten tegen elke vorm van vooruitgang - was zo kenmerkend voor de kunst van het postmodernisme. Als beginpunt van het postmodernisme werd door de gezaghebbende architectuurtheoreticus, Charles Jencks, zelfs een precieze datum en tijdstip gekozen: 16 maart 1972, om 15.32 uur. Toen werd in St. Louis, Amerika, het zogeheten Pruitt-Igoe gebouw opgeblazen. Het Bijlmermeer-achtige complex was zestien jaar eerder gebouwd, ontworpen door Minoru Yamasaki (ook van de twee WTC-torens), en stond bekend als hét voorbeeld van grootschalige, sociale woningbouw. Het opblazen van de flats was een van de eerste 'aanslagen' op het modernisme. Jencks beschouwde de gebeurtenis van 1972 als 'de dag dat de moderne architectuur stierf'.


Op de tentoonstelling in Londen wordt de gebeurtenis uitgebreid belicht, net als het in de fik steken door ontwerper Alessandro Mendini, van zijn eigen, veel te modern bevonden Lassù-stoel in 1974. De crematie werd uitgebreid herdacht op de cover van Casabella, een toonaangevend Italiaans tijdschrift voor design en architectuur. Blijkbaar moest het modernisme eerst worden doodverklaard en verbrand, voordat het postmodernisme als een feniks uit de as kon herrijzen. Of zoals Jencks later schreef: 'After all, since it is fairly dead, we might as well enjoy picking over the corpse'.


Die combinatie van 'dood' en 'genot', waarover Jencks het heeft, typeert het postmodernisme in hoge mate. Geen stroming in de kunst die zowel frivool als zwartgallig was. Die ernst met lichtvoetigheid combineerde. Die gebaseerd is op de afbraak van andere stijlen en stromingen, en daar zijn eigen vormen en kleuren voor in de plaats stelde. Het maakte het postmodernisme tegelijkertijd humoristisch, cynisch, optimistisch, ironisch en relativerend.


De oorsprong van die veelzijdigheid van het postmodernisme is moeilijk te traceren. Er is in die tijd veel af gefilosofeerd welk label het beste paste. Wellicht omdat er zoveel invalshoeken te verzinnen waren. Voor de ene theoreticus was het een vorm van eclecticisme, het samengaan van veel stijlen uit het verleden. Voor de ander een uiting van adhocisme, een opportunistische manier om lukraak aansluiting te vinden met de eigen tijd. Een derde verklaarde de stroming juist als een soort escapisme. Met name die laatste omschrijving paste goed op de uitgaanscultuur van die tijd.


Discotheken veranderden in de jaren tachtig steeds meer in extravagante ontmoetingsplaatsen waarin de buitenwereld op afstand werd gehouden. Donkere kleding, uitbundige outfits, duistere punkmuziek en futuristische technoklanken leidden tot een sfeer waarin je jezelf helemaal kon verliezen. Een stevige beat, dwingend ritme, het eerste gebruik van partydrugs hield het leven van alledag op afstand. Alsof er buiten de disco niets meer bestond.


In Londen is er zelfs een speciale zaal voor ingericht, met aan-en-uit floepende tl-buizen en videoprojecties van optredens van Laurie Anderson, Salt-n-Pepa, Grace Jones en Kraftwerk. In vitrines hangen jurken waarin de flamboyante Japanse choreograaf Ono Kazuo zijn dansperformances opvoerde. In een doosje aan de muur verschijnt een levensechte hologram van cultfiguur Boy George. Je schrikt je dood.


Kunst en cultuur werden vanaf de jaren zeventig een hyperindividuele uitingsvorm. Nu alle historische remmen werden losgelaten bood het de ruimte voor onbegrensde vrijheden. Het postmodernisme zette zich niet zozeer af tegen het modernisme als een andere stijl. Het lag dieper. In de ogen van de rechtgeaarde postmodernist was het modernisme een veel te dogmatische stroming. Te veel gebaseerd op een vorm van predestinatie, alsof het op een of andere manier was voorbestemd. Zoals in de beeldende kunst altijd maar weer de gecanoniseerde opeenvolging van impressionisme-expressionisme-cubisme-De Stijl-minimal art uit de kast wordt gehaald. Kunst was een product van theoretici en (vooral) Hegeliaanse historici, die de geschiedenis als een keurslijf van vooruitgang voorstelden, waar niemand aan kon ontkomen.


Voor postmodernisten was die manier van denken een kunstmatige constructie. Waarom zou je daar nog aan vasthouden? Waarom zou je geen aandacht kunnen besteden aan camp, kitsch en street art? Uitingsvormen die niet het resultaat waren van een onvermijdelijk historische proces, maar iets waartoe je zelf kon beslissen, hier en nu. Stijl werd iets persoonlijks. Je kon er naar behoeve elke dag een andere invulling aan geven.


Zo bracht Swatch een horloge op de markt waaraan je naar eigen believen een andere wijzerplaat kon toevoegen. David Bowie experimenteerde vanaf begin jaren zeventig met wisselende identiteiten als Ziggy Stardust, Young American en The Thin White Duke (een soort Britse aristocraat). Cindy Sherman begon zich vanaf 1977 te fotograferen in verschillende gedaanten, gebaseerd op oude filmbeelden en klassieke portretschilderijen.


Des te verrassender dus dat al die gedaantewisselingen zulke herkenbare beelden hebben opgeleverd. Je hoeft blijkbaar geen schilderijen te maken met horizontale en verticale lijnen als Mondriaan deed, huizen te bouwen in ruw beton als Le Corbusier, of meubilair te ontwerpen gebaseerd op geometrische vormen als Breuer, om toch een duidelijk beeldend statement te maken. De gedeconstrueerde gebouwen die Frank Gehry als een verfrommeld A4-tje ontwierp, de porno-kitsch van Jeff Koons en de buitensporige punk-ensembles van Vivienne Westwood zijn even iconisch als wat het modernisme in 150 jaar tijd heeft voortgebracht. Toch opmerkelijk.


Blijkbaar is goed gedoseerde chaos net zo herkenbaar als een minimalistisch lijnenspel. En appelleert de vrijheid, waarmee dertig jaar geleden allerlei stijlen door elkaar werden gehaald, aan de vrijheid die we graag van de kunst verwachten. Een soort vitaliteit en radicaal gedrag die de kunst meer eigen is dan de dogmatiek van het modernisme. Als iemand mij dat een paar maanden geleden zou hebben verteld, voor mijn bezoek aan de Londense expositie, had ik naar mijn voorhoofd gewezen.


Postmodernism. Style and Subversion, 1970-1990. Victoria and Albert Museum, Londen. Tot en met 15 januari 2012. www.vam.ac.uk

-----------------------------------------


Als één gebouw in Nederland het postmodernisme uitstraalt, dan wel het Groninger Museum. Het museum werd in 1994 geopend en kreeg een lading van kritiek te verwerken. Niet alleen vanwege de locatie, recht tegenover het station, maar vooral ook door het chaotische uiterlijk. Toenmalig directeur Frans Haks (1938-2006) en architect Alessandro Mendini kozen voor een uitbundige architectuur met opzichtige kleuren en materialen, als een klein Las Vegas in het water. Voor het uiteindelijke ontwerp tekenden vier kunstenaars: Mendini, Philippe Starck, Michele de Lucchi en Coop Himmelb(l)au.


-----------------------------------------


Postmodernisme in 97 woorden

Postmodernisme tart elke definitie, waarschuwt het Victoria & Albert op zijn site - maar een poging is best te wagen.


Het is een filosofische stroming die


1. Het bestaan van objectieve waarheid ontkent en stelt dat waarheden en werkelijkheden sociale constructen zijn;


2. niet gelooft in onvermijdelijke vooruitgang,


3. noch in scherpe definities en tegenstellingen. Postmoderne kunst brengt dat tot uitdrukking door die waarheden, tegenstellingen en vermeende perfecties uit te vergroten, belachelijk te maken en/of aan de kaak te stellen.


Zo.


Waardoor bijna alles als postmodern is aan te duiden. Waarmee een scherpe definiëring moeilijk is, bij wijze van self fulfilling prophecy.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden