Tussen hoogmoed en zelfspot

'TOEN GOD hemel en aarde had geschapen was hij uiteraard ontzettend moe. Hij had er een goed gevoel over, maar hij was zo moe dat hij Adam vroeg of die nog even een naam voor de dieren wilde bedenken....

Jan Blokker

"Welke dieren?", vroeg Adam.

"Die daar", zei God.

"Moeten die dan namen hebben?", vroeg Adam.

"Jij hebt toch ook een naam?", zei God.

Adam dacht dat God gek geworden was, maar hij zei niks. Hij liep naar de dieren, en na een poosje kwam hij terug met een lijst namen.

"Alsjeblieft", zei hij.

God keek de lijst door en knikte.

"Heel aardig", zei hij. "Allemaal heel aardig, behalve die laatste."

"Dat is een hele goeie naam", zei Adam. "Wat mankeert daar aan?"

"Waarom wil je dat beest in godsnaam een olifant noemen?", vroeg God.

Adam keek God aan.

"Volgens mij ziet hij eruit als een olifant", zei hij.

Fragment uit een verhaal dat eigenlijk over gevaarlijk autorijden gaat (en tot teleurstelling van de man aan wie het wordt verteld, niet over 's-x'): The New Yorker, 1932.

Genoeg lezers aan wie het niet zou zijn besteed, maar voor dezulken was het ook uitdrukkelijk niet bedoeld. 'It will be the magazine which is not edited for the old lady in Dubuque', schreef Harold Ross anno 1925 in een beginselverklaring, waarmee hij financiers voor zijn weekbladdroom zocht. 'The New Yorker expects a considerable national circulation, but this will come from persons who have a metropolitan interest.'

Het precieze marktprofiel van mensen met een 'metropolitan interest' leverde hij er niet bij – hij zal zoiets voor ogen hebben gehad als wat sommige Nederlanders zich in gepaste achterdocht voorstellen bij bewoners van de grachtengordel, die in overdrachtelijke zin zoals bekend zelfs in Drenthe voorkomen.

Ook zonder nader signalement wist Ross dat ze er waren en wie ze waren – zoals Adam wist dat een olifant eruitzag als een olifant.

Dat hij snel lezers vond, was dus niet zo'n wonder. Het mirakel was dat hij binnen de kortste keren de beste schrijvers, journalisten, tekenaars, satirici, scriptwriters, romanciers en critici om zich heen verzamelde, die The New Yorker voor kortere, maar vaak ook voor langere tijd koesterden als hun thuis- of zelfs hun toevluchtshaven.

Zijn verdienste?

Je zou zeggen van wel. Hij had, in de jaren van gezellige familiebladen als Collier's, Saturday Evening Post en Ladies Home Journal, met zijn 'grootstedelijke' ambities kennelijk een journalistieke vlam ontstoken die haar aantrekkingskracht niet kon missen. Maar je kon het ook omdraaien. Dat deed James Thurber, een van z'n vroegste en trouwste medewerkers, die hem in een boek vol geestige herinneringen (My years with Ross) alle eer gunde, maar onverbiddelijk volhield: 'The moths deserve the credit of discovering the flame.'

Ross zou het ermee eens zijn geweest. Z'n eigen schrijftalent schijnt niet te hebben overgehouden, maar hij had een feilloos instinct voor de talenten van een ander. Hiërarchie was hem daarbij een gruwel: mindere bijdragen van gevestigde auteurs wees hij net zo graag af als hij veelbelovende stukken van debutanten omarmde. Aan verkeerd begrepen eerbied werd niet gedaan ter redactie van The New Yorker. 'It will hate bunk', had Ross in z'n blauwdruk meteen verzekerd. De kaarsvlam was nodig, de motten waren onontbeerlijk.

Weinig reputaties konden in het blad op automatisch respect rekenen. 'Thedore Dreiner should ought to write nicer', rijmde Dorothy Parker in 1931 ten besluite van een recensie over de autobiografie van de veelgeprezen schrijver. En James Thurber verliet de première van DeMilles bejubelde Ten Commandments met de woorden: 'Nou zie je eens wat God ervan had kunnen maken als hij de centen had gehad.'

Ironie, distantie, venijnigheid, hoogmoed en humor waren de eigenschappen waarmee de medewerkers van The New Yorker te koop liepen. Als de stukken geschreven en de cartoons getekend waren, hokten ze samen in de nog altijd vermaarde 'rozenkamer' van het Algonquin Hotel dat in de 44ste straat vrijwel om de hoek lag, en waar ze al etend, drinkend en pokerend elkaar vermaakten, bestookten of beconcurreerden met wisecracks die ze voor de eeuwigheid bestemd achtten, en waarvan er ook honderden zijn overgeleverd.

'Raad eens wie vandaag jarig is?', vroeg een in de jaren twintig populaire columnist/toneelschrijver aan een vrouwelijke collega. 'Jij?', gokte ze. 'Nee', zei hij, 'maar je bent warm: Shakespeare.'

En Robert Benchley – schrijver, theatercriticus, filmacteur – moet op een late, regenachtige avond voor de deur van het hotel een geuniformeerde man om een taxi hebben gevraagd. 'Neem me niet kwalijk', zei de man, 'maar ik ben schout-bij-nacht.' En Benchley, zonder met de ogen te knipperen: 'Oké, laat dan maar een slagschip voorkomen.'

New York was voor alle weekbladredacteuren en -medewerkers het centrum van de wereld, en New York was eigenlijk nog te groot gezegd: men woonde, leefde en dacht in Manhattan, meer speciaal tussen 9th en 10th Avenue aan de goede kant van Hudson River. Saul Steinberg, die in 1942 als berooide Roemeense vluchteling op Ellis Island op toelating tot het beloofde land wachtte en in wiens op de bonnefooi naar The New Yorker opgestuurde cartoons Harold Ross onmiddellijk een mot met talent herkende, heeft jaren later nog eens een cover getekend op de voorgrond waarvan het middelpunt van de New Yorkse kosmos staat afgebeeld. In de verte liggen kleintjes Washington D.C., Chicago, Kansas City en Los Angeles, en, nog verder weg, voorbij de Pacific, zijn China, Japan en Rusland bijna niet meer met het blote oog te onderscheiden.

Hoogmoed en zelfspot zijn in The New Yorker altijd heel gelukkig getrouwd geweest.

Satire, humor, absurde non-fictie en nonsens-poëzie hebben overigens – hoe dominant ze in sommige periodes van de voorbije 75 jaar ook zijn geweest – nooit bij uitsluiting de inhoud van het blad bepaald. Het ging bovenal om goed, liefst geestig en in gepaste afstand geschreven stukken, maar dat mochten zowel radio-, televisie-, film- of theaterrecensies zijn als boekbesprekingen en politieke commentaren, alsook reisverslagen of al dan niet literaire reportages. Nog in de dagen van Ross – hij stierf in 1951 in het harnas onder achterlating van een kerngezonde onderneming – zijn gedurende de Tweede Wereldoorlog prachtige reisbrieven uit Londen en Parijs gepubliceerd, en The New Yorker had in augustus 1946 ook de primeur van John Herseys nog altijd indrukwekkende reconstructie van de Bom en Hiroshima. In The New Yorker Book of War Pieces zijn die verhalen later gebundeld – zoals er nu onder de titel Fierce Pajamas een bloemlezing is verschenen van uitgesproken humor writing.

De verzameling behelst een kleine honderdvijftig korte verhalen, gegroepeerd naar 'genre', en telkens in chronologie gekozen uit de vroegste jaargangen tot aan de meest recente.

'Misschien', adviseren de samenstellers, 'moet u dit boek niet van de eerste tot de laatste bladzijden proberen uit te lezen. Humor is net zoiets als een antibioticum dat je ook gedoseerd moet innemen. Beschouw deze bundel als een goedgevulde ijskast, en zet uzelf op dieet. Als standup comedians optreden, geldt meestal een minimum van twee glazen, zodat ze de lach kunnen ontlokken aan een lichtelijk, maar plezierig aangeschoten gehoor.'

De verleiding om volstrekt nuchter dóór te lachen is er niet minder om. Je hebt tenslotte te maken met de fantasie van zulke uitdagende auteurs als E.B. White, Scott Fitzgerald, James Thurber, Nabokov (een voorpublicatie uit Pnin), Ian Frazier, Robert Graves, Dorothy Parker, Ogden Nash, S.J. Perelman, John Updike, tot en met Woody Allen. De selectie is in zoverre met clementie voor de hedendaagse (en niet-Amerikaanse!) lezer gemaakt dat de meeste bijdragen genoten kunnen worden zonder speciale (voor)kennis van New Yorkse actualiteiten waarmee veel schrijvers in hun hoogmoed – centrum van de wereld tenslotte – niet zuinig waren.

Verrassend is eigenlijk vooral de eenheid van stijl, mentaliteit en 'grootstedelijkheid' die driekwart eeuw is bewaard: allerlei inmiddels vergeten ontdekkingen van Harold Ross – zoals bijvoorbeeld Wolcott Gibbs, die het verhaal over God, Adam en de olifant schreef – blijken ook met terugwerkende kracht nog naadloos te passen in de traditie die tot op de dag van vandaag bij The New Yorker in ere is gehouden.

Zoals er nauwelijks 'mentaal' verschil valt af te lezen tussen het in 1933 met pokerface geschreven hilarische verhaal van James Thurber over een mr Preble, die zich terwille van een jonge secretaresse van z'n lelijke vrouw probeert te ontdoen, en Woody Allens verzonnen dagboekaantekeningen uit 1973, die eindigen met deze notitie: 'Vannacht al mijn toneelstukken en gedichten verbrand. Ironisch genoeg vatte de kamer vlam terwijl ik bezig was mijn meesterwerk Dark Penguin te verbranden. Gevolg: een proces aangespannen door mannen die Pinchunk en Schlosser blijken te heten. Kierkegaard had gelijk.'

Men kieze z'n eigen wijze van toediening. Mij speet het bij het lezen een paar keer dat men de tekst niet op z'n minst mondjesmaat nog verder had opgevrolijkt met het werk van grote tekenaars als Peter Arno, Chass Adams en Saul Steinberg, die bij The New Yorker ter onderscheiding van de schrijvende medewerkers artists werden genoemd. Maar de samenstellers zullen in zelfspot hebben gedacht dat een onverlucht boek deftiger was.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden