Turn off Prize

Publieksparticipatie, daar draait het dit jaar om bij de Turner Prizeshow. Helaas blijkt die hele participatie vooral een speeltje van de kunstenaar te zijn.

Dat valt niet bepaald mee. Derry, een stad in Noord-Ierland. De somberte grijpt je naar de keel. In de zomer moet het er prachtig zijn, als de stad in het zonlicht aan de River Foyle ligt te fonkelen. Maar onder de dikke wolkenlucht, half november, verschijnt een ander gezicht. Grimmig.


Het beeld komt overeen met hoe de stad ervoor staat. Want ondanks de opkomst van een nieuwe technologische industrie heerst er nog veel economische misère dankzij het faillissement gaan van scheepswerven en de wollenstoffenindustrie. En door de gevolgen van 'The Troubles', een typisch Brits understatement voor het dertig jaar durende conflict tussen de katholieken en protestanten. Het heeft in deze regio diepe sporen nagelaten, ondanks het Goede Vrijdag-vredesakkoord van 1998. Drie jaar geleden ontplofte er nog een autobom in het centrum van de stad.


Maar nu is Derry gastheer voor de Turner Prize 2013. Reden: de organisatie, Tate Britain in Londen, wil de prijs meer landelijke betrokkenheid geven. Daarbij, de Turner Prize is een mooie aanleiding om de stad een cultureel steuntje in de rug te geven.


In twee Victoriaanse, baksteenrode gebouwen op de vroegere militaire basis Ebrington laten Laure Prouvost, Tino Sehgal, David Shrigley en Lynette Yiadom-Boakye zien waarom zij de prijs van 40 duizend Britse ponden moeten winnen.


Van Yiadom-Boakye en Prouvost had ik nog nooit gehoord, moet ik bekennen. De eerste, de van oorsprong Ghanese Yiadom-Boakye, blijkt de enige schilder onder het viertal te zijn. In een donkere zaal hangen haar schilderijen in het schijnsel van zwakke spotjes, als in een museum voor Afrikaanse kunst. Het zijn klassieke portretten; een beetje goedkoop, vegerig geschilderd. Wel met een verrassend detail: het wit van de shirts, onderbroeken en de ogen van de afgebeelde, donkere mannen en vrouwen werken als een reflectielamp.


Ook de bijdrage van de Frans-Britse Laure Prouvost bevindt zich in een verduisterde ruimte. Titel: Wantee. Het is een theaterdecor, ingericht met een gigantische tafel, gammele stoelen en talloze vitrines. Overal staan theekopjes en -potten. Vele in de vorm van een fallus. Het interieur blijkt geënt te zijn op dat van haar grootvader, die bevriend was met Kurt Schwitters, die op zijn beurt weer een liefje had die aldoor vroeg 'Wantee?', als ze iemand thee aanbood.


Zittend op de toneelmeubels - want dat mag - krijg je het gevoel werkelijk bij die opa op theebezoek te zijn. Alles ademt de rommelige sfeer van de schilderijen en collages van Schwitters, alsof de Duitse kunstenaar elk moment kan binnenwandelen. Een verwachting die wordt versterkt door de filmprojectie, tegen een van de muren, met beelden van de originele 'cabin' in het Engelse Lake District waar hij jaren heeft gewoond.


Het werk van Prouvost sluit aan bij dat van de overige twee, Tino Sehgal en David Shrigley. Alle drie laten, hoe verschillend ook, 'participatoire' werk zien, zoals dat tegenwoordig heet. 'Meedoen-kunst'. Sehgal heeft er zelfs een grote naam mee opgebouwd. In Tate Britain liet hij vorig jaar acteurs rondlopen en dansen, terwijl ze willekeurige bezoekers aanspraken met aangrijpende monologen over kanker, liefdesverdriet en dominante vaders.


Sehgal typeert zijn oeuvre als constructed situations, geënsceneerde ontmoetingen waarin dans, taal en interactie met het publiek een hoofdrol spelen. Dansers, kinderen of acteurs, Sehgal gebruikt meerdere manieren om de bezoekers te mobiliseren en in gesprek met elkaar te brengen.


Nu heeft hij drie 'suppoosten' een zwart T-shirt laten aantrekken met het opschrift 'Here to help'. De bedoeling is met hen te discussiëren over de markteconomie. Links en rechts staan inderdaad groepjes bezoekers daarover te praten, in een voor de rest lege zaal. Meeluisterend hoor ik ze zeggen:


'What do you think about market economics?'


'Pardon me.'


'What do you think about...'


'Well, people are getting poorer. Can't pay their bills. Look around. Even this artist hasn't enough money to buy paint or anything else.'


Ronduit grappig is de zaal van David Shrigley. Shrigley is de geinponum van de Britse kunst. En toegegeven, grappig zijn zijn foto's en cartoons inderdaad. Op een grasveld zette hij ooit een bordje met de tekst 'Imagine the green is red'. Een opgezette hond liet hij de woorden ophouden 'I'm dead'. Dat soort werk. Hij is de absurde chroniqueur van het alledaagse leven, voortkomend uit de Britse traditie van Monty Python.


In tegenstelling tot de ruimte van Sehgal hangt het bij Shrigley wel vol. Met tekeningen. Je kunt er namelijk tekenen naar model. Dat model staat op een verhoging in het midden van de ruimte, omringd door krukjes en schildersezels. Hij (want het is een hij) is naakt en van roze plastic, en heeft een piemel waaruit bij tijd en wijle water sijpelt. In een emmer. Driftig zitten enkele omstanders met potlood en krijt te schetsen, de tong tussen de tanden. Het merendeel loopt evenwel schouderophalend en giechelend voorbij.


Publieksparticipatie, vanaf begin jaren negentig heeft het in de kunstwereld een belangrijke, niet meer weg te denken plaats veroverd. De stroming kent inmiddels veel verschijningsvormen. Zo veranderde de Thaise kunstenaar Rirkrit Tiravanija, een van de grondleggers, zijn tentoonstellingszalen in restaurants waar je noedelsoep en mosselen kon eten. Op een buitententoonstelling in Münster kon je je voeten laten masseren in een kunstwerk van Marie-Ange Guilleminot. Op uitnodiging bleef Alicia Framis bij je slapen.


Het idee is dat wandelen, eten, slapen en praten enkel stilistische middelen zijn om tussen kunstenaar en bezoeker een speciale, intiemere band te laten ontstaan. Dat het de ervaring prikkelt, de verbeelding verhoogt, je kennis verruimt. Dankzij de samenwerking tussen beide partijen.


Wat het in Derry heeft opgeleverd? 'The viewer is the boss', had Prouvost nog in een begeleidend filmpje gezegd. Maar publieksparticipatie op deze Turner Prizeshow blijkt toch vooral eenrichtingsverkeer te zijn. Je mag meedoen, maar wel onder de condities van anderen. Zeker, in het oude soldatengebouw laten de kunstenaars zien dat je kunst op een andere manier kunt consumeren. Actiever. Oké, ik heb geprobeerd een tekening te maken van het naakt dat me werd voorgeschoteld (het resultaat leek nergens op), gediscussieerd over de mondiale economie en aan tafel gezeten tussen de piemeltheepotten.


Neemt niet weg dat in Derry eigen initiatief niet erg op prijs wordt gesteld. Want natuurlijk had ik in het atelier van Shrigley liever een frisse, jonge, levende meid nageschilderd en thee gedronken bij de opa van Prouvost. En als ik in de zaal van Tino Sehgal opper het te hebben over de bespottelijke prijs van de laatste veiling van een Francis Bacon-drieluik, blijkt dat niet de bedoeling. Het onderwerp is volgens de suppoost de steeds legere huishoudportemonnee van de gemiddelde Brit. And that's it.


De liefde komt duidelijk niet van twee kanten. Normaal gesproken kun je zelf bepalen hoe lang je voor een schilderij wilt staan. Nu kan ik me pas na tien minuten moeizaam loswrikken van de suppoost, die geen suppoost blijkt te zijn als ik hem er ten slotte naar vraag, maar een gediplomeerde welzijnswerker. Aha.


Of ik iets meer heb geleerd door een levenloos model te tekenen? Een ander idee heb gekregen over de markteconomie? Mwah. Nee.


De hele participatie blijkt op deze aflevering van de Turner Prize toch vooral een speeltje van de kunstenaars te zijn en feitelijk een wassen neus. Het middel - meedoen, deelnemen - is een doel op zich geworden. Het doel zelf - meer inzicht in de economie krijgen, in het metier van modeltekenen of het liefdesleven van Schwitters - is verdwenen. Het feit dat je überhaupt mag praten en tekenen, lijkt alleen al genoeg.


Nee, als er iets 'participatoirs' aan deze hele tentoonstelling is, dan wel de keuze van de organisatie voor Derry. De stad die door de economische malaise en de 'moeilijkheden' tussen katholieken en protestanten zo in het verdomhoekje was geraakt, die stad hoort er nu weer bij. Ook omdat Derry dit jaar culturele hoofdstad van het land is. In de programmering speelt de prijs een prominente rol. Overal in de stad staan vers geschilderde borden die naar het terrein aan de andere kant van de Peace Bridge wijzen, waar de Turner-tentoonstelling te zien is. De expositie trekt veel bekijks.


Aan de andere kant is het ook gunstig voor de Turner Prize zelf. Zes jaar geleden was de organisatie daarvan al eens uitbesteed aan Liverpool. Het leek eenmalig. Nu is besloten de prijs elke twee jaar buiten Londen te laten plaatsvinden. In 2015 in het Schotse Glasgow. Dat de Turner Prize nu in deze uithoek van het Britse koninkrijk wordt georganiseerd, is dus zowel goed voor Derry als voor Tate Britain. Beide worden er beter van. Over participatie en betrokkenheid gesproken.


Credit"Turner Prize. Buildings 80-81, Derry, Noord-Ierland. T/m 5/1 2014. Uitslag 2/12, Channel 4


Extra: Bekend door schandalen

Schandalen. Het is de belangrijkste reden waarom de Turner Prize door de jaren heen bekendheid heeft gekregen. Het onopgemaakte bed met tissues, peuken, condooms en bebloede slipjes van Tracey Emin. De haai op sterk water van Damien Hirst. Rachel Whiteread die het prijzengeld eerst weigerde en daarna weggaf (onder meer aan andere kunstenaars). Een cultuurminister die kritiek op de prijs zelf had. Of Madonna die tijdens de prijsuitreiking vloekte. De laatste jaren is het beduidend rustiger geworden. Of het moet zijn dat de uitreiking in 2011 werd verstoord door een streaker die door een van de genomineerden was ingehuurd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden